[eerste boek] [tweede boek] [derde boek] [vierde boek]

dafnis en chloŽ

derde boek

 

Toen de Mityleners vernamen van de aanvalstocht der tien schepen, en toen verschillende lieden van het land tot hen kwamen en hun vertelden van de roof, vonden zij het niet te verdragen, dat van de Methymners te moeten ondergaan, en zij besloten ook hunnerzijds onverwijld de wapenen tegen hen te keren. Zij brachten dus drieduizend speerdragers en vijfhonderd ruiters bijeen en zonden als aanvoerder Hippasos uit over de weg te land, want met het winterse getijde schuwden zij de zee.
Deze begaf zich op weg, maar hij plunderde de landerijen der Methymners niet, voerde geen veldvruchten of vee als buit mede, en vergreep zich niet aan de bezittingen der landlieden en der herders, daar hij dat eer het werk vond van een rover dan van een veldheer, maar met spoed trok hij tegen de stad zelve op met de bedoeling, die binnen te rukken door de poorten, nog vůůr deze bewaakt werden. Toen hij nog ongeveer honderd stadiŽn had af te leggen, kwam hem een heraut tegemoet met het aanbod van een wapenstilstand. De Methymners namelijk hadden van hun gevangenen vernomen, dat de Mityleners van het gebeurde niets afwisten, maar dat het landlieden en herders waren geweest, die de jongelieden dat wegens hun onbeschaamd gedrag hadden aangedaan. De Methymners hadden nu spijt, dat zij een buurstaat hadden gewaagd te bejegenen met meer overhaasting dan beleid, en zij wensten niets liever, dan hun buit in zijn geheel aan de Mityleners terug te geven, om met hen weder tot rustig verkeer te komen, zowel over land als over zee. Hippasos zond de heraut dus naar Mitylene, hoewel hij tot gevolmachtigd bevelhebber bij handopsteken was benoemd. Hijzelf betrok een kamp op ongeveer tien stadiŽn van Methymne, en wachtte daar af, wat zijn stad hem zou opdragen te doen.
Nadat twee dagen waren verlopen, kwam er een boodschapper met het bevel, de oorlogsbuit in ontvangst te nemen en zonder enig verder gebruik van geweld naar huis terug te keren. Want nu de Mityleners de keuze hadden tussen oorlog of vrede, zagen zij meer voordeel in de vrede.
Zo verliep dan de oorlog tussen de Methymners en de Mityleners, even verrassend eindigend, als hij begonnen was. Maar daar kwam de winter, die voor Dafnis en ChloŽ nog harder werd dan de oorlog. Plotseling toch was er een zware sneeuwval, die alle wegen afsloot en alle landbouwers hield opgesloten. Heftig stortten de rivieren zich door haar winterbeddingen, alles werd met ijs bedekt, en het leek wel, of de bomen onder die last zouden bezwijken. Het land zelf was alom aan het oog onttrokken, tenzij dan aan de rand van bronnen en stromen. Niemand meer bracht zijn kudde naar de weide of ging zelf nog de deur uit, maar bij het eerste hanegekraai legde men een groot vuur aan, en sommigen gingen vlas spinnen, anderen geitewol kaarden, anderen weer legden al hun vernuft in het vervaardigen van vogelnetten. Dan zorgde men ervoor, dat de runderen aan de ruif stro hadden, om te vreten, de geiten en schapen in de schaapskooi gebladerte, en de varkens in de zwijnestal beukenootjes en eikels.
Met zijn allen aldus verplicht, om thuis te blijven, waren landbouwers en herders in hun schik, voor enige tijd van hun zware werk bevrijd te zijn, ook des morgens een maal te kunnen gebruiken en lange nachten te kunnen verslapen, zodat zij de winter aangenamer vonden dan de zomer, de herfst, en zelfs dan de lente. Maar Dafnis en ChloŽ, in de herinnering aan de genoegens, die zij moesten onderbreken, hoe zij elkander kusten en omhelsden, en hoe zij te zamen hun voedsel gebruikten, maakten slapeloze en bedroefde nachten door, en leefden in afwachting van het lentegetij, als zou hen dat weer uit de dood verwekken. Zij waren treurig bij het in handen krijgen van een knapzak, waaruit zij samen hadden gegeten, of bij het zien van een drinkkom, waaruit zij tezamen hadden gedronken, of bij het vinden van een rietfluit, eens een geschenk der liefde geweest, nu achteloos neergeworpen. Zij smeekten tot de Nymfen en tot Paan, hen van al dat leed te verlossen, en hunzelven met hun kudden weer eens de zon te laten zien. En onder die smeekbeden zochten zij naar een middel, waardoor zij elkander zouden kunnen zien. Wat ChloŽ betreft, die zag er in het geheel geen kans toe en vond geen oplossing, want altijd was zij, die haar tot moeder strekte, in haar nabijheid, hetzij om haar te leren wol te kaarden, of het spinrokken te draaien, of haar over het huwelijk te onderhouden. Maar Dafnis, die niets te doen had en vanzelf vindingrijker dan een meisje was, bedacht de navolgende list, om ChloŽ te kunnen zien.
Aan de voorzijde van het huis van Dryas en tegen dat huis zelf waren twee grote mirten en een klimopplant opgegroeid. De mirten stonden dicht bij elkander en de klimop tussen die beide in, zodat zij, daar zij haar takken op de wijze van een wingerd door elk van beide had uitgestoken, door de verstrengeling van het gebladerte iets als een grot vormde. Haar bessentrossen, overvloedig en zo groot als druiven, hingen van de twijgen af. Een grote menigte wintervogels hield zich bij haar op door de schaarste aan voedsel in de velden, vele lijsters en merels en duiven en spreeuwen, en allerlei ander gevogelte, dat de bessen van de klimop eet. Onder voorwendsel, die vogels te willen vangen, ging Dafnis op pad met een knapzak vol honigkoekjes, en om alle achterdocht te weren, nam hij ook vogellijm en strikken mee. De afstand was niet meer dan tien stadiŽn, maar de sneeuw, die nog niet gesmolten was, bezorgde hem veel overlast. Voor de liefde echter is iedere weg begaanbaar, door vuur, door water, en zelfs door een pak sneeuw, zoals bij de Skythen valt.
