HUGO CLAUS

HET HUIS VAN LABDAKOS


Het huis van Labdakos

BBToneel


Hugo Claus

Het Huis van Labdakos

(naar een scenario van Franz Marijnen)

1977 De Bezige Bij Amsterdam


Vor België: Contact NV Antwerpen
Copyright 1977 by Hugo Claus
Eerste druk oktober 1977
Omslag Nico Dresmé
Foto voorkant Ton Omloo
Druk Tulp Zwolle
ISBN 90 234 0619 2
D 1977 79 17


Het Huis van Labdakos


Personen

LAÏOS
OIDIPOES
IOKASTE
ETEOKLES
POLYNEIKES
ANTIGONE
ISMENE
KREON
EURYDIKE
MENOIKOS
HAIMON
TIRESIAS
MANTO
HET ORAKEL
DE PIANISTE


(Het stuk begint als een concert.
Op het toneel, dat verder leeg is, staat een concertvleugel. Als het zaallicht dooft komt de pianiste op. Zij wordt met applaus begroet en begint te spelen. Een polonaise, een nocturne en een etude van Chopin staan op haar programma.
Tijdens het spel wordt in het halfduister Laïos zichtbaar, een oudere man in een ruiterspak en laarzen. Zijn schedel is gekloven, een bloederige open wonde.
Tegen het einde van het concertstuk vliegt de poort achter op het toneel open door een windhoos, zwaveldampen waaien naar binnen waaruit het Orakel tevoorschijn komt, een zeer mooi jong meisje dat met grote koffers sjouwt en die op het toneel neersmakt.
De pianiste houdt verbluft op met spelen.
Ook het Orakel schrikt als zij de pianiste ziet
.)

HET ORAKEL
(stotterend) kreonta ... prosoteichonta ...
(Zij wil wegrennen maar uit de open poort verschijnt een woeste jongeman, Eteokles, die haar tegenhoudt.)
(Uit dezelfde poort zullen de meeste protagonisten komen, voornamelijk de families van Oidipoes en van Kreon, want zij zijn op de vlucht voor het onheil dat de stad bedreigt en vinden een onderkomen in de concertzaal. De uiterlijke verschijning van die families lijkt geïnspireerd door modeplaten uit de dertiger jaren. Ook hun bezittingen lijken uit die tijd, en vaag Centraal-Europees.)
(Eteokles stuurt het Orakel weer naar binnen. Hij beveelt de pianiste verder te spelen. Zij doet het, maar haar spel wordt beïnvloed door haar verwarring. Polyneikes, een intelligenter, listiger versie van zijn broer Eteokles, komt op, klapt de klep van de vleugel dicht.)

POLYNEIKES
Het is het ogenblik niet.

ETEOKLES
Juist wel. Er is niets aan de hand. (Hij beveelt de pianiste verder te spelen.) (Zij doet het.)

POLYNEIKES
(lacht schril) Niets aan de hand!

ETEOKLES
(komt bij het Orakel, aait over haar billen) Zodra het donker wordt...
(Het Orakel kijkt hem vernietigend aan) (Hij stokt.)
Straks... als het donker is...

POLYNEIKES
(spottend) Straks? Dat zou je wel willen.
Vergeet het maar, mijn schurftig broertje.

ETEOKLES
(snauwt) Insekt!

(Kreon, een energieke, sluwe man, komt op met zijn vrouw Eurydike en zijn zonen Haimon en Menoikos. Hun kleding zit vol gele moddervlekken.
Het Orakel helpt hen hun bezittingen uit te pakken. Kreon inspekteert de ruimte. Duidelijk zullen zij zich installeren. Kleren worden opgehangen, men zoekt zijn eigen plekje
.)

EURYDIKE
Het huis is groot genoeg.
Nee?
(Hij antwoordt niet. Onderzoekt verder.)

HAIMON
Wij moeten alle deuren afsluiten. Doeken voor de ramen doen.

KREON
De luchtgaten daar dichten.

