dafnis en chloŽ

tweede boek

 

Toen de herfst op zijn volst was en het tijd werd voor de wijnoogst, was ieder te velde in de weer. De een bracht de perstroggen in gereedheid, een ander reinigde de wijnkruiken, weer een ander vlocht korfjes. Deze zorgde voor de sikkeltjes, om de trossen af te snijden, die voor een steen, waarmede het wijnhoudende vlees der druiven kon worden uitgeperst, en die weer voor droge twijgen, door kloppen ontbolsterd, om bij het nachtelijk vervoer der most als lichtfakkels te dienen. Ook Dafnis en ChloŽ lieten hun kudden thuis, en leenden de anderen de helpende hand. Dafnis bracht de druiven in korven weg, en vertrad ze, na ze in de persen te hebben geworpen. Daarop droeg hij de wijn naar de kruiken. ChloŽ bereidde het eten voor hen, die aan het oogsten waren en schonk hun om te drinken wijn in van vorige jaren, terwijl zij ook van de lagere wijnstokken de oogst binnen haalde. In Lesbos namelijk blijft de wijnstok laag en klimt niet omhoog, ook niet langs een stam, maar hij laat zijn ranken afhangen en verbreidt ze over de grond als klimop. Een kind nog maar pas met zijn handjes uit de windselen vrij, zou de druiven kunnen bereiken.
En zoals natuurlijk was op het feest van Dionysos en bij de geboorte van de wijn, sloegen de vrouwen die uit de omliggende landerijen waren te hulp geroepen, de ogen op Dafnis en roemden hem, dat hij in schoonheid Dionysos gelijk was. En een der vrijmoedigste kuste zelfs Dafnis en wekte hem op, maar ChloŽ deed zij verdriet daarmede. En de mannen in de perstroggen maakten allerlei grapjes tegen ChloŽ en deden dwaze sprongen als Satyrs, die het voorzien hebben op een Bakchante, en zij zeiden, schapen te willen zijn, om door haar te worden geweid. En dan was het haar beurt, om plezier te hebben, en die van Dafnis, om verdrietig te zijn. Beiden dan ook wensten van harte, dat de wijnoogst spoedig mocht zijn afgelopen, om naar hunne eigen omgeving terug te keren, en in plaats van het verward geschreeuw de rietfluit weer te horen of het geblaat hunner kudden. En toen na verloop van slechts enkele dagen de wijnstokken waren leeggeplukt, de kruiken vol most stonden en er aan zoveel handen geen behoefte meer was, dreven zij hun kudde omlaag naar de vlakte en brachten verheugd van hart de Nymfen hun hulde, waarbij zij haar druiventrossen aanboden, die nog aan de ranken zaten, als eerstelingen van de oogst. Ook vroeger waren zij nimmer zo maar aan haar voorbijgegaan, maar altijd, alvorens te gaan weiden, hadden zij bij haar gezeten, en van het weiden terugkerend hadden zij haar gehuldigd, waarbij zij altijd iets medebrachten, hetzij een bloem of enig ooft of groen loof, of wel zij hadden melk geplengd. Later zouden zij daarvoor van de goden hun loon krijgen, maar toen waren zij, zoals men zegt, als honden, die van de band zijn losgelaten, zo sprongen zij rond, speelden op de fluit, zongen, en stoeiden met hun bokken en schapen.
Terwijl zij zich aldus vermaakten, komt er een grijsaard op hen toe in een vacht gekleed, met ongelooide schoenen geschoeid, de knapzak aan de schouder, en wel een zeer oude. Hij zette zich nabij hen neder, en sprak aldus :
'Kinderen, ik ben de oude Filetas ; deze Nymfen heb ik heel wat voorgezongen, en dat beeld van Paan daar heel wat voorgespeeld op de rietfluit, terwijl ik een talrijke runderkudde alleen met mijn zang bestierde. Ik ben naar u toegekomen, om u te openbaren wat ik gezien, en te vertellen, wat ik gehoord heb. Ik ben in het bezit van een tuin, die ik met eigen hand heb aangelegd. Sinds ik te oud ben om een kudde te drijven, heb ik al mijn zorgen aan die tuin besteed, en al, wat het jaargetijde oplevert, vind ik daar naar gelang van het seizoen : in de lente rozen, lelies, hyacinten, violen en violieren, in de zomer papavers, peren en overvloed van appels, en op het ogenblik druiven, vijgen, granaatappels en groene mirten. Des morgens vroeg komen zwermen vogels in die tuin bijeen, sommige, om er voedsel te zoeken, andere om er te zingen, want hij is door geboomte gedekt en overschaduwd, en door drie bronnen wordt die tuin besproeid. Nam men de omheining rondom weg, dan zou men menen, een natuurwoud te zien.
Toen ik heden omstreeks het midden van de dag daar aankwam, zag ik tussen de granaatappel- en mirtebomen een knaapje staan met mirtebessen en granaatappels in de hand, blank als melk en blond als vuur en glanzend, alsof hij zo juist uit het bad kwam. Hij was naakt en hij was alleen, en hij vermaakte zich met vruchten plukken alsof de tuin van hem was. Ik liep op hem toe, om hem te pakken, uit vrees, dat hij in zijn overmoed mijn mirten en granaten zou breken, maar hij ontliep mij met lichtheid en gemak, terwijl hij nu eens onder de rozestruiken door liep, dan weer zich onder de papavers verstak, of hij een jong patrijsje was. Van zijn leven heb ik vaak heel wat te stellen gehad met het achtervolgen van geitjes, die nog gezoogd werden, en vaak heb ik mij moeten inspannen, als ik pas geboren kalfjes achternaliep, maar dit was iets, wat onbegrijpelijk en niet te vangen was. Uitgeput dan ook, oud als ik ben, en op mijn staf gesteund, terwijl ik erop paste, dat hij niet ontsnapte, vroeg ik hem, bij wie der buren hij behoorde, en wat hij voorhad met het plukkenvan vruchten in andermans tuin. Hij gaf in het geheel geen antwoord, maar terwijl hij bij mij stond, lachte hij allerliefst en bekogelde mij met mirtebessen, en ik weet niet, hoe hij het klaar speelde, maar ik kon niet meer boos op hem zijn. Toen vroeg ik hem, in mijne armen te komen, zonder enige vrees te hebben, en ik zwoer hem bij de mirten, dat ik hem weer zou laten gaan, dat ik hem nog appels en granaten op de koop toe zou geven, en dat ik hem verder altijd zou toestaan, mijn vruchten te oogsten en mijn bloemen te plukken, als ik maar een enkele kus van hem mocht krijgen.