In draf dan ook bereikt hij het huis, en na zich de sneeuw van de benen te hebben geschud, zette hij zijn strikken uit, en smeerde lange stokken met vogellijm in. Vervolgens ging hij zitten in afwachting van de vogels en van ChloŽ. Vogels nu kwamen er in grote menigte en lieten zich in voldoend aantal vangen, zodat hij maar werk had ze te verzamelen, te doden en te plukken. Maar niemand kwam het huis uit, man, vrouw noch huishen: allen bleven om het vuur zitten met de deur op slot, zodat Dafnis in het geheel geen raad wist, en meende, onder slecht gesternte gekomen te zijn. Hij wilde het wagen, onder enig voorwendsel binnen te dringen, en hij bedacht bij zichzelf, wat het aannemelijkst zou klinken. 'Ik ben gekomen, om vuur te krijgen. - Hebt ge dan geen buren op een stadion van uw huis? - Ik kom brood vragen. - En ge hebt een knapzak vol eten? - Ik vraag wat wijn. - Terwijl de wijnoogst gister en eergister nog aan de gang was? - Een wolf zat mij achterna. - En waar zijn de wolvesporen? - Ik kwam hier om vogels te vangen. - En waarom vertrekt ge dan niet, nu ge ze gevangen hebt? - Ik wil ChloŽ zien. - Wie komt daarmee voor de dag tegenover de vader of de moeder van een meisje?' Nergens een uitweg ziende, zegt hij tot zichzelf : 'Niets van dat alles klinkt onverdacht. Het is dus beter, maar te zwijgen. ChloŽ zal ik in het voorjaar terugzien, daar het mij niet beschoren schijnt, haar nog gedurende de winter te aanschouwen.' Zoiets dergelijks denkend, en in stilzwijgen zijn jachtbuit bijeenpakkend, maakt hij zich gereed, terug te keren. Maar dan, als had Eroos deernis met hem, geschiedt het navolgende.
Dryas zat aan tafel met de zijnen. Het vlees werd uitgedeeld, het brood erbij gelegd, de wijn gemengd. Daar gaat een der herdershonden, die een ogenblik van onoplettendheid had afgewacht, er met een stuk vlees van door naar buiten. Dryas, wiens portie het juist was, stuift op, grijpt een stok, en gaat achter hem aan, zelf als een hond zijn spoor houdend. Op zijn achtervolging komt hij bij de klimop, en ziet Dafnis bezig, zich de jachtbuit op de schouders te laden, voornemens de plaat te poetsen. Dryas denkt om geen vlees of hond meer, roept hem luide toe: 'Welkom, mijn jongen!', sluit hem in zijn armen en kust hem, en brengt hem bij de hand naar binnen. Het scheelde niet veel, of toen zij elkander zagen, vielen Dafnis en ChloŽ bezwijmd ter aarde. Maar zij wisten de kracht te vinden, om staande te blijven, elkander toe te spreken en elkaar te kussen. En dit laatste was hun als het ware tot steun, om niet neer te vallen.
Nadat Dafnis toch nog onverhoopt zowel ChloŽ zelve als haar kus had gevonden, zette hij zich nabij het vuur, ontlastte op de tafel zijn schouders van de duiven en de lijsters, en vertelde, hoe hij uit tegenzin tegen het thuis zitten, op stap was gegaan om te jagen, en hoe hij, gedeeltelijk met strikken en gedeeltelijk met de lijmstok de vogels had gevangen, die verzot zijn op mirte- en klimop-bessen. Men prees hem om zijn ondernemingslust, nodigde hem uit, mede te eten van wat de hond had over gelaten, en ChloŽ werd gezegd, hem ook in te schenken. Met graagte reikte zij de drank aan, eerst de anderen en daarna Dafnis, want zij gaf voor, verstoord te zijn, dat hij, na in de buurt te zijn gekomen, wilde weglopen, zonder hen gezien te hebben. Niettemin dronk zij uit zijn kom, alvorens hem die aan te brengen, en daarop eerst reikte zij haar over. En hij, hoewel hij dorst had, dronk met langzame teugen, om zodoende het genoegen langer te doen duren.
Al spoedig was er van brood en vlees op tafel niets meer over, maar men bleef zitten en vroeg, hoe Myrtale en Lamoon het maakten, en men prees hen gelukkig, dat zij zulk een steun hadden mogen vinden op hun oude dag. Dafnis was blijde met die lof, hem ten aanhore van ChloŽ gebracht, maar toen men hem zeide te blijven, om de volgende dag met hen aan Dionysos te offeren, was hij er niet ver van af, in zijn vreugde hunzelven in plaats van Dionysos zijn hulde te betuigen. Dadelijk haalde hij uit zijn knapzak tal van honigkoeken te voorschijn met de vogels, die hij gevangen had, en deze bereidde men voor de avondtafel. Wederom werd een mengvat klaar gezet en wederom werd het vuur ontstoken. Weldra viel de nacht, en werd een tweede maaltijd opgediend. Na afloop daarvan bleef men nog wat verhalen doen en nog wat zingen, en vervolgens begaf men zich naar bed, ChloŽ met haar moeder, Dryas met Dafnis. Voor ChloŽ bestond niets goeds, dan dat zij de volgende dag weer Dafnis zien zou, maar Dafnis had nog het plezier van een vaag genoegen, want een genoegen vond hij het, ook maar met ChloŽ's vader te gaan slapen, en herhaaldelijk omhelsde en kuste hij hem, als hij in de droom dat ChloŽ deed.