MENOIKOS
Het stinkt hier.

KREON
Ja. Naar mensen.

EURYDIKE
(tot Menoikos, een introverte, afwezige jongen) Je bent bleek. Ben je nog bang?

MENOIKOS
(glimlachend) Nee.

KREON
(kordaat) Wij moeten dit systematisch organiseren. Het is een voorlopig oponthoud, wij weten niet hoeveel tijd wij hier zullen moeten blijven.

POLYNEIKES
(grijnslachend) De tijd van een tragische komedie, oompje.

EURYDIKE
(scherp) Zeg niet 'oompje'!

POLYNEIKES
(kwasi-verontwaardigd) Hij is toch mijn oom.

EURYDIKE
Zeg dan 'oom' zoals het hoort.

KREON
(beslist) Wij moeten een programmering opmaken waar iedereen zich strikt aan te houden heeft.

ETEOKLES
(tot Haimon die wat onrustig lijkt) Zij komt, je lief, zij komt, maak je geen zorgen. (Dit uitdagend grinnikend.)

HAIMON
(kort) Ik maak me geen zorgen.

KREON
(gewichtig) Dit territorium, hoe beperkt ook, moet afgebakend worden, iedereen moet die zelfopgelegde grenzen respekteren.

POLYNEIKES
(springt in de houding) Ja zeker, baas.

ETEOKLES
(idem) Ja zeker, grote, dikke baas.
(Zij proesten het uit.)

(Kreon wil reageren maar hij ziet plots hoe uit de zijwand Tiresias tevoorschijn komt. Tiresias, oeroud en nerveus, lijkt invalide en blind. Hij zit in een rolstoel, voortgeduwd door zijn dochter Manto.)

ETEOKLES
Hoe komt die apotheker hier?

HAIMON
(verschrikt) Daar zijn ook nog deuren! (Wijst opzij.)

KREON
(schreeuwt) Doe die deuren op slot! De grendels ervoor!

TIRESIAS
(snel, in zichzelf mummelend terwijl hij graait in allerlei bokalen, boeken, retorten, en spullen die
Manto uitstalt
)
Vermenigvuldiging. Elke droogte drinkt gretig elke vochtigheid. Hoe meer aarde, des te minder water. Help me, dochter. De maat van de tijd en van het vuur...

KREON
Wat mummelt het knekelhuis nu weer?

MANTO
Hij zoekt de medicijn voor de dag des oordeels.

KREON
(ironisch) Zo, heeft ie daar medicijn voor?

MANTO
Ja. De steen.
(Onbevangen) De steen moet gekookt worden.

EURYDIKE
Gekookt?

TIRESIAS
(keffend) De steen moet gezuiverd, gedistilleerd, geroosterd, gekalkt, gedrenkt, gevoed, gehakt, gedroogd...

(Lacherig verdringen Eteokles en Polyneikes zich bij de oude man; iets later, aangestoken door hun infantiele zing-zang, voegt Haimon zich bij hen.)

ETEOKLES, POLYNEIKES, HAIMON
...verdeeld, verbeterd, gezuiverd, verhevigd, gesmolten, bevochtigd, verdikt, in stront gedrenkt, gelijmd, gepunt, gehamerd, versplinterd, verpoederd, vermorzeld...

KREON
Laat de man met rust! (Zij houden op.)

TIRESIAS
(bijziende zoekt hij in de richting van Kreon, blijft naar Kreon staren, mummelt iets onverstaanbaars)

KREON
Kijk niet naar mij, kwakzalver.

HAIMON
Hij ziet toch niet.

KREON
Hij ziet genoeg.

TIRESIAS
(steeds starend naar Kreon) De dag des oordeels. Als de regen rood zal zijn.