Toen lachte hij glashelder, en met een stem, zoals de zwaluw en ook de nachtegaal niet heeft, en zelfs niet de zwaan, al was hij zo oud als ik, sprak hij : 'Ik heb geen enkel bezwaar, Filetas, om u te kussen, want ik verlang meer naar kussen dan gij verlangt, om weer jong te zijn, maar denk eens, of mijn geschenk bij uw leeftijd zou passen. Want hoe oud ge ook zijn moogt, ge zult mij toch willen achtervolgen, eens door mij gekust. Maar ik ben moeilijk te vangen, zelfs voor de valk en de adelaar, of welke vogel ook, die nog sneller mocht zijn dan zij. Ik ben dan ook geen kind, al heb ik er het uiterlijk van, maar ik ben ouder dan Kronos, ja, dan de tijd zelf. Ik weet nog dat ge, nog pas maar een man, op dat gindse gebergte een uitgestrekte runderkudde liet weiden, en ik was in uw nabijheid, toen ge daar bij die beuken op de rietfluit stondt te blazen, ten tijde, dat ge verliefd waart op Amaryllis. Maar ge hebt mij niet gezien, hoewel ik vlak bij het meisje stond. Ik ben het, die u haar geschonken heeft, en nu hebt gij al kinderen, goede koeherders en landbouwers. Nu zijn het Dafnis en ChloŽ, waarover ik herder ben, en als ik hen des morgens heb samen gebracht, kom ik naar uw tuin, en vermei er mij in uw bloemen en uw planten, en in deze bronnen zelve neem ik een bad. Daardoor is het, dat die bloemen en die planten zo schoon zijn : mijn badwater besproeit ze. Ga nu maar kijken, of niet de een of ander uwer planten is vernield, of niet een of andere vrucht is geplukt of een bloemwortel vertrapt, of er geen bron van u wat vertroebeld is, en prijs u gelukkig, dat gij als enige onder de mensen nog in uw ouderdom dit kind hebt aanschouwd.'
Na dat gezegd te hebben, verhief hij zich als een jong nachtegaaltje op de mirten, en van de ene tak op de andere kroop hij door het gebladerte tot aan de top. Ik zag, dat hij vleugels had aan de schouders en een boogje met pijltjes tussen de vleugels, en toen zag ik niets meer, noch zijn wapentuig noch hemzelf. Als het niet voor niets is, dat ik deze witte haren heb gekregen, en als niet in mijn ouderdom mijn verstand is vervaagd, dan zijt ge, beste kinderen, aan Eroos gewijd en onder Eroos' hoede.'
Dafnis en ChloŽ waren ten zeerste bekoord, en meenden, niet een waar verhaal maar een fabel te hebben aangehoord, en zij vroegen, wat Eroos dan wel zijn mag, een knaap of een vogel, en welke zijn macht is. Daarop hernam Filetas : 'Eroos is een god, beste kinderen, jong en schoon en gevleugeld. Daardoor houdt hij van wat jong is, achtervolgt hij wat schoon is, en verleent vleugels aan de ziel. Wat hij vermag, vermag zelfs Zeus niet. Hij is heerser over de elementen, heerser over de sterren, heerser over de goden, zijn gelijken, meer nog, dan gij over uw geiten en schapen heerst. Alle bloemen zijn het werk van Eroos ; deze gewassen heeft hij doen groeien ; door hem ook stromen de rivieren en waaien de winden. Ik heb gezien, hoe zelfs de stier van liefde bevangen wordt, en hoe hij dan loeit als door een horzel gestoken, hoe de bok de geit een kus geeft en haar volgt, waar zij gaat. Zelf ook ben ik jong geweest en werd ik op Amaryllis verliefd : toen dacht ik niet meer aan eten, nam geen drinken meer tot mij en zocht geen rust meer in de slaap. Ik leed in de ziel, het hart bonsde mij in de borst en mijn lichaam werd koud. Ik schreeuwde het uit, alsof ik werd geslagen, was zwijgzaam alsof ik een lijk was geworden, en stortte mij in de rivieralsof ik in brand stond. Paan riep ik aan om hulp, daar hijzelf verliefd was op Pitys, ik was er Echoo dankbaar voor, dat zij mij Amaryllis' naam achterna riep, en ik brak mijn rietfluiten stuk, omdat zij wel mijn koeien wisten mede te lokken, maar Amaryllis niet tot mij brachten. Want tegen Eroos is er geen enkel middel, niet dat men kan drinken of dat men kan eten, niet dat men in zangen uitzingen kan, geen ander is er, dan de kus en de omarming, en te zamen zich neder te leggen, naakt van lichaam.'
Nadat Filetas hen van dat alles had onderricht, vertrok hij met een paar kazen, die zij hem gaven en een geitje, dat al horens had. Maar toen zij alleen waren achter gebleven, gevoelden zij, nu zij voor het eerst Eroos' naam hadden vernomen, zich het hart ineenkrimpen van smart, en toen zij met de nacht in hun hoeven waren teruggekeerd, vergeleken zij hun eigen ervaringen met wat zij hadden gehoord. 'Wie liefhebben lijden, en zo doen wij ; zij geven niet om eten, wij ook niet ; zij kunnen niet slapen, dat overkomt ons ook tegenwoordig; zij hebben het gevoel, in brand te staan, en ook in ons gloeit het vuur; zij hebben het verlangen, elkander te zien, en om datzelfde wensen wij, dat de dag sneller zal aanbreken. Iets dergelijks is de liefde : wij hebben elkander lief, zonder dat wij het weten. Als dit niet liefde is en ik niet lief heb, waarom lijden wij dan dit leed, waarom zoeken wij dan elkander ? Het is waar, dit alles, wat Filetas ons gezegd heeft. Dat jongetje uit zijn tuin is ook onze pleegvaders in die droom verschenen, waarin hij hun gelastte, dat wij de kudden zouden hoeden. Hoe zou men hem kunnen grijpen ? Hij is klein en moet wel ontsnappen. En hoe zou men hem kunnen ontvluchten ? Hij heeft vleugels en zal ons inhalen. Bij de Nymfen moeten wij om hulp onze toevlucht zoeken. Maar Paan heeft ook Filetas niet geholpen, toen deze op Amaryllis verliefd was. Wij moeten dus de middelen beproeven, die hij ons genoemd heeft : de kus en de omarming en naakt ter aarde liggen. Het is wel koud, maar wij zullen het doorstaan evengoed als Filetas, die het vůůr ons deed.'
