Louis Couperus

De Tooveressen

Tweede Idylle van Theokritos

( In deze idylle bereidt Simaetha, onder het aanroepen der goden, een liefdesdrank voor haar aanbeden Delfis, van wie zij vermoedt dat hij een ander bemint. Mocht haar toverij niet lukken, dan zal hij kloppen aan Hades' deur...)

 

Waar zijn dan mijn lauwertakken ? Breng ze hier, o Thestylis ! Waar zijn dan mijn tooverdranken ? Bekrans dezen beker met het rosse gevlok van een jongen ram : o ik wil tt mij lokken dien man, dien minnaar mijn, die mij z doet smachten : sedert twaalf dagen komt niet meer die ellendeling, weet niet of ik leef of scheidde van de aarde en bonsde niet op mijn deur ! Wreedaard ! Liet zijn bewegelijk hart zich elders mede slepen door Afrodite of Eros ? Morgen, dra na het uchtendkrieken, zal ik gaan naar Timagetes' worstelschool om mijn lief te zien en hem te overstelpen met mijn verwijt ! Maar deze nacht, zal ik door toover hem aan mij doen denken...
Selene, glans te mijnen gunste ! Looven zal ik u in mijn tooverzang, o godinne des zwijgens, en ook Hekate, de onderaardsche, die zelfs de honden vreezen, wanneer zij schrijdt over de graven dwars door het zwarte bloed der offeren, die honden zijn ! Wees gegroet, o Hekate, gruwzame ; sta mij bij opdat ik slage en laat mijne brouwselen niet onderdoen voor die van Kirke, niet onderdoen voor die van Medeia, niet onder doen voor die der blonde Perimeda !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Meel moet eerst branden in mijn ketel : Thestylis, spreid dan het meel ! Rampzalige, waar was uw zin ?? Ellendelinge, voor jou, zeker, ben ik ook maar een ding om spot me te drijven ? Spreid in nen uit al het meel en zeg : - Dit zijn de beenderen van Delfis, die ik verspreid...
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
O ! Delfis doet mij marteling aan ! En ik, om Delfis te bezweren, verbrand deze lauwertwijgen : ha, die knetteren... ontblaken... en vervlammen dan... Geen asch er van blijft over : dat Delfis z door dit vuur ook zijn vleesch voelt branden en blaken...
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Dit wassen beeldje versmelt onder den gunstigen blik der goden : dat zoo smelte ook plots van liefde Delfis de Myndir ! En zoo als deze bronzen schijf dwarrelt door Afrodite's geweld, dwarrele die man voor mijn deur...
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Zemelen zal ik gaan zamelen en offeren doen... Artemis, gij, beroer den onbeschaamde, hem met het hart van staal ! Thestylis, de honden blaffen de stad door ! De godinne zweeft over de pleinen ! Sneller : dat werklateren de bronzen bekkens !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Luister, de stormwind legt zich ; luister, de golven bedaren... Maar niet bedaren de baren van mijne smart en nooit legt zich de woedende stormwind van mijn verlangen ! Ik storm en ik raas voor hm, rampzalige, die ik ben, voor hem, die mij verlokte en verleidde en toen verstiet, tot ik een tooverkol werd !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Drie malen volbreng ik de plenging... Drie malen, o Eerwaarde Godinne, smeek ik u af : Wie ook ligge met Delfis samen, dat hij hem of haar zoo volkomenlijk vergete, als Thezeus Ariadne, de zwaar gelokte, te Naxos vergat !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
In Arkadi weligt het paardekruid : dat daar, over de heuvelen, de dolle merrin en hengsteveulens draven ten prooi aan waanzinnige bronst ! O, dat ik Delfis zage, verdwaasd door een dergelijk razen, de glinsterzandige palestra verlaten en hierheen snellen, naar mijn huis toe !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Afgescheurd van Delfis' mantel is deze franje, die rafel ik uit en werp ik in het vretende vuur. O, onverbiddellijke Eros, wat zuigt ge al het donkere bloed uit mijn lijf, niet anders dan bloedzuiger zo doen van moerassige plassen !?
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Ik zal fijn stampen gedroogde hagedis en er onfeilbaren liefdedrank me bereiden : dien zal ik je morgen doen brengen..! Thestylis, neem dan die filters - nog is het niet te laat ! - wrijf er zijn drempel me in en zeg, na gespuwd te hebben : - Ik wrijf Delfis' beenderen in !
Uil van de nacht, lok naar mijn woning, opdat hij mijn zij, dien man !
Nu ben ik alleen...
Hoe zal ik beweenen mijn liefde !
Waarmede zal ik beginnen !
Wie zond mij die smart...? Eubolos' dochter, Anaxo, kwam met ons als urnedraagster in Artemis' heilige woud, dien dag, dat tal van verschillende dieren in optocht om het altaar werden geleid. En er was ook een leeuwinne bij...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Toen... smeekte mij de Thrakische voedster van Theocharidos - moge gelukkig zij worden ! - die woonde vlak naast mijn deur, met haar den optocht te gaan zien... En ik, o noodlottige, ik volgde haar... ik was gekleed in prachtige chiton en omplooid in mijn langen mantel !