MENOIKOS
(zingt een Schubert-lied. Iets wat hij af en toe doet.)
(Men luistert naar het lied.)
(Het lied wordt onderbroken door het getoeter van een claxon, en door de heftige tekens die Kreon naar Menoikos doet.)
(Een Bugatti komt op gereden. Daarin zitten Oidipoes, lokaste, Antigone en Ismene.)
(De entree van die familie wordt met ontzag begroet. Deze familie is voornamer, chiquer.)

OIDIPOES
(tot Eteokles)
Jongen, parkeer de wagen dáár.
Daar tussen die Dorische zuilen.
En maak hem schoon.

(Eteokles doet het.)
(Oidipoes verkent het toneel, zelfzeker en aandachtig.)
Er is ruimte, licht, warmte. Dat is voldoende.
Meer hebben wij voorlopig niet nodig.

IOKASTE
(gaat zitten; glimlacht naar de anderen)
Daar zijn wij dan. Heelhuids.
Wij zijn onder mekaar.
Meer hebben wij niet nodig.

OIDIPOES
(tot Kreon) Heeft men je gezien op straat?

KREON
Ik geloof het niet.

OIDIPOES
(tot Polyneikes) En jullie?

POLYNEIKES
Wij zijn langs de voorsteden gekomen. Dan langs de kleinste straatjes.

HAIMON
De hele stad weet toch dat wij hierheen gevlucht zijn.

IOKASTE
(heftig) Wij zijn niet gevlucht!

OIDIPOES
Nee. Dit is... een strategische terugtocht.
(Hij gaat zitten, schopt zijn schoenen uit. lokaste masseert zijn voeten.)

ANTIGONE
(tot Haimon) Denk je dan dat men jou gezien heeft?

HAIMON
De hele stad krioelt van spionnen, verklikkers, nieuwsgierigen. Zij gaan al onze gangen na. Jij gaat ook niet onopgemerkt voorbij.

ANTIGONE
(glimlacht) O nee? Waarom niet?

POLYNEIKES
(snerpend) Omdat hij denkt dat de hele stad jou met zijn ogen ziet. Als de mooiste onder alle vrouwen.

(Eteokles en Polyneikes gieren van het lachen. Eurydike en Ismene glimlachen ook vertederd.)

OIDIPOES
(hard)Stil!
(Hij luistert. Totale stilte. Iedereen luistert.)

HAIMON
Niets.

OIKASTE
Toch.

MENOIKOS
Ja.

ANTIGONE
De wind.

IOKASTE
Duiven.

EURYDIKE
Hommels.

OIDIPOES
(die blijkbaar iets hoort dat de anderen niet kunnen horen, komt overeind; verontrust)
Zijn alle uitgangen afgesloten?
Geen rat, geen kever mag naar binnen!
Zijn wij er allemaal?
Alle kinderen van het huis van Labdakos?

(Voor het eerst duikt er een verwijzing naar de Griekse tragedie op. Daarom valt de toon van het begin-tafereel met zijn bijna huiselijk 'naturel' nu weg, om plaats te maken voor een soort recitatief, uiteraard niet nobel en gedragen, maar wel door stiltes geïsoleerd.)
(De personages noemen zichzelf niet, maar elkaar, waarbij in de toon iets duidelijk kan worden over hun verhouding tot elkaar.)

EURYDIKE
(teder) Menoikos, mijn zoon.

MENOIKOS
(idem) En Haimon, mijn broer.

HAIMON
(gepassioneerd) Antigone, mijn verloofde.

IOKASTE
(vol liefde) Eteokles, mijn zoon.

ETEOKLES
(grimmig) En Polyneikes, mijn broer.

POLYNEIKES
(nonchalant) Ismene, mijn zuster.

ISMENE
(vertederd) Eurydike, mijn tante.

ANTIGONE
(wantrouwig) Kreon, mijn oom.

KREON
(zakelijk) lokaste, mijn zuster.

MANTO
(vol genegenheid) Tiresias, mijn vader.

TIRESIAS
(hulpeloos) Manto, mijn dochter, mijn ogen, mijn adem.

(Dit koor wordt doorbroken door een totaal andere stem, die van Laïos.)