Dit dan was in de nacht de les, die zij leerden. En toen zij de volgende dag hun kudden naar de weide hadden gedreven, kusten zij elkander, toen zij elkaar zagen, en - wat zij nog niet eerder hadden gedaan, omvatten zij elkander, hun armen gekruist, maar het derde geneesmiddel, zich neder te leggen na zich ontkleed te hebben, schroomden zij toe te passen, want dat is meer, niet alleen dan wat jonge meisjes, maar ook dan wat jonge geitenhoeders aandurven. En zo bracht de nacht weer slapeloosheid door overdenking van wat zij hadden gedaan, en door spijt over wat zij hadden achterwege gelaten : 'Wij hebben elkander gekust, en het heeft niets geholpen ; wij hebben elkander omhelsd, en dat gaf ongeveer even weinig ; alleen het gezamenlijk zich nederleggen is dus het geneesmiddel der liefde. Ook daarvan moeten wij de proef nemen, want ongetwijfeld schuilt daarin een groter kracht dan in de kus.'
Na zulke overdenkingen kon het wel niet anders, of in verliefde droombeelden kusten en omhelsden zij elkander, en ook wat zij die dag hadden nagelaten, deden zij in de droom : in naaktheid lagen zij samen terneder. Meer nog van de liefdegod bezeten stonden zij de volgende morgen op en dreven hun kudden op het geluid van de herdersfluit omlaag, in haast, om elkander te kussen. En dadelijk bij het wederzien liepen zij elkander glimlachend tegemoet. En het kwam tot kussen en vervolgens tot omvatting met de armen, maar het derde geneesmiddel liet nog op zich wachten, daar Dafnis niet de durf had, ervan te spreken, en ChloŽ evenmin ermee wilde beginnen. Totdat zij door een toeval ertoe werden gebracht.
Nabij elkander op een eiketronk gezeten, en proevend van het zoet van de kus, deden zij zich onverzadelijk aan dat genot te goed. En ook bij de omstrengeling met hun armen drukten zich hun lippen opeen. Maar toen bij zo'n omhelzing Dafnis het meisje sterker dan anders tot zich trok, legde ChloŽ zich een weinig op de zijde. En ook hij legde zich neder, om de kus te vervolgen. Toen herkenden zij het beeld, dat zij in hun dromen hadden gezien, en lange tijd lagen zij samen terneder als aaneengebonden. Maar daar zij van het verdere niets wisten, en in de mening verkeerden, dat dit het uiterste was van het mingenot, scheidden zij na het grootste gedeelte van de dag nutteloos te hebben gesleten, en zij brachten hun kudden weg, van haat vervuld tegen de nacht. Maar toch zouden zij misschien ook wel iets van wat het ware is zijn gaan bedrijven, indien niet hun landelijke omgeving door de navolgende gebeurtenissen in zo hevige opschudding was geraakt.
Vermogende jongelieden uit Methymne wensten het oogstfeest in aangename ontspanning buiten hun stad te vieren. Zij lieten een scheepje te water, zetten hun slaven aan de riemen, en voeren langs het land van Mitylene, voorzover dat aan zee ligt. Want die kust is rijk aan veilige inhammen, rijkelijk met woningen gesierd, biedt overal gelegenheid tot baden, en bezit parken en wouden, sommige door de natuur gewrocht, andere door de mens aangelegd, alles zeer geschikt om er de jeugd uit te vieren. Terwijl zij daarlangs voeren en ankerden, deden zij volstrekt geen kwaad, maar vermaakten zich op allerlei wijzen. Dan eens trachtten zij met haken, die met dunne lijnen aan riethengels waren opgehangen, van in zee vooruitstekende klippen de vissen te vangen, die zich tussen de steenbrokken ophielden, dan weer met honden en netten de hazen te pakken, die de drukte in de wijngaarden waren ontvlucht. Ook wel hielden zij zich bezig met de vogeljacht en vingen zij met strikken wilde ganzen, eenden en duikers, zodat hun vermaak hen tevens aan een goede tafel hielp. Hadden zij nog iets verder nodig, dan kochten zij het van de lieden in het land, en telden er heel wat meer voor neer dan het waard was. Zij hadden slechts behoefte aan brood, wijn en onderdak, want daar het najaarsgetijde reeds had ingezet, achtten zij het niet veilig, de nacht op zee door te brengen. Zij haalden dan ook hun vaartuig op het strand uit vrees voor een stormachtige nacht.
Een der landlieden, die een touw nodig had om de steen op te trekken waarmede de druiventrosjes, na vertrapt te zijn, worden uitgeperst, begaf zich heimelijk naar het zeestrand, kwam bij het onbewaakte schip, maakte de tros los, die als landvast dienst deed, nam die mede naar huis, en gebruikte hem voor datgene, waarvoor hij hem nodig had. Des morgens stelden de jongelieden uit Methymne een onderzoek in naar hun tros, en daar niemand de diefstal bekende, voegden zij hun gastheren enkele verwijten toe en voeren weg. Na de kust dertig stadiŽn te hebben gevolgd, landden zij bij het landgoed waar Dafnis en ChloŽ woonden, want de vlakte leek hun daar geschikt te zijn voor de hazejacht. Maar zij hadden geen tros, om als landvast te dienen. Daarom draaiden zij lange groene stengels tot een kabel, en legden zij daarmede hun schip met de hoge achtersteven aan de wal vast. Vervolgens lieten zij hun honden los, om uit neuzen te gaan, en plaatsten hun jachtnetten op de doorgangen, die hun daartoe gunstig leken. Dadelijk liepen de honden luid blaffend uiteen en verspreidden schrik onder de geiten, zodat deze het heuvelterrein verlieten en wat meer naar zee trokken. Daar zij echter in het zand niets vonden te knabbelen, begonnen de stoutmoedigste onder hen, bij het schip gekomen, de groene stengels op te vreten, waarmede het vast lag.