Toen de dag aanbrak, was het buitengewoon koud, en lag alles verkleund onder de noordenwind. Na het opstaan offerde men een eenjarige bok aan Dionysos. Een groot vuur werd ontstoken en het maal werd bereid. Terwijl Nape brood bakte en Dryas de bok kookte, namen Dafnis en ChloŽ een vrij ogenblik te baat en liepen het huis uit tot waar de klimop stond. En na wederom hun strikken te hebben gezet en lijmstokken te hebben ingesmeerd, vingen zij een hele menigte vogels. Inmiddels hielden zij niet op van kussen te genieten en tedere woorden te wisselen. 'Om jou ben ik gekomen, ChloŽ. - Ik weet het, Dafnis. - Om jou vermoord ik die ongelukkige lijsters. - Wat wil je dan van mij? - Dat je aan mij zult denken. - Maar ik denk aan je, bij de Nymfen, bij wie ik eenmaal gezworen heb in de grot, waarheen wij zullen terugkeren, zodra de sneeuw is gesmolten. - Maar de sneeuw ligt zo hoog, ChloŽ, en ik ben bang, zelf eerder te smelten dan zij. - Moed gevat, Dafnis, de zon is warm. - Als zij maar zo warm was, ChloŽ, als het vuur, dat in mijn hart brandt. - Spotter, nu houd je mij voor de mal! - Neen werkelijk niet, bij de geiten, waarbij ge me gezegd hebt, te zweren.'
Zo beantwoordde ChloŽ Dafnis als een echo, maar toen Nape hen riep, kwamen zij aangelopen met een jachtbuit, nog veel overvloediger dan die van de vorige dag. En na uit het mengvat aan Dionysos te hebben geplengd, zetten zij zich aan tafel, het hoofd met klimop bekranst. En toen het uur daar was, deden zij, onder kreten en gezang voor Iakchos, Dafnis uitgeleide, na zijn knapzak met vlees en brood te hebben gevuld. Zij gaven hem ook de duiven en de lijsters mede, om die aan Lamoon en Myrtale te brengen, zeggende, dat zij wel andere zouden vangen, zolang de winter nog duurde en er bessen aan de klimop zaten. Hij vertrok, na eerst de anderen en toen eerst ChloŽ te hebben gekust, opdat haar kus hem in volle zuiverheid mocht bijblijven. En nog herhaaldelijk deed hij de heen- en terugweg onder andere voorwendsels, zodat de winter voor hen niet geheel en al leeg van liefde verliep.
En toen al spoedig de lente aanving, de sneeuw smolt, de aarde bloot kwam te liggen en het gras begon te groeien, brachten de herders hun kudden naar de weideplaats, maar vůůr alle anderen ChloŽ en Dafnis, die immers in dienst stonden van een machtiger herder. Dadelijk dan ook liepen zij naar de Nymfen in haar grot, vervolgens naar het Paan-beeld onder de pijnboom, en toen naar de eik, waaronder zij gewoon waren te zitten, om hun kudden te weiden, terwijl zij elkander kusten. Zij gingen, om de godebeelden te bekransen, ook bloemen bijeen zoeken, die nog maar kort de voedzame westenwind en de verwarmende zon uit de grond hadden gedreven. Maar toch waren het viooltje en de narcis en de pimpernel reeds voor hen te vinden, met alle andere, die de lente het eerst voortbrengt. En Dafnis en ChloŽ namen nieuwe melk van enkele geiten en schapen, en plengden daarvan voor de beelden, die zij bekransten. Maar ook van hun rietfluit boden zij de eerste zang aan, als wilden zij de nachtegalen uitdagen in de zangkunst. Deze begonnen dan ook haar schuchter gezang in het struikgewas, en gaandeweg duidelijker verhaalden zij van Itys, alsof het lied haar weer in de herinnering kwam, nadat zij zo lang hadden gezwegen.
En al wat schaap was, blaatte, en al wat lam was, sprong in 't rond, of lurkte, onder de moeder gehurkt, haar de tepel. En de rammen zaten achter de schapen aan, die nog niet hadden geworpen, en na ze omlaag te hebben gedrukt, besteeg de een de ander. En ook de bokken achtervolgden de geiten, en besprongen ze in hun drift, en streden om haar bezit. Ieder had de zijne, en waakte, dat niet een ander ze heimelijk verwierf. Ook ouden van dagen zoude, als zij het zagen, dat schouwspel tot liefdelust hebben opgewekt. Maar deze beiden, jong nog en overlopend van de sappen des levens en reeds lang op zoek naar wat lief hebben is, werden verhit door wat zij hoorden en week door wat zij zagen, en gingen ook zelven iets meer bijzonders begeren dan kussen en omhelzingen, Dafnis vooral. Want tot voller wasdom gekomen gedurende het winterse werkeloos thuis zitten, dorstte hij naar kussen en hunkerde naar omhelzingen, en was bij al, wat hij deed, doorvorsender en doortastender.
Hij drong dan ook bij ChloŽ aan, hem alles in te willigen, wat hij wenste, en langer met hem ontkleed te liggen, dan zij tot dusverre gewoon waren, want dat, zeide hij, bleef nog te doen over van wat Filetas hun had genoemd als enig geneesmiddel, om de liefde te doen ophouden. En als zij hem vroeg, wat er dan nog meer is dan kussen en omhelzen en het zich nederleggen zelf, en wat hij dacht te doen, wanneer zij beiden naakt zouden bijeenliggen, dan zeide hij: 'Datzelfde, wat de rammen, de schapen en de bokken de geiten doen. Ziet ge wel, hoe na die verrichting de wijfjes de mannetjes niet meer ontvluchten, en deze zich geen moeite meer geven, haar te achtervolgen? Maar als hadden zij te zamen genot gesmaakt, blijven zij verder bij elkander weiden. Het moet wel iets zoets zijn, dat het de prikkel der liefde overwint. - Maar ziet ge niet, Dafnis, dat de geiten met de bokken en de rammen met de schapen dat staande doen, en dat de wijfjes het staande ondergaan, als de mannetjes haar bespringen en zij hen op de rug dragen? Maar jij wilt, dat ik mij naast je zal neerleggen, en dat nog wel naakt. En toch, hoeveel beter zijn niet die wijfjes door haar vacht bedekt dan ik door mijn kleding!' Dafnis moest dat toegeven, legde zich bij haar neder en bleef lange tijd zo liggen. Maar daar hij niets wist te doen van wat hij verlangde, deed hij haar opstaan en omvatte haar van achteren in navolging der bokken. Dat bracht hem nog meer van de wijs, en weer gezeten barstte hij in tranen uit, dat hij van de handel der liefde minder dan zelfs de rammen verstond.