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Ik had reeds de helft des wegs afgelegd... Tot voor het huis van Lycon... Toen zag ik, samen, Eudamippos en... Delfis !! Zijn baard was blonder dan een bloem... Zijn borst glansde stralender dan uw ronde star, Selene... Zij kwamen van het Gymnasion... Zij hadden de edele oefeningen volbracht...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Toen ik hem zag, omving waanzin mij en mijn hart werd diep doorboord, ach ik ongelukkige ! Mijn blos taande tot doodesbleekte : nits zag ik van den optocht ! Hoe kwam ik thuis ? Ik weet het niet... Een woedende ziekte doorraasde mij ; tien dagen, tien nachten lag ik woelende over mijn bed !
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Geelzucht verteerde mij en vielen mijn haren ; vel werd ik over been. Tot wie ben ik al niet gegaan ! Welke oude heks, kundig in tooverije, heb ik al niet geraadpleegd ! Niets hielp en de tijd verliep...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Toen openbaarde ik mijn liefde aan mijn slavin. Thestylis, zeide ik, zoek toeverlaat voor mijne zieke ziel... Ik ben slachtoffer, gansch en al, van den Myndir : kijk naar hem uit in nabuurschap van Timagetes' palestra. Daar komt hij iederen dag ; daar brengt hij de zoete uren door...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
En dan, wanneer je alln hem treft, wenk hem voorzichtig, zeg zacht : Simaetha roept je... En voer hem hierheen...
Zoo heb ik gesproken. Thestylis ging en voerde in mijn huis Delfis : hoe glansde zijn huid ! Nauwlijks overschreed zijn voet licht den drempel van mijn deur...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Of geheel mijn lijf werd kouder dan sneeuw, het zweet droop van mijn wangen, overvloediger dan de dauw, die Zuidewind aanvoert. Ik kon niet spreken, niet kreunen zelfs als een kind, dat murmelt in sluimering der lieve moeder naam en ik werd gelijk aan een pop van was en mijn heerlijke lijf verstarde...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Toen hij mij zag, sloeg de wreedaard de oogen ner, zette zich op het bedde en zei : - Werkelijk, o Simaetha, je waart mij, toen je mij riept, naar dit huis, waarheen ik mij begaf, meer niet voor dan ik gisteren zelve, aan het einde des wedloops, lieflijken Filinos vr was.
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
Want ik ware, ja ik ware gekomen, door zoete min gedrongen, met vrienden drie of vier, n deze nacht ; ik ware gekomen met appelen in mijn kleeds plooi en, om mijn hoofd, popellooveren doorslingerd met roode linten : de popel is Herakles' boom...
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
- En hadt je mij open gedaan, het zo voor ons weelde geweest zijn want gewaardeerd word ik als welgemaakt en wel mooi tusschen alle jeugdige mannen. En ik zo zalig geslapen hebben, zoo ik maar je zoete lippen gezoend had. Maar zoo je mij af hadt gestooten, zoo de grendelstaaf je deur toe had gehouden, zo bijlslag en toortsevlam mij weg hebben gebaand tot je bed !
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene !
- Maar nu ben ik Kupris dankbaar en na Kupris ben ik je dankbaar, o vrouw, omdat je mij riept en mij koelde den heeten brand, die mij verzengde... Eros' vuur laait heviger dan Hefaistos' vuren laaien !
Luister, van waar mij mijn liefde kwam, o Selene, Verhevene ?!
- Hij is het, ging Delfis door ; die dwingt de maagd, overwonnen door dwaze lust, hare kamer te ontvluchten en de jonge g heimelijk te verlaten des gemaals nog lauwe legerste...
Zoo sprak hij en ik, gewillig hem te gelooven, nam hem verlangend de hand... Ik zeeg ner op het willige, weeke bed ; mijn lijf, naast het zijne, gloeide op ; onze monden brandden en kreunden de blakende woorden. O, Selene, Dierbare, om u niet met veel woorden te vermoeien, zal ik u zeggen, dat wij deden de groote daad... En ik had hem, hij mij, tot gisteren toe, niets te verwijten.
Maar de moeder van Filista, de Samische fluitspeelster, liep heden aan, op het oogenblik, dat rozenarmige Eos de zonnerossen vr zweefde uit den Oceaan... En zij zeide mij, tusschen vele dingen, dat zekerlijk Delfis verliefd was. Op wie ? Op wien ? Daar was zij niet zeker van, zeide zij en zij verzekerde mij alleen : - Ter eer zijner liefde, drinkt hij zijn wijn ongemengd... En verzamelt hij, in den wedstrijd, krans op krans om te stapelen voor het huis, waar hem zijne liefde wacht !!
Zoo sprak de Samische en het is de Waarheid ! Eerst, vroeger kwam hij tot mij driewerf, vierwerf daags en liet bij mij staan zijn kruik vol Dorische olie ! Sinds twaalf dagen zag ik hem niet ! Moet hij dus niet elders minnen, nu hij niet meer om mij zich moeit ! Heden zal ik door tooverij hem nog pogen te lokken, maar zoo hij mij meerdere smart aandoet, zwere ik bij de Moira, zal hij kloppen aan Hades' deur, zoo fel zijn deze giften, die ik hem voor behoud in dezen korf, o heilige Heerscheresse ! en die mij gaf een Assyrir, dien ik voor geld ontving...
Ga nu, ga nu, Verhevene : leid uwe rossen ter zee ! Als een vuur blijf ik voeden de smart, die mij verteert ! Ga nu, o Selene met uw zilverwit gelaat, ga nu tusschen de tallooze starren, die zijn stralende rondom uw kar... Ga nu en laat mij, alln !