Nu was er in de zee enige rolling opgewekt door de wind uit de bergen, en al spoedig werd het schip, na te zijn los gekomen, door de terugloop der golven meegevoerd en naar het ruime sop gedragen. Toen de Methymners bemerkten, wat er gaande was, liepen sommigen van hen de zee in, terwijl anderen de honden verzamelden. Allen uitten zij luide kreten, zodat de lieden in de nabijgelegen velden, die dat hoorden, kwamen toegelopen. Maar er was niets aan te doen, want daar de wind aanwakkerde, werd het schip door de trek van het water met onweerstaanbare snelheid meegenomen. De lieden van Methymne, die zich van tal van zaken beroofd zagen, zochten de herder van de geiten, en toen zij Dafnis hadden gevonden, sloegen zij hem, rukten hem de kleren af, en een van hen nam zijn hond de lijn af en hield Dafnis de handen op de rug als om hem te binden. Deze schreeuwde luid op onder de slagen, wendde zich smekend tot de landlieden, en riep in de eerste plaats Lamoon en Dryas te hulp. Dezen traden voor hem op als geharde grijsaards, die zij waren, met handen aan het lijf, die sterk waren door de veldarbeid, en zij verlangden, dat de schuld van wat er was geschied zou worden vastgesteld.
Daar ook de andere partij dat wilde, stellen zij de veehoeder Filetas aan, om uitspraak te doen. Hij toch was de oudste der aanwezigen, en onder de dorpelingen had hij de roep van bijzondere rechtvaardigheid. Eerst brachten de Methymners hun klacht duidelijk en bondig voor deze veehoeder, die zij tot rechter hadden.
'Wij zijn naar hier gekomen met de wil om te jagen. Het schip hebben wij achtergelaten, met een tros van groene twijgen aan de wal vast gelegd, en zelf gingen wij met behulp der honden achter het wild aan. Ondertussen zijn de geiten van deze knaap naar het zeestrand afgedwaald, hebben de tros van twijgen opgegeten en het schip los gemaakt. Ge kondt het zien, naar zee afgedreven, denkt eens aan, met hoevele goederen niet gevuld ? Hoeveel kleding is niet verloren gegaan, hoevele hondentuigen, hoeveel geld ! De bezitter daarvan zou al deze landen kunnen kopen ! Ter vergoeding daarvan vorderen wij, deze knaap mede te nemen, die een slecht geitenhoeder is, daar hij, als speelde hij de zeeman, zijn geiten aan het zeestrand weidt.' Deze klacht brachten de lieden van Methymne voor.
Dafnis was er nog slecht aan toe doordat hij geslagen was, maar toen hij zag, dat ChloŽ aanwezig was, gaf hij om niets meer, en sprak aldus : 'Ik weid mijn geiten, zoals het behoort. Nimmer heeft ook maar enig dorpeling zich beklaagd, dat een mijner geiten zijn tuin had afgegraasd of zijn uitlopende wingerd had vernield. Maar die lieden zijn ondeugdelijke jagers achter de hond en hun honden zijn slecht afgericht, daar zij, door overal rond te lopen en hard te blaffen mijn geiten uit de heuvels en de vlakten naar zee hebben gedreven, zoals wolven zouden doen. Maar, zeggen zij, de geiten hebben de stengels opgegeten : dat was, omdat zij in het zand geen gras of beziŽn of tijm vonden. Maar, gaan zij voort, het schip is door wind en zee verloren gegaan : dat heeft de bries, maar hebben niet de geiten bewerkt. Maar, zo besluiten zij, daar zaten kleren in en geld : maar wie, die bij zijn verstand is, zal geloven, dat een schip met zo kostbare lading voor een landvast van twijgen lag ?'
Daarop begon Dafnis te wenen en wist de landlieden tot grote deernis te bewegen, zodat Filetas, als rechter, bij Paan en bij de Nymfen verklaarde, dat Dafnis niets misdreven had, en zijn geiten evenmin, maar alleen de zee en de wind die, zeide hij, onder de rechtspraak stonden van anderen dan van hem. Met deze uitspraak overtuigde Filetas de Methymners niet, maar in hun woede gingen zij weder op Dafnis af om hem mede te nemen, en wilden opnieuw hem binden. Dan echter springen de dorpelingen buiten zich zelven als een zwerm spreeuwen of kraaien op hen toe, en hebben Dafnis, die medevocht, spoedig bevrijd, en spoedig met stokslagen de lieden van Methymne op de vlucht gedreven. En zij staakten de vervolging niet, voordat zij hen over de grenslijn naar andermans land hadden gejaagd. Terwijl nu die dorpelingen de Methymners achterna zaten, brengt ChloŽ in alle stilte Dafnis naar de Nymfen, wast hem het gelaat af, dat bebloed was door een neusverwonding ten gevolge van een der slagen, haalt uit haar knapzak een stuk gerezen brood en een snee kaas te voorschijn, en geeft hem die te eten. En, wat hem vooral weer op zijn verhaal zou brengen, met haar weke lippen gaf zij hem een honigzoete kus.
Zo grote rampspoed dan kwam Dafnis toen te boven. Maar daarmede was de zaak niet afgelopen, want toen de Methymners geheel uitgeput, als voetgangers in plaats van varensgasten, met wonden bedekt in plaats van weelderig uitgerust, hun land hadden bereikt, riepen zij een bijeenkomst hunner medeburgers te zamen, en na de olijftak der smekelingen voor het altaar te hebben nedergelegd, vroegen zijzelf als smekelingen om vergelding. Over wat er gebeurd was spraken zij geen enkel waar woord, om niet daarenboven nog zich belachelijk te maken, dat zij zovele en zulke erge dingen van herders hadden moeten verduren, maar zij klaagden de Mityleners aan, dat zij zich van het schip hadden meester gemaakt en hun bezittingen hadden geroofd, alsof men zich in geregelde oorlog bevond. Men geloofde hen wegens hun verwondingen, en van oordeel dat het billijk was, aan jongelingen uit de eerste geslachten van het land voldoening te verschaffen, besloot men bij stemming tot een krijg zonder oorlogsverklaring tegen de Mityleners. De aanvoerder werd bevolen, tien schepen te water te laten, om hun kuststreek te bestoken. Want daar de winter op komst was, was het niet veilig, een grotere vloot aan de zee toe te vertrouwen.
