sallustius

De samenzwering van Catilina

Werkvertaling 50. 3 - 54

 

50. 3 Zodra de consul had vernomen, dat die dingen werden georganiseerd, stelde hij op verschillende plaatsen troepen op [ablabs], zoals de situatie van dat moment vereiste, riep de senaat bijeen [ablabs] en brengt ter sprake, wat men besluit dat moet gebeuren met hen, die in bewaking waren gegeven. Maar kort tevoren had een drukbezochte senaat geoordeeld, dat zij tegen de staat hadden gehandeld [= dat zij staatsvijanden waren]. 4 Toen had D. Iunius Silanus, als eerste om zijn mening gevraagd, omdat hij op dat moment aangewezen consul was, zich er voorstander van verklaard, dat aan hen, die in hechtenis [eig. mv.] werden gehouden, en bovendien aan L. Cassius, P. Furius, P. Umbrenus en Q. Annius, als zij zouden zijn gearresteerd, de doodstraf moest worden voltrokken; en hij zei later, van zijn stuk gebracht door de rede van C. Caesar, dat hij zich zou aansluiten bij de mening van Tiberius Nero, omdat hij als zijn mening had gegeven, dat over die zaak na het toevoegen van troepen in de senaat moest worden gesproken. 5 Maar Caesar, zodra bij hem gekomen was, om zijn mening gevraagd door de consul sprak woorden van deze aard:

51. 1 "Alle mensen, heren senatoren, die beraadslagen over twijfelachtige zaken, horen vrij te zijn van haat, vriendschap, woede en medelijden. 2 De geest ziet niet gemakkelijk de waarheid, wanneer die emoties in de weg staan, en niemand van allen laat zich tegelijk leiden door zijn lust en het nut. 3 Wanneer je je verstand inspant, is het krachtig; als de lust het bezit, overheerst die, (en) de geest is (dan) niet krachtig. 4 Ik heb overvloedig materiaal om te vermelden, heren senatoren, wat koningen en volkeren, door woede of medelijden gedreven, verkeerd hebben beraadslaagd. Maar ik wil liever die dingen noemen, die onze voorouders tegen de lust van hun geest in correct en behoorlijk hebben gedaan. 5 In de Macedonische oorlog, die wij met koning Perse(u)s hebben gevoerd, was de grote en schitterende staat van de RhodiŰrs, die door de positieve invloed van het Romeinse volk was gegroeid, trouweloos en tegen ons. Maar toen, na het voltooien van de oorlog [ablabs], over de RhodiŰrs is beraadslaagd, lieten onze voorouders, om te voorkomen dat iemand kon zeggen, dat de oorlog meer om rijkdom dan om onrecht was begonnen, hen ongestraft gaan. 6 En ook in alle Punische oorlogen hebben zij, hoewel de Carthagers vaak zowel in vredestijd als gedurende een wapenstilstand vele schandelijke misdaden hadden gedaan, nooit zelf als zij de kans hadden dergelijke dingen gedaan: zij zochten meer wat hen zelf waardig was dan wat tegen hen [de C.] met recht kon worden gedaan. 7 Jullie moeten eveneens van te voren dit zien, heren senatoren, dat niet de misdaad van P. Lentulus en de overigen meer waard is bij jullie dan jullie eigen waardigheid, en dat jullie niet meer denken om jullie woede dan om jullie reputatie. 8 Want als een waardige straf voor hun daden wordt gevonden, keur ik een onwettig plan / advies goed; maar als de grootte van de misdaad aller verstand te boven gaat, ben ik van mening, dat deze maatregelen gebruikt moeten worden, die in de wetten zijn geregeld. 9 De meesten van hen, die voor mij hun mening(en) hebben gezegd, hebben zorgvuldig en prachtig gejammerd over de val van de republiek. Zij hebben opgesomd, welke woestheid van de oorlog er was, wat de overwonnenen overkwam: dat meisjes werden verkracht, jongens; dat kinderen uit de omhelzing van hun ouders werden losgerukt; dat moeders van gezinnen ondergingen, wat de winnaars beliefde; dat heiligdommen en huizen werden beroofd; dat moord en branden gebeurden; dat tenslotte alles vervuld werd van wapens, lijken, bloed en gejammer. 10 Maar, bij de onsterfelijke goden, wat was de bedoeling van die rede? Soms dat die jullie vijandig jegens de samenzwering maakte? Zeker, wie een zo grote en zo afgrijselijke zaak niet heeft geraakt, die zal een rede in vlam zetten. [ironisch] 11 Zo is het niet, en voor niemand van de mensen lijken hun eigen onrechten klein, velen nemen die (onrechten) zelfs zwaarder op dan billijk is. 12 Maar de vrijheid [van handelen] is niet voor iedereen hetzelfde, heren senatoren. Zij die nederig in het duister een leven hebben, als zij iets uit woede hebben misdaan, weten slechts weinigen het, de roem en het lot van hen zijn gelijk; zij die met grote macht bekleed in het verhevene hun leven leiden, h˙n daden kennen alle mensen. 13 Zo is bij het grootste lot / de hoogste positie de geringste vrijheid; het past niet vooringenomen te zijn en niet te haten, maar het minst boos te worden; 14 wat bij anderen woede wordt genoemd, dat wordt bij macht trots en wreedheid genoemd. 15 Persoonlijk denk ik als volgt, heren senatoren, dat alle folteringen minder erg zijn dan hun misdaden. Maar de meeste mensen herinneren zich de meest recente dingen en bij goddeloze mensen vergeten zij hun misdaad en discussiŰren over de straf, als die een beetje te streng was. 16 Ik weet zeker, dat D. Silanus, een dapper en flink man, wat hij heeft gezegd gezegd heeft uit ijver voor de republiek, en dat hem in zo'n belangrijke zaak geen voorkeur of vijandschappen be´nvloeden: dat karakter en die gematigdheid van de man ken ik. 17 Maar zijn mening lijkt mij niet wreed - want wat kan er tegen zulke mensen gedaan worden, dat wreed is? - maar in strijd met het belang van onze staat. 18 Want werkelijk, ˛f vrees ˛f het onrecht heeft jou er toe gebracht, Silanus, als aangewezen consul tot een nieuwe soort straf te beslissen. 19 Het is overbodig over vrees te praten, nu vooral door de ijver van de schitterende man, de consul, zo grote troepen onder de wapenen zijn. 20 Over de straf kan ik persoonlijk zeggen, wat hier ter zake is, dat in verdriet en ellende de dood een rust van ellende is, geen foltering; de dood maakt een einde aan alle narigheden van de mensen; aan gene zijde is plaats voor zorg noch vreugde. 