LAIOS
(uitzinnig, vanuit het dodenrijk)
En hij, hij, de verwaten gek,
de vadermoordenaar?

(Oidipoes springt op, in paniek. Hij is de enige die Laïos' stem hoort. Alle anderen, onschuldig glimlachen, fluisteren:)
Oi-di-poes!
(Dit schijnt Oidipoes te bedaren. Hij gaat weer zitten. De aktiviteiten hernemen. Ook de familie van Oidipoes verwijdert gele moddervlekken van zijn kleren, pakt allerlei heterocliete voorwerpen uit.)
(Tijdens hun bezigheden ontstaat een soort oratorium.)

ISMENE
O jee, nu heb ik het toch vergeten.
Mijn roze Chaneljurkje. En ik had het klaargelegd op het bed. Met mijn bolero.
Ik kan niet tegen haast. Ik ben op van de zenuwen.
Antigone heeft bijna niets meegenomen.
Straks wil ze mijn zwarte glitterjurk lenen.
Zij mag. Mijn zuster, mijn vriendin.

HAIMON
Antigone. Het uitschot zei het, en het is waar:
Zij is, onder alle vrouwen, de mooiste.
Maar wat denkt ze? Wat verbergt ze toch aldoor?
Ik zal er nooit achter komen.
Zal zij ooit ontdooien?—
Ik wil een kind van haar.
Dan zal ze veranderen.

KREON
Heeft dat mens nu mijn Armagnac ingepakt?
Mijn Havanas? Het is haar geraden.—
(Lacht) Strategische terugtocht noemt hij dat!
Er is iets met Oidipoes aan de hand de laatste tijd.
Kijken. Aandacht. Al duurt het nog zo lang, dit strategisch oponthoud.
En als het ogenblik rijp is, toeslaan.

MENOIKOS
(zingt een Schubert-lied)

ANTIGONE
Waarom laat Haimon mij niet met rust in deze tijd?
Ik hou van hem, jazeker,
maar nu staat mijn hoofd daar niet naar.
Dit is geen tijd voor beminnen.
Mijn vader heeft zorgen.
Ik moet hem helpen.
Niemand kan dit beter dan ik.

POLYNEIKES
Dat kreng van een Kreon! De blaaskaak wil het tapijt van onder de voeten van mijn vader trekken. Hij loert tot hij scheel kijkt.
Meneer wil besturen.
Als in de tijd toen hij de baas was
vóór dat mijn vader baas was.
Maar ik zal grote gaten vreten in zijn kaas.

ETEOKLES
Mijn broer kan het niet laten
om mij te beledigen, te vernederen.
Het is zijn natuur. En zijn natuur is slim.
En toch, op een keer zal hij te ver gaan.
Dan kraak ik hem, als een ei.
Waarom plaagt hij mij, terwijl hij weet dat ik de sterkste ben? Ik ben de sterkste, Polyneikes!

HET ORAKEL
Ektetamau foberàu fréna [sic]
('Ik sidder van angst en verwachting'.)

EURYDIKE
Hoe moet dit nou allemaal hier vanavond?
Kreon zegt: 'wij moeten organiseren', maar dit is makkelijk gezegd, met zijn grote domme bek!
Ik zal alles regelen, zodat niemand het merkt.
Mijn broer is door de vele rampen in de stad aangetast. lokaste verblindt hem.
Hij hangt aan haar rokken als een loopse hond.

IOKASTE
Mijn man, mijn lieveling, mijn zon.
Wat er ook gebeure—en er zal iets gebeuren, ik voel het, ik weet het, ik durf er niet aan te denken,—
ik wijk geen stap van zijn zijde.
Ik wil zijn schaduw zijn.
Streel me, mijn man.
Je mag alles, alles met mij doen.

OIDIPOES
(zegt niets. Staart voor zich uit. Hij is ook de enige die niet beweegt.)

TIRESIAS
(tot Manto, die iets uit zijn buurt was) Kalfje, loop niet te ver van de koe.