De bevelhebber koos reeds de volgende dag zee, en met soldaten, die zelf de riemen hanteerden, koerste hij naar de kuststreek der Mityleners, waar hij veel vee roofde, veel graan en veel wijn, daar de druivenoogst nog maar juist was afgelopen, benevens heel wat mensen van die daar bezig waren. Hij voer ook naar de landen, waar ChloŽ en waar Dafnis hun kudden hoedden, deed er een gewapende landing, en voerde als buit mede, wat hem voor de voet kwam. Dafnis nu was op dat ogenblik niet aan het weiden van zijn kudde, maar was het bos in geklommen, en was bezig, groen loof te snijden, om wintervoer te hebben voor de jonge geiten. Toen hij dan ook vanuit de hoogte de inval zag geschieden, verborg hij zich in de holle tronk van een dorre beuk. Maar ChloŽ, die bij de kudden was, zocht, toen zij achtervolgd werd, als smekeling haar toevlucht bij de Nymfen, en in naam dier godinnen vroeg zij, haar te sparen met het vee, dat zij weidde. Maar het mocht niet baten : de Methymners overlaadden de godebeelden met spotternijen, dreven ChloŽ's kudden weg en voerden haarzelve mede, waarbij zij haar sloegen met twijgen, zoals men een geit of een schaap doet.
Toen zij hun schepen met allerhande buit hadden vol geladen, besloten de Methymners, niet nog verder te varen, maar naar huis terug te keren, uit vrees zowel voor het slechte jaargetijde als voor de vijanden. Zij voeren dus weg, met alle macht zich op de riemen werpend, want er was geen wind. Nadat het weer rustig was geworden, kwam Dafnis naar de vlakte, waar zij hun kudden lieten weiden, en toen hij geen geiten zag, geen schapen aantrof en ChloŽ niet vond, maar in de wijde eenzaamheid de rietfluit, waarmede zij gewoon was, zich te vermaken, op de grond zag liggen neergeworpen, ving hij aan, luide te roepen en deerniswaardig te jammeren, en liep dan eens naar de beuk, waaronder zij gewoonlijk zaten, dan weer naar de zee, waar hij haar hoopte te ontdekken, dan weer naar de Nymfen, tot wie zij haar toevlucht genomen had, toen zij werd achtervolgd. Daar ook wierp hij zich ter aarde, en heftig verweet hij de Nymfen, dat zij hen hadden in de steek gelaten.
'Uit Uw tegenwoordigheid is ChloŽ geroofd, en Gij hebt het kunnen verdragen, dat aan te zien? Zij, die U kransen vlocht, die U de eerste melk plengde, en van wie deze rietfluit is, die hier als wijgeschenk hangt? Niet een mijner geiten heeft de wolf mij ontroofd, de vijanden echter heel mijn kudde en haar, die ze met mij weidde. De geiten zullen zij villen en de schapen zullen zij offeren en ChloŽ zal voortaan in een stad wonen. Hoe zullen mijn benen mij dragen, om tot mijn vader en mijn moeder te gaan zonder mijn geiten, zonder ChloŽ, om te zijn als een, die van zijn werk is weggelopen? Want geen beest heb ik meer, om te weiden. En gij, ChloŽ, ervaart ge hetzelfde als ik? Denkt ge nog aan deze vlakte en aan de Nymfen en aan mij? Of vindt ge troost bij de schapen en de geiten, die met u in krijgsgevangenschap zijn geraakt?'
Onder zulke klachten maakt na zoveel tranen en verdriet een diepe slaap zich van hem meester. En daar komen de drie Nymfen vůůr hem staan, schone, rijzige vrouwen, ten halve slechts gekleed en ongeschoeid, met haar lokken ontbonden en in alles aan haar beelden gelijk. Eerst schenen zij medelijden te hebben met Dafnis, en toen sprak de oudste van haar, om hem op te beuren : 'Doe ons geen verwijten, Dafnis; ChloŽ toch gaat ons nog meer dan u ter harte. Wij immers hebben deernis met haar gehad, toen zij nog maar een kindje was, en toen zij in deze grot was neergelegd, hebben wij haar doen voeden. Noch met deze vlakten, noch met de schapen van Dryas heeft zij iets gemeen. En ook nu hebben wij zorg gedragen voor wat haar mag overkomen : zij zal niet naar Methymne worden meegevoerd, om daar slavin te zijn, zij zal ook geen deel ener krijgsbuit uitmaken. Aan Paan, wiens beeld men daar onder die pijnboom heeft geplaatst, maar die gij beiden nimmer ook maar met een enkele bloem hebt vereerd, hebben wij verzocht, ChloŽ te hulp te komen. Want hij is meer dan wij met krijgszaken vertrouwd, en herhaaldelijk reeds heeft hij zijn landelijk leven opgegeven, om aan verschillende oorlogen deel te nemen. Hij zal er dan ook op uit gaan, en de Methymners zullen een kwaad vijand aan hem hebben. Wees dus niet bedrukt, maar sta op en laat u zien aan Lamoon en Myrtale, die zich eveneens wanhopig ter aarde hebben geworpen, in de mening, dat ook gij deel uitmaakt van de oorlogsroof. Wat ChloŽ betreft, die zal morgen tot u terugkeren met de geiten en met de schapen, en gezamenlijk weer zult ge ze weiden en gezamenlijk zult ge de rietfluit bespelen. Wat er verder met u geschiedt, dat gaat Eroos aan.'
Na dat droombeeld gezien en die woorden gehoord te hebben, sprong Dafnis op uit zijn slaap, en onder tranen, van vreugde en van droefheid tevens, boog hij zich neer voor de beelden der Nymfen en beloofde, haar de beste zijner geiten te zullen offeren wanneer ChloŽ zoude in veiligheid zijn. Daarop liep hij ook naar de pijnboom, waaronder het beeld van Paan stond opgesteld met zijn bokspoten en met horens op, in de ene hand een rietfluit en in de andere een springende bok vast houdend, en ook daarvoor boog hij zich neder en smeekte om ChloŽ's bevrijding en deed de gelofte, dan een bok te zullen offeren. Eerst tegen zonsondergang kwam er een einde aan zijn tranen en zijn smeekbeden, en het boomloof opnemend, dat hij had afgekapt, keerde hij naar Lamoons hoeve terug, waar hij allen van hun rouw bevrijdde en met vreugde vervulde. Hij nam ook wat voedsel en begaf zich ter ruste, niet zonder onder nieuwe tranen te smeken, dat hij de Nymfen opnieuw in de droom mocht zien, en dat de dag, waarop immers, naar zij hem beloofd hadden, ChloŽ tot hem zou terugkeren, snel mocht aanbreken. Van alle nachten scheen deze hem de langste te zijn ; en ziet hier, wat er zich in afspeelde.
