Copa

Tekst, werkvertaling en commentaar

Kox volgt de tekst van de Loeb-editie van H. Rushton Fairclough in de herziene versie van G.P. Goold uit 2000.

Copa Surisca, caput Graeca redimita mitella,  
  crispum sub crotalo docta movere latus,   
ebria fumosa saltat lasciva taberna
  ad cubitum raucos excutiens calamos:   

"Quid iuvat aestivo defessum pulvere abisse?                    5
  quam potius bibulo decubuisse toro!   
sunt topia et calybae, cyathi, rosa, tibia, chordae,   
  et triclia umbrosis frigida harundinibus;
en et Maenalio quae garrit dulce sub antro   
  rustica pastoris fistula in ore sonat.                               10
est et vappa cado nuper defusa picato,   
  et strepitans rauco murmure rivus aquae.   
sunt etiam croceo violae de flore corollae   
  sertaque purpurea lutea mixta rosa   
et quae virgineo libata Achelois ab amne                          15
  lilia vimineis attulit in calathis.   
sunt et caseoli, quos iuncea fiscina siccat,   
  sunt autumnali cerea pruna die   
castaneaeque nuces et suave rubentia mala,   
  est hic munda Ceres, est Amor, est Bromius.                   20
sunt et mora cruenta et lentis uva racemis,   
  et pendet iunco caeruleus cucumis.   
est tuguri custos, armatus falce saligna,   
  sed non et vasto est inguine terribilis.

"Huic calybita veni: lassus iam sudat asellus;                    25
  parce illi, Vestae delicium est asinus.   
nunc cantu crebro rumpunt arbusta cicadae,   
  nunc varia in gelida sede lacerta latet:   
si sapis, aestivo recubans te prolue vitro,   
  seu vis crystalli ferre novos calices.                                30
hic age pampinea fessus requiesce sub umbra,   
  et gravidum roseo necte caput strophio,   
formosa et tenerae decerpens ora puellae -  
  a pereat cui sunt prisca supercilia!   
quid cineri ingrato servas bene olentia serta?                    35
  anne coronato vis lapide ossa tegi?
pone merum et talos; pereat qui crastina curat:  
  Mors aurem vellens 'vivite' ait, 'venio'." 


Werkvertaling KK

Het Syrisch barmeisje, haar hoofd gewikkeld in een Griekse hoofddoek,
volleerd in het bewegen van haar golvende flank op de castagnet, 
danst dronken (en) wellustig in de rokerige kroeg,
terwijl zij de lawaaierige rietbuizen slaat tegen haar elleboog:

"Wat heeft het voor zin weg te gaan, wanneer je moe bent van het zomerstof?   5
Hoeveel beter is het met een drankje op een rustbank te liggen!
Hier zijn erkers en kamertjes, wijnschenklepels, rozen, fluiten, snaren,
en een prieel, koel door schaduwrijk riet;
ja, en die prettig keuvelt in een grot van de Maenalus,
de rietfluit, die klinkt hier alsof een herder speelt.                                           10
Er is ook slobberwijn, zojuist uit de gepekte kruik gegoten,
er is een stroompje water, dat kabbelt met lawaaierig gemurmel.
Er zijn ook kransen van de saffraankleurige bloesem van viooltjes
en snoeren van reseda's gemengd met donkerrode rozen
en lelies die een riviernimf uit een maagdelijke stroom heeft geplukt                15
en in uit wilgentenen gevlochten korven heeft gebracht.
Er zijn ook kaasjes, die drogen in een biezen mandje,
er zijn als was glanzende pruimen van een herfstige dag
en kastanjenoten en zoet blozende appels,
er is hier fijn witbrood, er is liefde, er is wijn;                                                 20
ook zijn er bloedrode moerbeien en druiven in hechte trossen,
en aan zijn steel hangt de donkergroene komkommer.
Er is de bewaker van het huisje, gewapend met een wilgenhouten sikkel,
maar ook al is zijn geslachtsdeel enorm, hij is niet angstaanjagend.

Kom bij hem een kamertje huren: je ezeltje is al moe en bezweet;                   25
ontzie hem, de ezel is het lievelingsdier van Vesta.
Nu breken de cicaden de struiken met hun onophoudelijke zang,
nu is de gevlekte hagedis verscholen in zijn koele schuilplek:
als je verstandig bent, ga je liggen en smeer je je keel uit zomers glas,
of misschien houd je liever nieuwe kelken van kristal vast.                               30
Kom, rust hier, moe als je bent, onder de schaduw van wijnranken
en vlecht een snoer van rozen om je zware hoofd,
en de mooie mond van een lief jong meisje kussend -
ach, loop naar de hel met die antieke frons van wenkbrauwen!
Waarom bewaar je heerlijk geurende kransen voor ondankbare as?                  35
Of wil je dat je botten met een krans van steen worden bedekt?
Breng wijn en dobbelstenen; naar de hel met wie zich zorgen maakt om morgen:
de Dood trekt aan je oor en zegt: 'Leef, ik kom.'"

Commentaar

r. 9: De Maenalus is een berg in Arcadia. De kroeg wordt beschreven als een locus amoenus, een heerlijke plek in een fictieve idyllische arcadische omgeving.
r.15: Achelois = een dochter van de rivier(god) Achelous.
r. 20: Ceres is de godin van de landbouw en het graan; metonymia: = brood. Bromius is een van de namen van Bacchus, de god van de wijn; metonymia: = wijn.
r. 23-24: Priapus.
r. 26: Een ezel waarschuwde Vesta met zijn gebalk voor een aanval van Priapus. Zie Ovidius, Fasti 6.311 evv., waar ook wordt verteld, dat men in Lampsacos de gewoonte had een ezel aan Priapus te offeren.
r. 29: 's Zomers  drink je meer, dus dan zijn de glazen groter...