Dafnis nu had een buurman, een landbouwer op eigen land, Chroomis bij name, die lichamelijk zijn beste tijd al achter zich had. Hij had een vrouwtje, dat hij uit de stad had meegebracht, jong en bekoorlijk, en verfijnder, dan men op het land pleegt te zijn. Lykainion heette zij. Deze Lykainion, die Dafnis dagelijks zijn geiten zag voorbijdrijven, des morgens naar de weide toe, bij het vallen van de nacht vandaar terug, verlangde hem tot minnaar te krijgen, waartoe zij hem door geschenken wilde verlokken. En toen zij hem eens alleen had weten te ontmoeten, gaf zij hem een rietfluit en honig nog in de raat, en een knapzak van hertevel, maar zij dorst niets te zeggen, want zij vermoedde wel, dat hij ChloŽ lief had, daar zij hem doorlopend in de nabijheid van het meisje zag. Vroeger reeds had zij dat opgemaakt uit hun tekenen van verstandhouding en uit hun glimlach, maar ditmaal, bij het aanbreken van de dag tegenover Chroomis voorgevend, dat zij zich naar een buurvrouw begaf, die in barensnood verkeerde, sloop zij de beide jongelieden na, verborg zich in het struikgewas, om niet te worden gezien, luisterde alles af, wat zij zeiden en zag alles, wat zij deden. Zelfs de tranen van Dafnis ontgingen haar niet. Zij had medelijden met hun ongeluk, en in de mening, dat zich een dubbele gelegenheid voordeed, enerzijds om hen uit de nood te redden en anderzijds om haar eigen verlangen te bevredigen, verzon zij het navolgende.
De andere dag gaat zij, naar zij voorgaf, weer naar de kraamvrouw, maar begeeft zich naar de eik, waaronder Dafnis met ChloŽ was gezeten, en terwijl zij zich in alles gedraagt, alsof zij overstuur is, zegt zij: 'Dafnis, help mij in mijn ongeluk. Van de twintig ganzen, die ik had, heeft een arend er een, en wel de mooiste, geroofd. Maar daar het een hele vracht was, om te tillen, heeft hij haar niet omhoog kunnen brengen tot boven op die rots, waar hij verblijft, maar is in het bos daar in de laagte met haar neergestreken. Nu moet gij, bij de Nymfen en bij Paan, wiens beeld daar staat, met mij naar dat bos gaan - want alleen durf ik niet - om mijn gans te redden: ge wilt toch niet, dat mijn troep onvoltallig blijft? En wellicht krijgt ge de kans, ook de arend te doden, die dan niet meer tal van uw beider lammeren en jonge geitjes roven kan. ChloŽ zal zolang wel op uw kudde passen: de geiten zijn geheel aan haar gewend, daar zij altijd met u samen haar schapen weidt.'
Dafnis, die niets vermoedde van wat hem gebeuren ging, springt dadelijk op, grijpt zijn herdersstok en begeeft zich op pad achter Lykainion aan. Deze bracht hem zo ver mogelijk weg van ChloŽ, en nadat zij in het dichtst van het bos waren gekomen, zeide zij hem, zich bij een bron neder te zetten, en sprak : 'Dafnis, ge hebt ChloŽ lief, naar ik deze nacht van de Nymfen heb vernomen. In de droom hebben zij mij verteld, dat ge gisteren geweend hebt, en zij hebben mij gelast, u uit uw ongeluk te redden, door u de handel der liefde te leren. Dat is niet een kus of een omhelzing of wat de rammen en de bokken doen. Haar sprongen zijn anders en zoeter dan die van hen, want het genot, dat zij verschaffen is langer van duur. Zijt ge er dus op gesteld, u van uw kwalen te bevrijden en de proef te nemen van de genoegens, die ge zoekt, geef u dan aan mij over als lieve leerling: om de Nymfen plezier te doen, zal ik u daarin onderricht geven.'
Dafnis kon zijn vreugde niet bedwingen, en daar hij maar een landelijke geitenhoeder was, jong en verliefd, viel hij Lykainion te voet en smeekte haar, dat zij hem op stel en sprong de wijze zou leren, waarop hij ChloŽ kon doen, wat hij wenste. En als ging hij worden ingelicht van een belangrijke zaak, hem door de goden zelven toebeschikt, beloofde hij haar, een geitje uit het geitenpark, en zachte kazen van de eerste melk, en de moedergeit zelve te zullen geven. Lykainion, die een nog groter herderlijke eenvoud bij hem aantrof, dan zij verwacht had, begon haar onderricht aan Dafnis aldus. Zij zeide hem, naast haar te komen zitten, zů als hij was, en haar kussen te geven, zovele en zoals hij gewoon was, en haar daarbij te omhelzen, en zich op de grond te leggen.. En zodra hij gezeten was, en haar kuste, en zich neder legde, bemerkte zij, dat hij klaar voor het werk was en driftig van levenssap; en uit zijn houding op zijde tilt zij hem op, strekt zich onder hem uit, en met vaardige hand wijst zij hem de weg, die hij tot dan gezocht had. Voor het overige ging hij niet anders te werk dan een ander: de natuur zelve toch leerde hem, wat hij verder nog te doen had.