Toen de aanvoerder der Methymners ongeveer tien stadiŽn was weggeroeid, wilde hij zijn soldaten, die door de landing waren afgemat, op hun verhaal laten komen. Hij kwam bij een voorgebergte, dat in zee uitstak met een omgebogen uiteinde, waarbinnen de zee een ankerplaats bood, rustiger dan een haven. Daar bracht hij zijn schepen ten anker, goed uit de wal, zodat van land uit niemand der boerenbevolking er enige schade aan kon toebrengen, en stond de Methymners toe, zich aan vreedzame genoegens over te geven. Dezen nu, die uit de oorlogsroof van alles overvloed hadden, begonnen te drinken en zich te vermaken, alsof zij een overwinningsfeest vierden. Kort nadat de schemering gevallen was, en terwijl het feestvermaak met de nacht ten einde liep, scheen het plotseling, alsof het land geheel in vuur en vlam stond, en een dof geplons van riemen werd gehoord, alsof een grote vloot op hen kwam aangevaren. De een riep te wapen, een ander ging de aanvoerder roepen, deze meende verwond te zijn en die weer lag neer in een houding, alsof hij een lijk was. Men zou gemeend hebben, een nachtgevecht bij te wonen, maar vijanden waren niet te bekennen.
Nadat de nacht hun dit alles gebracht had, brak de dag aan met nog groter verschrikkingen dan die van de nacht. De bokken en de geiten van Dafnis droegen tussen de horens klimoploof, dat met bestrossen bezet was, de rammen en de schapen van ChloŽ huilden met wolvengehuil. En ook zij zelve verscheen, met dennegroen bekranst. Eveneens in zee speelden zich verwonderlijke zaken af. De ankers toch, als men ze trachtte te lichten, bleven op de bodem liggen, als de riemen voor het roeien werden toe gelegd, braken zij af, en dolfijnen, die uit het water sprongen, maakten, door met hun staarten tegen de schepen te slaan, de nagels los. Van de steile rots op de landtong werd een geluid als van een rietfluit gehoord. Maar het was niet genoeglijk, als de rietfluit te zijn pleegt, maar schrikaanjagend voor wie het hoorde, als een krijgstrompet. In verwarring grepen de Methymners naar de wapenen, en hielden hen, die niet te zien waren, voor vijanden, zodat zij smeekten, of de nacht weer over hen mocht komen, waarin zij hoopten, dat een wapenstilstand zoude intreden. Voor ieder die behoorlijk zijn verstand gebruikte, was het niet moeilijk in te zien, dat die gezichts- en geluidsverschijnselen afkomstig waren van Paan, die om het een of ander vertoornd was op de schepelingen. Maar zij konden de reden niet gissen - immers, geen enkel heiligdom van Paan was geplunderd - totdat omstreeks de middag niet zonder goddelijk toedoen de aanvoerder in slaap viel, en Paan zelf hem verscheen, die aldus sprak :
'O gijlieden, ongodvrezendste en oneerbiedigste van alle mensen, hoe hebt gij met verdwaasde geest dit alles durven bedrijven? Van krijgsrumoer hebt gij het landschap vervuld, dat mij lief is; de kudden runderen, geiten en schapen, die onder mijn hoede stonden, hebt ge weggedreven; van de altaren hebt gij een jong meisje medegevoerd, over wie Eroos een sage wil doen ontstaan. En noch voor de Nymfen, die het aanzagen, hebt gij schroom gevoeld, noch voor mij, de god Paan. Ge zult dan ook Methymne niet terug zien, indien ge met zulk een buit wegvaren wilt, en evenmin zult gij aan deze rietfluit ontkomen, die u in verwarring brengt. Maar ik zal u tot aas voor de vissen doen strekken, door u in de zee onder te dompelen, indien ge niet ten spoedigste vooreerst ChloŽ aan de Nymfen teruggeeft en voorts haar kudden, geiten zowel als schapen. Sta dus op, en doe het meisje met al, wat ik heb opgenoemd, ontschepen, en ik zal tot gids dienen, aan haar op haar pad, aan u op uw zeereis.'
Geheel onthutst sprong Bryaxis - want zo heette de aanvoerder - op de benen, riep de scheepsbevelhebbers bij zich aan boord, en gelastte hun, ten spoedigste onder de krijgsgevangenen ChloŽ te doen opzoeken. En alras vond men haar, en bracht men haar voor de aanvoerder, want zij zat nog met dennegroen bekranst. Hierin zag Bryaxis een kenteken, in overeenstemming met het droombeeld, dat hem was verschenen, en met zijn eigen schip brengt hij haar naar de wal. Nauwelijks had zij zich ontscheept, of daar wordt wederom het geluid van de rietfluit van de rots gehoord, ditmaal echter niet vijandig en vreesaanjagend, maar op herderswijze en zoals het klinkt, om de kudden naar de weide te geleiden. En de schapen liepen over de loopplank naar buiten, waarbij zij zich op het hoorn hunner hoeven lieten afglijden, maar de geiten waren veel stoutmoediger, daar zij gewoon zijn, zich ook langs steile rotswanden te bewegen.
En deze alle schaarden zich rondom ChloŽ als in reidans onder gespring en geblaat en andere uitingen van vreugde. Maar de geiten, schapen en runderen der andere herders bleven op hun plaats in het ruim van het schip, alsof het geroep van de fluit hun niet aanging. En terwijl allen hierover van verbazing waren vervuld en de god Paan hulde brachten, zag men zowel ter zee als te land nog verwonderlijker dingen. Want nog eer de Methymners de ankers hadden gehieuwd, waren hun schepen reeds in de vaart, waarbij een dolfijn, die telkens uit het water sprong, het schip van de aanvoerder tot gids diende. De geiten en schapen werden door een alleraangenaamste fluitzang geleid, maar niemand zag de fluitspeler, door wiens spel schapen en geiten gezamenlijk voortgingen en zich lieten weiden, door de zangwijze bekoord.