MANTO
Ik kom. Hier ben ik, vader.

TIRESIAS
Zoals de maan spuwt naar de aap met de hondekop zo gaat dit rijk kapot.
Voel je, voel je, dochter, de warmte
van de kip van het kwaad die broedt in dit hok?

MANTO
Ja, vader.

TIRESIAS
Hou dan je mond.

MANTO
Ja, vader.

ISMENE
(stalt een broedkas vol plantjes uit, behoedzaam en teder)
Ik heb maar drie lipstiften meegenomen.
O jee. Misschien wil lokaste mij er een lenen.
Die fel-rode, die glimt.

HAIMON
(kijkt naar Antigone)
Als ik háár zie, is het alsof mijn ingewanden smelten.
Hoe zou het zijn, als ik niet beminde?
Ik wil het niet weten.

KREON
Op de laatste vergadering zei Oidipoes toen hij het over zichzelf had: 'Wij'.—'Wij vinden dit of dat'.— 'Wij.' Als een godverdomse koning. Alsjeblieft.

MENOIKOS
(houdt zich bezig met modelvliegtuigen, zijn passie)
Ik wou dat ik dood was. Meer en meer wil ik dat.
Vóór dat ik oud word.
Wanneer, op welke dag, welk uur word je oud?

ANTIGONE
Mijn vader heeft de wet aan zijn kant.
Daarom moet hij gehoorzaamd worden. En bemind.
Ik houd van de wet.

ETEOKLES
Soms denk ik dat ik uit mijn vel zal barsten.
Van louter woede. Soms weet ik niet waarom.
Maar meestal wel. Om mijn vijand, mijn broer.

POLYNEIKES
Voor Oidipoes was Kreon de meester.
Wie komt na Oidipoes? Niet de sterkste maar de slimste. Ik zou geen slechte meester zijn.

EURYDIKE
Het gaat allemaal zo snel. Dingen veranderen onder je ogen. Had ik maar een paar truien meegenomen, voor de jongens!—Hoe moet het met het avondeten?

HET ORAKEL
Ik wacht.
Ik ben bang.
Ik beef ervan.

IOKASTE
Oidipoes, mijn lief, mijn koning,
let goed op, kijk om je heen, pas op je zelf,
want je bent van mij.
(Eurydïke en het Orakel dekken een tafel. Uit picknick-koffers komen serviezen tevoorschijn. Men sleept stoelen aan. Men gaat volgens de regels van een etikette zitten.)

ISMENE
Mijn arme, lieve, zoete plantjes, mijn kinderen.

HAIMON
Jeuk. Geluk. Een ziekte.

MENOIKOS
(zingt één regel)

ANTIGONE
Eerst komt rechtvaardigheid, dan pas liefde.

ETEOKLES
Ik loop de honderd meter in twaalf sekonden.

POLYNEIKES
De helft van een tweeling. Hoe kan je de helft zijn van iets?

HET ORAKEL
Misgeboorte.

EURYDIKE
Mijn jongens. Ik kan er niet van slapen.

KREON
Slapen als de krokodil. Met open ogen.

OIDIPOES
In deze wereld gegooid, verloren en bang, moet ik leren hoe de dood en het niets tegemoet te treden.
Niet bang om het beest in mezelf te temmen, om het recht in de ogen te zien.

(Dit oratorium tijdens de voorbereidingen van de maaltijd wordt weer verbroken door Laïos.)

LAÏOS
(wendt zich nu tot de familie; blaft)
Ah, miezerig, verziekt, verrot geslacht,
dat nu tracht zijn lijven te redden
zoals de wormen diep in de aarde glijden ...

(Zij eten. Niemand hoort Laïos.)

LAÏOS
Zij vreten en mijn darmen zijn versteend,
zij lachen en mijn mond zit vol met grint,
zij praten en mijn keel is bevroren.
Ah! Hoelang nog?

(Stilte. Men eet. Men slaat elkaar gade.)