Nadat de les in liefde was afgelopen, wilde Dafnis in zijn herderlijke eenvoud van begrip naar ChloŽ lopen, om haar dadelijk te doen, wat hem geleerd was, als vreesde hij, het bij langer uitstel weer te zullen vergeten. Maar Lykainion hield hem tegen en zeide hem : 'Dit ook moet ik je nog vertellen, Dafnis. Ik was al vrouw en heb nu dus niets te lijden gehad, want reeds lang geleden had een andere man mij dat een en ander geleerd, waarbij hij mijn maagdelijkheid als loon ontving. Maar als ChloŽ deze strijd met je gaat doorstrijden, zal zij weeklagen en wenen, en zeer bebloed zal zij liggen, alsof men haar vermoord had. Voor dat bloed echter moet je niet bang zijn, maar als je haar overreed hebt, zich aan je te geven, breng haar dan eerst naar deze plek, dat niemand haar geschrei horen of haar tranen zien mag, en dat zij, als zij bebloed is, zich in deze bron kan baden. En vergeet niet, dat ik het ben die, nog vůůr ChloŽ, je tot man heeft gemaakt.'
Toen zij hem dit had medegedeeld, begaf Lykainion zich naar een ander deel van het woud, alsof zij weer op zoek ging naar haar gans. Dafnis echter, die nog eens overdacht, wat hem gezegd was, liet zijn vroeger voornemen varen, want hij schrok ervoor terug, ChloŽ met meer lastig te vallen dan met kussen en omhelzingen. Hij wilde haar niet aan het schreeuwen brengen als tegen een vijand, noch haar doen wenen van pijn, noch haar doen bloeden, alsof zij vermoord lag. Want nog maar sinds kort op de hoogte zijnde, had hij een afschuw van bloed en zeide tot zichzelf, dat bloed alleen van een wond kan komen. Voornemens dus, slechts de genoegens, die zij reeds gewoon waren, met haar te smaken, trad hij het woud uit, en op de plaats gekomen, waar zij een kransje van viooltjes zat te vlechten, jokte hij, dat hij de gans aan de klauwen van de arend had ontrukt, nam haar in zijne armen en kuste haar, zoals hij het Lykainion bij hun aangenaam spel gedaan had. Want dat mocht, vond hij, daar het haar geen letsel deed. Zij paste hem de bloemkrans om de slapen en kuste hem de lokken, die zij nog geuriger dan de viooltjes vond. Toen haalde zij uit haar knapzak een vruchtenkoek te voorschijn, en gaf met een paar broodjes hem daar een stuk van te eten. En terwijl hij het opat, knabbelde zij het hem van tussen de tanden, als een jong vogeltje, dat nog uit de snavel gevoerd wordt.
Terwijl zij zich tegoed deden, meer nog aan kussen dan aan eetwaar, kwam een voorbijvarend vissersvaartuig in zicht. Wind nu was er niet; het was glad water, en er moest geroeid worden. De manschappen roeiden dan ook uit alle macht. Zij hadden haast, hun pas gevangen vis in verse toestand naar een rijkaard in de stad te brengen. Wat zeelieden gewoon zijn dan te doen, om hun vermoeidheid te vergeten, dat deden ook zij bij het ophalen der riemen. Een van hen namelijk, die de maat aangaf, zong zeemansliederen voor hen, en de anderen, als in koor, vielen eenstemmig op het juiste ogenblik luidkeels met hem in. Zolang zij dat in open zee deden, was het gezang onduidelijk, daar het geluid in de wijde lucht vervloeide. Maar als zij een kaap hadden gerond, en een baai, halvemaanvormig uitgehold, binnen voeren, was het beter te horen, en kon men aan de wal onderscheiden, welke liederen werden gezongen, om maat te houden. Want de heuvelkom, die met haar holte naar het strand lag gekeerd, en het geluid als een speeltuig in zich opnam, gaf een stem terug, die alles nabootste, wat gezegd was, het geluid van de riemen duidelijk afgescheiden van het gezang der zeelieden, zodat het een genoegen werd, ernaar te luisteren. Eerst toch kwam de stem uit zee, maar die van het land hield eerst zoveel later op, als zij later was aangevangen.
Dafnis nu, die wist, wat daarachter stak, lette alleen op wat uit zee kwam, en had plezier in het schip, dat vlugger dan een vogel het strand voorbijliep, en hij deed zijn best, iets van de zangwijzen te onthouden om ze later op zijn rietfluit na te spelen. Maar ChloŽ, die toen voor het eerst getroffen werd door wat men een echo noemt, keek dan eens naar zee, als de zeelieden invielen, en draaide zich dan weer om naar het land, om uit te vinden, wie daar terug zongen. En nadat zij waren voorbij gevaren, en ook de heuvelkom op haar beurt tot zwijgen kwam, vroeg zij Dafnis, of er ook achter het voorgebergte zee was en of daar een ander schip voorbij voer met andere zeelieden, die dezelfde liederen hadden gezongen, en of nu allen tegelijk zwegen. Dafnis lachte zachtjes, gaf haar een nog zachtere kus, en terwijl hij haar de krans van viooltjes opzette, begon hij haar de fabel te vertellen van Echoo, na als loon te hebben bedongen, dat zij hem nog tien kussen erbij zou geven.
'Van Nymfen, meisje, zijn er verschillende soorten: de Melia's, de Dryaden en de Moerasnymfen. Allen zijn zij schoon en allen zijn in de muziek ervaren. Een van haar kreeg een dochter, Echoo, sterfelijk, omdat zij uit een sterfelijke vader stamde, schoon, omdat haar moeder schoon was. Zij werd opgevoed door de Nymfen en leerde van de Muzen het bespelen van riet- en andere fluiten, van de lier en van de citer, benevens alle soorten van gezang, zodat zij, toen zij in haar volle jonkvrouwelijke bloei was, met de Nymfen samen danste en met de Muzen samen zong. Maar al wat man was ontliep zij, zowel mensen als goden, daar zij aan haar maagdelijkheid gehecht was. Paan wordt vertoornd op het meisje, doordat hij afgunstig was op haar zang en haar schoonheid niet kon bemachtigen, en hij verwekt een verdwazing bij alle herders en geitenhoeders. Dezen scheuren haar uiteen, alsof zij honden en wolven waren, en werpen delen van haar lichaam, die nog doorzongen, overal over de aarde weg. En om de Nymfen genoegen te doen, borg de Aarde al die delen in zich. De zang hield zij bewaard, en doordat de Muzen het zo willen, laat zij een stem horen die, als vroeger het jonge meisje, alles nabootst, goden, mensen, speeltuigen en dieren. Ook Paan zelf doet zij na, als hij op de rietfluit speelt. En als hij dat hoort, springt hij op en jaagt door de bergen, van geen andere wens bezield dan om te weten te komen, wie die leerlinge is, die zich verborgen houdt.'