 



 

Deze tekst is uitgegeven door C.J.Aarts, 1978, Amsterdam, in de serie Amsterdamse Cahiers. Aan deze uitgave ontleen ik ook de nu volgende verantwoording en het colofon.

Verantwoording.

Deze "vrije vertolking" van Theocritus' tweede idylle door Louis Couperus verscheen voor het eerst in Groot-Nederland, Letterkundig Maandschrift voor den Nederlandschen Stam, jrg. XVI, nr. 2, februari 1918, pp. 191 - 196. Ze werd door Couperus niet gebundeld. Zijn bewerking van De cykloop, Theocritus' elfde idylle, verschenen in dezelfde jaargang van Groot-Nederland en wel in nummer 5 (mei) op pp. 500 - 502, werd opgenomen in Proza, deel III (1925), pp. 216 - 218.
De weergave van de tekst is getrouw naar die in Groot-Nederland, zonder enige verandering in spelling of interpunctie.

Richard Erbe.

Colofon

De tooveressen. Tweede idylle van Theokritos in een vrije bewerking van Louis Couperus, verscheen voor het eerst als afzonderlijke uitgave op de vijftigste sterfdag van Louis Couperus, 16 juli 1973, bij C.J.Aarts, uitgever te Amsterdam, als nummer 020 van de reeks Amsterdamse Cahiers.

( ... )

Eerste druk : 1973, oplage 500 exemplaren
Tweede druk : 1978, oplage 500 exemplaren

ISBN 90 6187 020 8