KREON
(tot Oidipoes) Hoe lang zal je nog blijven kniezen?
Nu al dagen en weken, sinds de rampen in de stad,
zit je te nukken.
Wat zit je dwars?

IOKASTE
Mijn man zal spreken als hij de tijd gekomen acht.

(Stilte.)

KREON
Wij hebben weinig tijd. Wij moeten optreden.
Tegenover de stad en de vernieling.

OIDIPOES
Treed op.

IOKASTE
Hij? Kreon?

OIDIPOES
Als hij dit zo nodig acht,
als hij zo haastig wil optreden, laat hem.

KREON
Jij hebt de macht.

OIDIPOES
Veronderstel dat jij haar had.

KREON
(Het idee is overweldigend. Hij zwelt op.) Ik zou... ik zou...

EURYDIKE
Kijk uit, Kreon.

TIRESIAS
(snerpend lachend) De beer komt naar de honing en in de beerput valt de koning.

KREON
(uit zijn bedwelming gerukt; lacht Tiresias toe)
Tiresias, jij dweil die niet door de tijd versleten wordt, je hebt gelijk, in de beerput valt een al te gretige koning.
(Tot Oidipoes)
Ik kan me niet in jou verplaatsen.
Ik hoor het geklaag en het geblaf der mensen buiten,
het doet me pijn, ik zou iets willen doen,
maar... het is jouw taak.

OIDIPOES
(tot Kreon, hem beloerend)
Ik kijk en zoek naar sporen in die ronde, gladde kop van jou en ik vind ze niet, de sporen die er moeten zijn, van het verraad.

(Stilte.)

KREON
Zonder slag of stoot,
zonder één verwijt of klacht
heb ik jou de hoogste plek, de mijne, gelaten.

OIDIPOES
Je kon niet anders.
Alle voorkeurstemmen gingen naar mij.

KREON
En als ik me verzet had, dit bevochten had?
Stemmen koop je voor een paar stuivers, een paar beloften.
Maar ik heb het niet gedaan omdat je de plek verdiende, je was een held, een leider, toen.

IOKASTE
Is hij dat nu niet meer?

KREON
Minder.

(Stilte.)

OIDIPOES
Minder? Ja.
Het is makkelijker een held te zijn dan een bestuurder. Er zijn fouten gemaakt.

KREON
Dat kan niet anders als je moet besturen.

EURYDIKE
Wie niks doet maakt geen fouten.
(Kreon werpt haar een vernietigende blik toe.)
(Lam) Dat zei mijn moeder altijd.

KREON
Je kunt niet regeren of aan politiek doen
zonder in de modder te graaien
van de corrupte handel van de mensen.

OIDIPOES
Er is een andere fout. Van een andere aard.

IOKASTE
Nee!

OIDIPOES
Van een zo'n andere aard dat zij mij helemaal ontsnapt, die fout.
Dat ik geen vinger kan leggen op die wonde.

KREON
Het ongeluk dat onze familie en daardoor de stad heeft getroffen,
het is vreselijk, duister, ongrijpbaar,
maar misschien was het niet te vermijden.
Misschien lag het in de natuurlijke orde van de dingen.
Wij zijn wellicht te lang gelukkig geweest.
Een te lange voorspoed vraagt om rampen.

EURYDIKE
Zoals er na zonneschijn regen moet komen?
(Zij zegt dit hatelijk. Kreon kijkt woedend naar haar.)

IOKASTE
Zodat wij zouden moeten leren
er het beste van te maken?
Is dit je stelling, broer?
Het is jouw aard. Je zorgt altijd dat je
op je pootjes terecht komt.

OIDIPOES
Welke rampen zich ook voordoen
daar is men zelf verantwoordelijk voor.
(Tot Kreon)
Of wou je je beroepen op een of andere God
die grillig, kwistig strooit met kwaad en goed
naar gelang zijn goddelijke muts staat?