Het was juist het tijdstip voor de namiddagweiding, en Dafnis, die van een verheven uitkijkpost de kudden met ChloŽ zag aankomen, riep luide uit : 'O Nymfen en Paan', liep omlaag naar de vlakte, en na ChloŽ te hebben in zijn armen gesloten, viel hij in onmacht neer. Met moeite weder tot leven gebracht onder ChloŽ's kussen en de gloed van haar omhelzing, begeeft hij zich naar de hun vertrouwde beuk, en na zich aan de voet van de stam te hebben neergezet, vroeg hij haar, hoe zij aan zovele vijanden had kunnen ontsnappen. Zij deed hem het gehele verhaal, van de klimop tussen de horens der geiten, van het gehuil der schapen, van het dennegroen, dat haar op het hoofd was ontloken, van de vuurgloed aan de wal, het geplons in zee, de beide zangen op de rietfluit, de vijandige en de vreedzame, de verschrikkingen van de nacht, en hoe haar, die de weg niet wist, de fluitmuziek op haar pad tot gids was geweest. Toen Dafnis hierin de droomgezegden der Nymfen en de werken van Paan had erkend, vertelde hij op zijn beurt al, wat hij gezien en gehoord had, en dat hij, op het punt, de geest te geven, door de Nymfen tot leven was gebracht. En hij zendt ChloŽ uit, om Dryas en Lamoon te halen, en al wat behoort bij een offerfeest. Hijzelf ging inmiddels zijn beste geit vangen, bekranste haar met klimop, zoals zijn kudde aan de vijanden was verschenen, plengde melk tussen de horens en offerde haar aan de Nymfen, waarop hij haar ophing, vilde en de vacht als wijgeschenk aanbood.
Toen ChloŽ met die zij had geroepen was teruggekeerd, ontstak hij vuur, en na een deel van het vlees te hebben gekookt, een ander deel te hebben geroosterd, bood hij de eerste stukken daarvan aan de Nymfen, en plengde haar daarenboven uit een mengvat vol zoete wijn. En na legersteden van gebladerte te hebben uitgespreid, verlustigde hij zich met hen in eet- en drinkgelag. Tevens echter hield hij de kudden in het oog, dat niet de wolf die overvallen mocht en vijandelijkheden bedrijven. En ter ere der Nymfen zongen zij verschillende gezangen, die door herders oudtijds waren samengesteld. Toen de avond viel, bleven zij daar ter plaatse in het veld overnachten, en de volgende dag brachten zij door met het gedenken van Paan. Van de bokken bekransten zij degene, die aanvoerder der kudde was, met dennegroen, en brachten hem bij de pijnboom, waar het Paan-beeld stond. Zij plengden er wijn, en na de lof van de god te hebben gezongen, offerden zij de bok, hingen hem op en vilden hem. Het vlees werd gedeeltelijk gekookt, gedeeltelijk geroosterd, en vervolgens werd het in de nabijheid op gebladerte in de weide gelegd. De huid werd met de horens zelf aan de pijnboom bevestigd nabij het godenbeeld als herderlijk wijgeschenk aan de herderlijke god. Ook werden van het vlees de eerste stukken hem aangeboden, en uit een groter mengvat werd van de inhoud geplengd. ChloŽ zong daarbij, terwijl Dafnis op de fluit speelde. Vervolgens legden zij zich neer voor de maaltijd, en daar zien zij Filetas de runderherder aankomen, die toevalligerwijze enkele bloemkransen aan het Paan-beeld kwam brengen en wat druiven, met blad en twijg er nog aan. Hij had zijn jongste zoon Tityros bij zich, een rossige en lichtogige knaap, blank van huid en fier van houding, en met veerkrachtige tred voorthuppelend als een jonge geit. Zij sprongen op en deden mede aan het bekransen van Paan en het ophangen der wingerdranken aan het loof van de pijnboom, en allen legden zich bij elkander neder en dronken gezamenlijk. En als lichtelijk beschonken grijsaards hadden zij elkaar van alles te vertellen : hoe zij hun kudden weidden, toen zij nog jong waren, en hoe zij aan talrijke strooptochten van rovers waren ontkomen. De een ging er prat op, dat hij een wolf had gedood, een ander, dat hij bij Paan alleen achterstond in het bespelen van de rietfluit. Dit laatste was, waarop Filetas zich beroemde.
Dafnis dan ook en ChloŽ deden alle moeite, hem ertoe te brengen, dat hij ook hun iets van zijn kunst mocht laten horen door fluit te spelen op dit feest voor de god, die in de rietfluit zoveel behagen schept. Filetas stemt toe, al beklaagt hij zich dan ook, dat de ouderdom hem de adem heeft benomen, en hij nam de rietfluit van Dafnis ter hand. Maar deze was te klein voor zijn machtige kunst, daar zij gemaakt was voor een kindermond, om erin te blazen. Hij zendt dus Tityros uit om zijn eigen rietfluit, hoewel zijn hoeve tien stadiŽn ver lag. Deze werpt zijn kleding af, en zet zich naakt aan het lopen als een hinde. En Lamoon kondigde aan, hun inmiddels de geschiedenis van de rietfluit te zullen vertellen, die een geitenhoeder uit SiciliŽ hem had voorgezongen, voor een bok en voor een fluit als loon.
'Dat speeltuig, de Syrinx, was eenmaal geen speeltuig, maar een mooi jong meisje, dat prachtig kon zingen. Zij hoedde haar geiten, speelde met de Nymfen samen, en zong, zoals zij nu nog zingt. Paan kwam in haar buurt terwijl zij weidde, speelde en zong, en trachtte haar te overreden, zich tot zijn verlangen te lenen. Hij beloofde haar, dat al haar geiten dan een tweeling zouden werpen. Maar zij lachte wat om zijn liefde en zeide, niet gediend te zijn van een minnaar, die volledig bok noch man was. Daarop begint Paan haar te vervolgen, om haar geweld te doen, maar Syrinx weet zowel hem als zijn geweldpleging te ontvluchten. Door die vlucht uitgeput verbergt zij zich tussen het riet, en verdwijnt voor immer in de richting van een moeras. In zijn woede snijdt Paan het oeverriet af, maar als hij het meisje niet kan vinden, begrijpt hij, wat haar is overkomen en hij bedenkt een instrument door rietstengels van ongelijke lengte met was aan elkander te verbinden, evenals ook zij beiden niet van gelijk verlangen waren geweest. En dat mooie jonge meisje van weleer is nu de zingende rietfluit.'