21 Maar, bij de onsterfelijke goden, waarom heb je aan je mening niet toegevoegd, dat eerst met zweepslagen tegen hen moest worden opgetreden? Soms omdat de wet van Porcius dat verbiedt? 22 Maar andere wetten bevelen, dat ook aan veroordeelde burgers niet het leven wordt ontrukt, maar dat ballingschap wordt toegestaan. 23 Of omdat het erger is gegeseld te worden dan te worden gedood? Maar wat is wreed of te zwaar tegen mensen, die voor zo'n grote misdaad zijn veroordeeld? 24 Maar als (je er niet om vroeg hen te geselen) omdat het te licht is, waar slaat het dan op in een minder belangrijke zaak de wet te vrezen, wanneer je die in een belangrijker zaak negeert? 25 "Maar," zal men zeggen, "wie zal afkeuren wat tegen moordenaars van de staat zal zijn besloten?" De tijd, de dag, het toeval, waarvan de willekeur de volkeren bestuurt. 26 Hen zal terecht overkomen wat er ook uit zal komen; maar jullie, heren senatoren, moeten overwegen, wat jullie tegen anderen besluiten. 27 Alle slechte precedenten zijn ontstaan uit goede dingen. Maar wanneer de macht komt bij mensen, die daar niets van weten of die minder goed zijn, gaat dat nieuwe precedent over van waardige en capabele mensen naar onwaardige en niet capabele. 28 Toen de Atheners waren verslagen, stelden de Spartanen dertig mannen over hen aan, die hun staat moesten regelen. 29 Zij begonnen eerst de slechtsten en door allen gehaten zonder proces te doden: het volk was daar blij over en zei, dat het terecht gebeurde. 30 Toen later langzamerhand de willekeur groeide, doodden zij eveneens goeden en slechten naar hartelust, en maakten de overigen bang door vrees / terreur: 31 zo werd de samenleving, onderdrukt door slavernij, zwaar gestraft voor domme blijdschap. 32 In onze tijd, toen Sulla als winnaar Damasippus en anderen van dien aard, die tot een ramp voor de staat [malo = dativus] / door de ellende van de staat [malo = ablativus] gegroeid waren, had laten vermoorden, wie prees zijn daad niet? Men zei, dat misdadigers en intriganten, die door rellen de staat in rep en roer hadden gebracht, verdiend waren gedood. Maar die zaak was het begin van een grote ramp. 33 Want wanneer iemand zin had gekregen in een huis of villa, tenslotte een stuk huisraad of een kledingstuk van iemand (anders), gaf hij zich moeite, opdat die in het getal der vogelvrijverklaarden was. 34 Zo werden zij, voor wie de dood van Damasippus reden tot vreugde was geweest, even later zelf afgevoerd, en niet eerder kwam een eind aan het moorden, dan dat Sulla al zijn mensen met rijkdom had gevuld. 35 En deze dingen vrees ik niet bij Marcus Tullius en niet in deze tijden, maar in een grote staat zijn er vele en verschillende karakters. 36 Er kan op een ander tijdstip, onder een andere consul, die ook het leger in zijn macht heeft, iets onwaars voor waar worden gehouden. Wanneer door dit precedent door middel van een senaatsbesluit de consul het zwaard heeft getrokken, wie zal dan voor hem een grens stellen of wie zal hem matigen? 37 Onze voorouders, heren senatoren, hebben nooit gebrek gehad aan beleid en durf; en ook trots verhinderde hen niet om andermans instellingen na te bootsen, als zij maar goed waren. 38 Wapens en krijgsprojectielen namen zij over van de Samnieten, onderscheidingstekens van hoge ambten veelal van de Etrusken. Tenslotte / kortom, wat overal bij bondgenoten of vijanden geschikt leek, probeerden zij met de hoogste ijver ook thuis te bereiken: zij wilden liever goede mensen / goede dingen nabootsen dan er jaloers op zijn. 39 Maar in die zelfde tijd bootsten zij de zede van Griekenland na en traden met zweepslagen op tegen burgers, aan veroordeelden voltrokken zij de hoogste straf. 40 Toen de republiek volwassen werd en door de massa burgers partijen sterk werden, onschuldigen begonnen in het nauw te worden gebracht, en andere dingen van deze aard begonnen te gebeuren, toen is de wet van Porcius en zijn andere wetten gemaakt, volgens welke wetten verbanning aan veroordeelden is / werd toegestaan. 41 Dit beschouw ik vooral als een grote reden, heren senatoren, dat wij niet een nieuw besluit moeten nemen. 42 Zij hadden echt grotere deugd en wijsheid, die uit kleine middelen zo'n groot rijk hebben gemaakt, dan wij, die de macht die zo goed is verworven nauwelijks kunnen vasthouden. 43 Stel ik dus voor hen te laten gaan en het leger van Catilina te vergroten? Allerminst, maar ik ben als volgt van oordeel: dat hun gelden verbeurd moeten worden verklaard, dat zij zelf in de boeien moeten worden gehouden in de provinciesteden, die het meest in rijkdom krachtig zijn; dat niemand hen daarna nog in de senaat aan de orde mag stellen of in de volksvergadering bespreken; wie anders handelt, vindt de senaat, dat die tegen de republiek en aller welzijn handelt."