KREON
Hoe kan je altijd weten waar je verantwoordelijk voor bent?

OIDIPOES
Er is zoiets als waarheid. Moeilijk, ontwijkend,
kronkelig, maar te achterhalen.
Die moet je onder ogen zien.

TIRESIAS
(krijgt een lachstuip)
De waarheid... onder... ogen... zien.

(Manto bedaart hem.)
(Stilte.)

OIDIPOES
Er gingen geruchten in de stad.
Soms ving ik ze op.

IOKASTE
(voorzichtig) Over de dood van Laïos?

OIDIPOES
Ja.

IOKASTE
(idem) Wat hoorde je?

OIDIPOES
Men zei het niet hardop, natuurlijk, zo ver gingen ze niet, die lasterende vurige tongen, maar men fluisterde of zei dat men had horen fluisteren dat de moordenaar van Laïos gezocht moest worden in, wat men noemde, vooraanstaande kringen, tussen hooggeplaatste personen. — Bij ons.

EURYDIKE
Wat een onzin!

IOKASTE
Die onzin heeft een bron.

KREON
En die bron zou ik zijn?

IOKASTE
Of je vrouw.

EURYDIKE
Je wordt bedankt, lokaste.

POLYNEIKES
Wie heeft het meeste baat bij het rondstrooien van zulke verhalen?

ETEOKLES
Kreon en zijn familie!

POLYNEIKES
Wie lonkt al zolang naar de troon?

ETEOKLES
Kreon!

ANTIGONE
Ik weiger dit te geloven. Ik ken Kreon.
Hij loopt niet met zijn hart op zijn tong,
maar zoiets doet hij niet!

ISMENE
Oom Kreon heeft altijd familiegevoel gehad.
Van toen wij klein waren.
Weet je nog, laatst, op de vakantie aan de Rijn toen wij samen zijn gaan zeilen?

KREON
Achterlijk grut!
Waarom zou ik zoiets doen?
(Tot Oidipoes)
Het laatste wat ik wil is jouw plek innemen.
Het is mij te hoog daar, te koud, te benauwd op de plek waar je zit.
Ik ben te oud, ik heb te veel de kwalijke dampen van de macht geroken om mij uit de naad te hollen om toch maar te mogen regeren.
Nu heb ik alles waar ik mijn zinnen op zet zonder de last en de zorg.
Nu wil ik best je bevelen aanhoren en uitvoeren.
Zo verblind ben ik niet door je macht.

HAIMON
Ik geloof mijn vader.

MENOIKOS
Ik ook. Al houd ik niet van hem.

ANTIGONE
Wat die geruchten betreft, vader,
zo snel als het kan
moeten wij dit moordverhaal ontwarren
en het raadsel oplossen.

OIDIPOES Het raadsel is: 'Wie...'

(Hij wordt onderbroken door een soort zang van de anderen, als een liedje aan tafel.)

DE ANDEREN
(behalve Tiresias en Manto)
'Wie heeft er vier voeten
en twee voeten en drie voeten?
En wie heeft er het minste kracht
als hij vier voeten heeft?'

OIDIPOES
(brult) Nee! Het raadsel is:
'Wie heeft er Laïos vermoord?'

LAIOS
(even luid)
Dit is geen raadsel.
Het is klaar als de dag!

OIDIPOES
(de enige die dit hoort)
Wat? Wie spreekt daar?
Wie heeft dit gezegd?

(Hij kijkt naar de anderen aan tafel, die verbluft reageren, gaat naar Tiresias, schudt hem door elkaar.)

Was jij het, helse buikspreker?
Wat weet je?

(Tiresias mummelt iets.)

Zeg iets dat ik kan verstaan!
In je moerstaal!

IOKASTE
Maak je niet zo druk, Oidipoes,
om dit witgekalkt graf op poten.
Kom hier. Kom bij mij.