Juist had Lamoon de voordracht van zijn geschiedenis beŽindigd, en had Filetas hem de lof geschonken, dat zijn vertelling zoeter in het oor was gevallen dan een lied, of daar staat Tityros vůůr hen met de rietfluit van zijn vader in de hand, een groot instrument uit lange rietstengels bestaande en ter plaatse der was-verbindingen met brons versierd. Men zou gemeend hebben, de fluit vůůr zich te zien, die als eerste van alle door Paan was samengesteld. Filetas verhief zich, en na zich rechtop in een zetel te hebben gezet, beproefde hij eerst, of hij gemakkelijk op de rietstengels kon blazen. Vervolgens, nadat hij zich vergewist had, dat niets de ademtocht in zijn loop belemmerde, begon hij er krachtig en luid in te blazen. Men had kunnen denken, verschillende fluiten te horen, die gelijktijdig werden bespeeld, zo luide klonk het fluitgeluid. Langzamerhand matigde Filetas zijn kracht, en ging tot liefelijker wijzen over. En om de kunst der herdersmuziek in haar geheel te vertonen, floot hij, zoals men voor een runderkudde doen moet, zoals voor een geitenhoeder nuttig is, en zoals de schapen ervan houden. Voor de schapen klonk het liefelijk, voor de runderen krachtig, voor de geiten scherp : kortom, door een enkele fluit werden alle rietfluiten nagebootst.
Zwijgend en bekoord lagen de overigen uitgestrekt, tot Dryas opstond en zeide, een Dionysische wijze te zullen spelen, en hun een dans voordanste, als bij het wijnspelen behoort. Nu eens was het, alsof hij aan het druivenplukken was, dan weer, alsof hij de volle korven wegdroeg, daarop, alsof hij de druiven vertrapte, vervolgens, alsof hij de wijnkruiken vulde, en ten slotte, alsof hij van de most aan het drinken was. Dat alles legde Dryas zo duidelijk verbeeld in zijn dans, dat de toeschouwers meenden, de wingerd te zien, de wijnpers en de kruiken, en een Dryas, die werkelijk aan het drinken was.
Nadat deze derde van de grijsaards voor zijn dans aller lof had ingeoogst, kuste hij ChloŽ en Dafnis, die dadelijk opstonden en de vertelling van Lamoon in dans brachten. Dafnis stelde Paan voor en ChloŽ Syrinx. Hij trachtte haar met smeekbeden te overreden, maar zij, glimlachend, sloeg er geen acht op. Hij vervolgde haar, op de punt zijner tenen lopend om de gang op hoeven na te bootsen, en zij deed, alsof zij door de vlucht was uitgeput. Vervolgens gaat ChloŽ zich verbergen in het woud, als Syrinx in het moeras, maar Dafnis grijpt de grote rietfluit van Filetas en ontlokt er klagende tonen aan als van wie lief heeft, hartstochtelijke als van wie verleiden wil, en roepende als van wie zoekt, zodat Filetas opgetogen opspringt, hem een kus geeft en hem de fluit, nadat hij ook deze gekust heeft, ten geschenke biedt, daarbij de wens uitsprekend, dat hij haar een even waardig opvolger mag nalaten.
Zijn eigen kleine rietfluit biedt Dafnis aan Paan als wijgeschenk, en na ChloŽ, alsof hij haar van een werkelijke vlucht had weergevonden, te hebben gekust, bracht hij op het geluid van de fluit zijn kudde naar huis, want de nacht begon reeds te vallen. Ook ChloŽ voerde haar kudde huiswaarts, met de zijne op de zang van de fluit voortgeleid. De geiten liepen terzijde van de schapen en Dafnis liep dicht bij ChloŽ, zodat zij tot aan de nacht van elkander vervuld waren, en zij kwamen overeen, de volgende dag vroeger dan anders de kudden naar de vlakte te drijven, en dat deden zij ook. Nauwelijks toch was de dag aangebroken, of zij kwamen aan de weideplaats. Na eerst de Nymfen en vervolgens het Paan-beeld begroet te hebben, zetten zij zich aan de voet van de eik en begonnen vervolgens op de rietfluit te spelen. Daarop kusten en omhelsden zij elkander en legden zich neder. Meer deden zij niets, en stonden weer op. Zij aten ook wat, en dronken wat wijn, die zij met melk hadden gemengd.
En door dat een en ander vuriger en driester geworden, begonnen zij met elkander de twist der verliefden te twisten, en langzamerhand kwamen zij ertoe, elkander trouw te zweren. Dafnis, na zich tot de pijnboom te hebben begeven, zwoer bij Paan, dat hij nimmer, ook niet voor de tijd van ťťn dag, zonder ChloŽ's aanwezigheid zou leven. ChloŽ ging naar de grot, en zwoer Dafnis bij de Nymfen, met hem eenzelfde leven en eenzelfde dood te zullen welkom heten. Maar ChloŽ, daar zij een meisje was, ging zo ver in haar eenvoud, dat zij bij het verlaten van de grot van Dafnis nog een tweede eed vorderde, 'want', zeide zij hem, 'Paan is een in liefdezaken wispelturig en onbetrouwbaar god. Hij werd verliefd op Pitys, maar ook op Syrinx. Hij houdt niet op, de Dryaden lastig te vallen, en de Epimelische Nymfen laat hij niet met rust. Neemt ge niet in acht, wat ge bij hem gezworen hebt, dan zal hij er geen acht op slaan, u daarvoor te straffen, ook al liet gij u in met meer vrouwen, dan ge rietstengels hebt in uw herdersfluit. Zweer mij dus bij uw geitenkudde en bij de geit, die u heeft gevoed, dat ge ChloŽ niet verlaten zult, zolang zij u getrouw blijft. Maar is zij tegenover u en de Nymfen in het onrecht, dan moogt ge van haar weglopen en haar haten, en moogt ge haar doden, zoals gij een wolf zoudt doen.'
Dafnis had vermaak in haar wantrouwen jegens hem. Hij ging midden in zijn kudde staan, en met de ene hand een geit, met de andere een bok vasthoudend, zwoer hij ChloŽ te zullen lief hebben, zolang zij hem lief had, en dat, zo zij een ander boven hem, Dafnis, de voorkeur mocht geven, hij in plaats van haar zichzelf zou doden. ChloŽ was in haar schik en had vertrouwen in die eed, want daar zij een meisje was, die de kudden weidde, meende zij ook, dat geiten en schapen de bijzondere godheden zijn van schapen- en van geitenherders.