52. 1 ... (de rede van Cato) ...

53. 1 Nadat Cato was gaan zitten, prijzen alle ex-consuls en eveneens een groot deel van de senaat zijn mening, prijzen de voortreffelijkheid van de man de hemel in, de enen noemen de anderen scheldend angsthazen. Cato wordt beschouwd als schitterend en groot; het senaatsbesluit wordt genomen, zoals hij had voorgesteld. 2 Maar iets anders: terwijl ik veel las, veel hoorde, over de schitterende daden die het Romeinse volk thuis en in den vreemde, op zee en op het land heeft gedaan, kreeg ik zomaar zin te onderzoeken, welke zaak vooral zo grote activiteiten mogelijk had gemaakt. 3 Ik wist, dat zij vaak met een kleine groep met grote legioenen van de vijanden hadden gestreden; ik wist, dat met kleine troepen oorlogen waren gevoerd met welvarende koningen, dat zij bovendien vaak het geweld van de fortuin hadden verduurd, en dat in welsprekendheid de Grieken, in oorlogsroem de GalliŰrs vˇˇr de Romeinen zijn geweest. 4 En terwijl ik vele dingen dacht stond voor mij vast, dat de uitnemende moed van slechts enkele burgers alles tot stand had gebracht, en dat het daardoor kwam, dat armoede rijkdom, een klein aantal een menigte aankon. 5 Maar nadat de samenleving door luxe en slapheid was gecorrumpeerd, verdroeg de staat weer door zijn eigen grootte de fouten van opperbevelhebbers en ambtenaren en, alsof zij uitgeput was door een bevalling, was er veel tijd [mv.] helemaal niemand in Rome groot in deugd. 6 Maar in mijn tijd waren er twee mannen met enorme deugd, verschillende karakters, Marcus Cato en Gaius Caesar. Aangezien het onderwerp hen had aangeboden, was het niet mijn plan hen in stilte voorbij te gaan, zonder dat ik van alletwee de natuur en de zeden, voorzover ik dat met mijn talent kan, openbaarde.

54. 1 Welnu, zij hadden een bijna gelijkwaardige afkomst, leeftijd (en) welsprekendheid, een gelijke grootheid van geest, en ook roem, maar op een verschillende manier. 2 Caesar werd om zijn weldaden en vrijgevigheid groot beschouwd, Cato om de onkreukbaarheid van zijn leven. De een was door zachtheid en barmhartigheid beroemd geworden, bij de ander had strengheid waardigheid toegevoegd. 3 Caesar heeft roem gekregen door te geven, op te beuren (en) te vergeven, Cato door niets te schenken. In de een was een toevluchtsoord voor ongelukkigen, in de ander de ondergang voor slechte mensen. Van de een werd de vriendelijkheid, van de ander de standvastigheid geprezen. 4 Tenslotte had Caesar zich er op geconcentreerd te werken, te waken; vol aandacht voor de zaken van vrienden verwaarloosde hij zijn eigen zaken, hij weigerde niets wat een geschenk waard was; voor zich zelf wenste hij een groot opperbevel, een leger, een nieuwe oorlog, waar zijn moed kon uitblinken. 5 Maar voor Cato was het zich toeleggen op = Maar Cato legde zich toe op gematigdheid, eer, maar vooral strengheid; 6 hij wedijverde niet in rijkdommen met rijken [collectief enkelvoud] en niet in partijzucht met partijmannen, maar met flinken in moed, met bescheidenen in schroom, met onschuldigen in onbaatzuchtigheid; hij wilde liever goed zijn dan lijken: hoe minder hij roem nastreefde, des te meer haalde die roem hem zo in.