Toen Dafnis klaar was met zijn verhaal, beloonde ChloŽ hem niet met slechts tien, maar met zeer veel meer kussen, want alles had Echoo herhaald, als om te getuigen, dat hij in niets onwaarheid had gesproken.
Daar de zon met de dag heter werd, het voorjaar zijn einde bereikte en de zomer aanving, vonden zij wederom nieuwe en zomerse genoegens. Dafnis ging zwemmen in de rivieren, ChloŽ ging zich baden in de bronnen; hij bespeelde de rietfluit, in wedstrijd met het geritsel der pijnbomen, zij stak met haar zang de nachtegalen naar de kroon; beiden joegen zij op babbelzieke sprinkhanen, vingen luid kriekende krekels, plukten bloemen voor een ruiker, schudden de bomen en aten het ooft. Herhaaldelijk ook legden zij zich te zamen naakt terneder en trokken een enkele geitehuid over zich. Zeer gemakkelijk had ChloŽ daarbij vrouw kunnen worden, als Dafnis niet voor het bloed was teruggeschrikt. Maar niettemin vrezend, dat hij vroeg of laat in overwogenheid zou tekort schieten, stond hij niet toe, dat ChloŽ zich al te vaak ontkleedde. Zij verbaasde zich daarover, maar schaamte verhinderde haar naar de reden te vragen.
In die zomer ook draaiden heel wat vrijers om ChloŽ heen, en van her en der kwamen velen vaak tot Dryas, om haar ten huwelijk te vragen. Sommigen brachten enig geschenk mede, anderen beloofden gouden bergen, als hun aanzoek werd ingewilligd. Nape dan ook, in hooggestemde verwachting, ried aan, ChloŽ ten huwelijk te geven, en niet langer een meisje van haar leeftijd bij zich te houden, die binnenkort wellicht al weidende haar maagdelijkheid verliezen zou, en voor enkele appelen en rozen de een of andere herder tot man zou nemen, maar haar liever tot bazin van een huis te doen worden, en al die geschenken te behouden voor zich en voor hun eigen zoon, want nog maar kort tevoren was hun een zoon geboren. Dryas nu liet zich somtijds verlokken door deze betogen - de geschenken toch, door ieder der mededingers opgenoemd, waren veel meer, dan voor een meisje, dat de kudde hoedde, gebruikelijk was - maar dan weer bedacht hij, dat zij te goed was voor een boerse vrijer, en dat, als zij ooit haar werkelijke ouders terugvond, zij hem en zijn gezin in zeer goede doen zou brengen. Hij hield dus zijn antwoord in bedenking, verviel van het ene uitstel in het andere, en werd inmiddels niet weinig geschenken rijker. Toen ChloŽ van een en ander hoorde, gevoelde zij zich ellendig en hield het lange tijd voor Dafnis verborgen, daar zij hem geen verdriet wilde doen. Maar toen hij aanhield en haar met zijn vragen vervolgde, zodat hij meer leed door niet te weten, dan hij zou doen, als hij was ingelicht, vertelde zij hem alles, hoevele en hoe rijke lieden dongen naar haar hand, de gezegden van Nape, om tot een huwelijk te drijven, en hoe Dryas dat niet had afgeslagen, maar tot de wijnoogst zijn beslissing had uitgesteld.
Dit horend geraakte Dafnis buiten zichzelf, zette zich wenend neder en zeide, het te zullen besterven, als ChloŽ niet meer de schapen weidde. En niet alleen hijzelf, maar ook de schapen, na zulk een herderin te hebben gehad. Vervolgens, zich herstellend, vatte hij weer moed, en nam zich voor, zijn vader te overreden. Hij rekende zich tot hen, die naar ChloŽ's hand dongen, en hoopte, de anderen verre de baas te zullen zijn. Slechts ťťn ding verontrustte hem: Lamoon was niet rijk. Dat maakte, dat hij maar zwakke hoop kon voeden. Toch nam hij zich voor, zijn aanzoek te doen, en ChloŽ viel hem daarin bij. Met Lamoon zelf echter waagde hij het niet, daarover te spreken, maar hij vond de moed, Myrtale zowel op de hoogte te stellen van zijn liefde als het huwelijk tegenover haar te berde te brengen, en zij deelde dat des nachts aan Lamoon mede. Deze nam het verzoek zeer slecht op, en verweet haar heftig, dat zij bemiddelaarster wilde zijn, om een herdersdochtertje tot vrouw te geven aan een jongen, voor wie blijkens de gevonden kentekenen een grote toekomst was weggelegd, en die hen, als hij de zijnen zou hebben teruggevonden, niet alleen vrij zou maken, maar ook meester over een groter land, dan zij nu bezaten. Myrtale, die vreesde dat Dafnis, verliefd als hij was, tot noodlottige besluiten zou komen, als hij alle hoop op een huwelijk zag afgesneden, gaf hem andere redenen op, waarom Lamoon zich tegen het verzoek had verzet. 'Wij zijn arm, beste jongen, en zouden een schoondochter wensen, die wat meer meebrengt. Die lieden zijn rijk, en hebben op rijke bruidegoms hun zinnen gezet. Tracht dus ChloŽ te overreden, dat zij op haar beurt haar vader ertoe brengt, niet veel van ons te vragen en haar u ten huwelijk te schenken. Want ongetwijfeld heeft ook zij u lief, en wil liever van een knappe armoedzaaier dan van een rijke apekop de sponde delen.'
Myrtale, die geen ogenblik de hoop had gevoed, dat Dryas daarvoor zou te vinden zijn, zolang hij zulke schatrijke vrijers voor het kiezen had, meende op handige wijze het huwelijk van de baan te hebben geschoven. Dafnis had niets in te brengen tegen wat zij hem gezegd had. Zo ver van de vervulling zijner wensen in de steek gelaten, deed hij, wat arme verliefden plegen te doen: hij weende, en riep opnieuw de Nymfen te hulp. Dezen verschijnen hem bij nacht in zijn slaap onder dezelfde gedaante als vroeger. En wederom was het de oudste, die aldus tot hem sprak: 'Het huwelijk van ChloŽ is een zaak, die ene andere godheid aangaat, maar wij zullen u begiftigen met geschenken, die Dryas zullen verlokken. Het schip der jongelieden uit Methymne, waarvan uw geiten destijds de tenen kabel hebben opgevreten, is namelijk die dag door de wind ver uit de wal gevoerd, maar des nachts, toen door de zeebries het water bewogen was geworden, is het door de golven tegen de kust en op de rotsen van het voorgebergte geworpen. Daar is het vergaan met veel van wat het bevatte, maar een beurs met drieduizend drachmen is door de branding uitgebraakt, en ligt nu, onder wier bedekt dicht bij het kreng van een dolfijn, waardoor geen enkel voorbijganger haar ook maar genaderd is, daar zij zo vlug mogelijk de kwalijke rottingslucht voorbijliepen. Maar gaat gij nu daarheen, raap de beurs op, en geef haar daarna ten geschenke. Op het ogenblik is het voor u voldoende althans niet arm te schijnen. In later tijd zult ge zelfs rijk worden.'
Na dit gezegd te hebben, trokken de Nymfen af te zamen met de nacht, en daar de dag aanbrak, sprong Dafnis op, verheugd van hart, en dreef lustig fluitend zijn geiten naar de weide. Nadat hij ChloŽ had gekust en zich voor de Nymfen had nedergeworpen, daalde hij af naar de zee, als wilde hij daar zich wassen. Over het zand liep hij dicht bij de waterlijn voort, op zoek naar de drieduizend drachmen. Veel moeite zou hem dat niet kosten, want de verre van welriekende dolfijn, die daar in staat van ontbinding lag neergekwakt, kreeg hij al spoedig in de neus. Met de verrottingslucht tot gids naderde hij met vlugge stap, en na het wier te hebben verwijderd, vond hij de beurs vol geld. Hij nam haar op, stak haar in zijn knapzak, en ging niet heen alvorens de Nymfen en ook de zee zelve te hebben dank gezegd, want hoewel hij geitenhoeder was, vond hij nu toch de zee meer naar zijn smaak dan het land, daar zij hem met ChloŽ in de echt ging verenigen.
In het bezit gekomen der drieduizend drachmen talmde hij niet langer, maar zich de rijkste man achtend niet alleen van de landbouwers daar uit de buurt, maar van alle mensen ter wereld, spoedt hij zich naar ChloŽ, vertelt haar zijn droom, laat haar de beurs zien, zegt haar, op de geiten te passen, totdat hij zou zijn teruggekomen, en rent uit alle macht naar Dryas. Hij treft hem aan, met Nape bezig, graan te dorsen, en valt maar dadelijk met de deur in huis over het huwelijk. 'Geef mij ChloŽ tot vrouw. Ik ken ten volle mijn werk bij de oogst, het snoeien van de wingerd en het aanplanten. Ik weet, hoe men het land bebouwt en hoe men want in de wind. Hoe ik mijn kudde hoed,kan ChloŽ getuigen. Van vijftig geiten, die men mij had toevertrouwd, heb ik het dubbele gemaakt. Bokken ook heb ik gefokt, die groot en fraai zijn geworden, terwijl wij vroeger onze geiten door andermans bokken lieten dekken. Daarenboven ben ik jong, en voor u een onberispelijk buurman. Door een geit ben ik gezoogd, evenals ChloŽ door een schaap. Met al deze voordelen boven alle anderen, zal ik ook in geschenken niet hun mindere zijn. Zij zullen u geiten en schapen geven en een span schurftige runderen, en tarwe, waarmede men zelfs geen kippen kan voeren. Van mij echter zijn deze drieduizend drachmen voor u. Maar alleen, laat niemand dit weten, zelfs niet Lamoon, mijn vader.' Dat zeggende gaf hij het geld, omhelsde hen en kuste hen.
Toen zij buiten alle verwachting een zo grote geldsom vůůr zich zagen, zeiden zij hem toe, hem ChloŽ tot vrouw te zullen schenken, en beloofden zij, Lamoon te zullen bewegen, daarin toe te stemmen. Nape, die met Dafnis daar bleef, dreef de runderen rond en bewerkte het koren met de drietand. Dryas, die de beurs bij de herkenningstekenen had opgeborgen, spoedde zich naar Lamoon en Myrtale, om hun, wat wel het nieuwste was, een jonkman ten huwelijk te vragen. Ook hen trof hij aan, bezig met het afmeten van gerst, dat zo juist was gewand, en in slechte luim, omdat het haast nog minder was, dan zij hadden uitgezaaid. Dryas troostte hen daarover, zeggende, dat dit, waar hij kwam, de algemene klacht was. Daarop vroeg hij hun Dafnis voor ChloŽ ten huwelijk, en zeide dat hij, hoewel anderen hem veel kwamen aanbieden, niets van hen zou aannemen, eerder nog hun iets van wat hij zelf bezat op de koop toe zou geven. Hun kinderen, zeide hij, waren immers samen opgevoed, en waren, terwijl zij hun kudden weidden, door een vriendschap verbonden, waaruit het niet gemakkelijk zou vallen, hen los te maken. En nu hadden zij de leeftijd bereikt, om met elkander een sponde te delen.
Dat alles en nog meer zeide Dryas als man, die een prijs van drieduizend drachmen kan winnen, als hij met zijn woorden te overreden weet. Lamoon daarentegen kon zijn armoede niet meer als voorwendsel gebruiken, want de anderen gaven geen blijk, die te minachten, en evenmin de leeftijd van Dafnis, die nu reeds jongeling was; met de waarheid echter, dat hij hem te goed achtte voor zulk een huwelijk, kwam hij ook niet openlijk voor den dag, maar na een poosje te hebben gezwegen, antwoordde hij aldus:
'Ge handelt rechtschapen, dat gij uw buren hoger schat dan vreemden, en dat ge rijkdom niet stelt boven eerlijke armoede; Paan en de Nymfen mogen u daarvoor genegen zijn. Ook ik ben erop gesteld, dat dit huwelijk tot stand komt. Ik zou dan ook wel een dwaas zijn, indien ik, oud als ik ben en met behoefte aan een vaardiger hand voor het werk, het niet als een groot voordeel zou beschouwen, uw huis aan het mijne door vriendschap te binden. Daarenboven is ChloŽ waard, dat naar haar gedongen wordt: zij is een mooi huwbaar meisje en goed in alle opzichten. Maar daar ik slaaf ben, kan ik over niets van het mijne vrijelijk beschikken, maar mijn meester moet, na te zijn ingelicht, daartoe zijn toestemming verlenen. Laat ons het huwelijk dus tot het najaar uitstellen: lieden, uit de stad tot ons gekomen, zeggen, dat hij dan naar hier komt. Dan zullen Dafnis en ChloŽ man en vrouw worden, voorlopig mogen zij van elkander houden als broer en zuster. Dit alleen, Dryas, wil ik u zeggen: de jongen, die ge tot schoonzoon verlangt, is van hoger stand dan wij zijn.' Na dit gezegd te hebben, kuste hij Dryas, reikte hem te drinken, want het was al volop middag, en deed hem een eindweegs uitgeleide, waarbij hij hem met alle vriendschap bejegende.
Dryas, die het laatste, wat Lamoon gezegd had, zich in het oor had geknoopt, overdacht bij het verder alleen naar huis gaan, wie Dafnis wel zijn mocht. 'Hij is gezoogd door een geit, alsof goden over hem waakten. Hij is schoon en gelijkt in niets op die platneuzige grijsaard en dat dunharige wijf. En hij had te beschikken over drieduizend drachmen, wat meer is, dan men wilde peren bij een geitenhoeder zou verwachten. Zou hij ook door iemand zijn te vondeling gelegd, evenals ChloŽ? En zou Lamoon ook hem gevonden hebben, zoals ik haar? En zouden er ook kentekenen bij hem gelegen hebben, van de soort als ik heb gevonden? Als dat alles zo is, o gij heer Paan en gij goede Nymfen, dan zal die jongen misschien, als hij zijn verwanten heeft gevonden, ook iets uitvinden van het geheim betreffende ChloŽ.' Zo overdacht hij bij zichzelf en liep hij te dromen, tot hij bij zijn dorsvloer kwam, waar hij Dafnis aantrof, hooggespannen op wat hij te horen zou krijgen. Hij bemoedigde hem door hem schoonzoon te noemen, beloofde hem, dat in het najaar de bruiloft zou worden gevierd, en gaf er zijn hand op, dat ChloŽ aan niemand zou toebehoren dan aan Dafnis.
Vlugger dan de gedachte, zonder zich drank of spijs te hebben gegund, liep hij omlaag naar ChloŽ, die hij aantrof, bezig te melken en kaas te bereiden. Hij bracht haar het goede nieuws van het huwelijk, en in den vervolge, alsof zij reeds zijn vrouw was, kuste hij haar openlijk en nam deel aan haar arbeid. Hij molk, en ving de melk in de melkemmers op, hij pakte de kazen in de droogmatten, en plaatste zowel de lammeren als de jonge geiten onder de moederdieren. Was dat alles in orde, dan namen zij een bad, aten iets, dronken, en gingen erop uit, om rijp ooft te zoeken. Daarvan was overvloed, daar het jaargetijde van alles opleverde: volop peren, in het wild en uit de boomgaard, en volop appels, reeds afgevallen of nog op het hout. Die op de grond waren geuriger, die aan de takken fleuriger. De eerste waren zoetrokig als wijn, de laatste glanzend als goud. Eťn appelboom was reeds leeggeplukt, en droeg vrucht noch blad meer: al zijn takken waren kaal. Maar een enkele appel hing nog aan het uiterste puntje van de hoogste tak te stoven, groot en fraai en met haar bloeiende blos alle andere in de schaduw stellend. De plukker had niet zo hoog durven klimmen en had verzuimd, hem af te schudden. Of misschien ook was dit prachtstuk voor een verliefde herder bewaard gebleven.
Zodra Dafnis die appel in het oog kreeg, maakte hij aanstalten, in de boom te klimmen om hem te plukken, zonder acht te slaan op ChloŽ, die het hem verhinderen wilde. Toen zij zag, dat haar waarschuwing in de wind werd geslagen, liep zij boos weg naar de kudden. Dafnis klom naar boven, slaagde erin, de appel te plukken, bracht hem aan ChloŽ ten geschenke, en zeide haar daarbij, hoewel zij nog boos was: 'Meisjelief, deze appel hebben de schone Godinnen der Getijden doen groeien, een fraaie boom heeft hem gevoed terwijl hij door de Zonnegod werd geraakt, en het Lot deed hem bewaard blijven. Daar ik ogen in mijn hoofd heb, was het mij niet mogelijk, hem te laten hangen tot hij op de grond zou vallen en hetzij worden vertrapt door een grazende kudde, hetzij worden vergiftigd door enig zich voortslepend kruipdier, hetzij daar omhoog worden verteerd door de tijd, bekeken en luide bewonderd. Eens ontving Afrodite die vrucht als prijs voor haar schoonheid, thans geef ik haar aan u als teken uwer zegepraal. Beiden hebt gij een gelijksoortig prijsrechter: Paris was koeherder en ik ben geitenhoeder.' Met die woorden legde hij ChloŽ de appel in de schoot, en toen hij nabij kwam, kuste zij hem, zodat Dafnis geen spijt had, dat hij tot zo grote hoogte was doorgeklommen, want hij kreeg een kus, die beter was dan een appel van goud.

[vorige boek] [volgende boek]

 

 

 

 

 

 

 

]