(Tiresias huilt heftig. Manto troost hem. De lacherige jongens Eteokles en Polyneikes komen bij Tiresias. Zij doen vogelgeluiden na. Tiresias kalmeert, luistert.
Hij antwoordt met een zelfde vogelgeluid. Het klinkt dreigend
.)

OIDIPOES
Manto, wat zegt hij?

MANTO
Het is het geluid van de ransuil 's avonds.

OIDIPOES
Wat zegt de ransuil?

MANTO
(bang) Dat de dag zal komen
dat jij blind zal zijn, Oidipoes.
Omdat je in de bliksem van het verleden hebt gekeken.

OIDIPOES
Ik blind? Waarom? Wanneer?
Blind als hij?

IOKASTE
Tiresias is helemaal niet blind.

ANTIGONE
Toch wel, moeder. Zijn ogen zijn verbrand.

ISMENE
Ja, door het zoutzuur dat hij in zijn ogen kreeg
toen hij naar Athena zat te loeren
toen zij naakt zat in het bad.

MANTO
Nee. Hij werd met blindheid geslagen
toen hij dingen heeft verklapt
die de mensen niet mochten weten.

OIDIPOES
(heftig) Welke dingen?

MANTO
(bang) Over de liefde. Over mannen en vrouwen.

(Tiresias gaat naar Haimon en Antigone toe. Zijn onverstaanbare taal brabbelend neemt hij hem bij de armen vast.)

MANTO
(vertaalt) (Tiresias praat tot Haimon)
Jij, man, jij bent het beest dat boven ligt
en je lijf schiet zichzelf aan flarden
en je hijgt en je loeit,
(Tiresias praat tegen Antigone)
maar zij, die onder ligt met alle openingen van haar gekwelde lijf geniet negen keer meer dan de man.

ANTIGONE
(rukt zich los)
Ga weg, stinkdier.
Raak me niet aan.

EURYDIKE
Toch heeft hij gelijk, de ziener.
Het is zo.
Wij vrouwen... (Zij stopt omdat Kreon haar woedend aankijkt) Maar ik vind het wel kwalijk dat hij het zo openlijk vertelt.

OIDIPOES
Is het uit met dit goor gezanik
over wie het geilste kermt in bed?
Wie kan dit raadsel over onderbuiken iets schelen?
Het raadsel is, en ik wil een antwoord,
'Wie heeft Laïos vermoord?'

LAIOS
Jij. Niemand anders. Jij.

OIDIPOES
(als voordien) Wat? Wie?

DE ANDEREN
(hun beschuldiging is in zijn verbeelding)
Als een dief in de nacht komt de dood.
Als een spiegel overdag hangt het woord.

OIDIPOES
(radeloos) Welk woord?

ALLEN
Schuldig.

OIDIPOES
Wie?

ALLEN
Oidipoes!

(Stilte.)
(Zij eten en drinken verder.)

LAÏOS
En dat broedt maar, dat fokt maar en voor je 't weet is de aarde bedekt door dit geniepig, ranzig ras dat dekt en baart en zich vermenigvuldigt.
(Hij gaat naar lokaste toe.)
Je deed alsof je mij beminde.

IOKASTE
Ik wist niet beter.

LAÏOS
Ik vroeg jou niets maar je zei:
Je bent mijn man, mijn lief.

IOKASTE
Ik dacht dat het zo was. Toen.

LAÏOS
Vergif!
(Bitter) Ik geloofde je, tot op het allerlaatst,
toen ik ging rijden in de bossen van de zomer
's morgens vroeg, op mijn hengst.

(Stilte. Men eet.)

KREON
(tot Oidipoes)
Wat wil je dat ik doe?

OIDIPOES
Het verbaast mij dat jij hier zo koel,
zo onbewogen aan één tafel durft te zitten
samen met mij.

KREON
Waar moet ik heen?
(Stilte)
Nogmaals, ik wil de macht niet overnemen.
Ik ben niet zoals jij. Voor mij is de macht niet iets van de enkeling maar een gedeelte van het geheel waarvan wij de eerste dienaars zijn, niets anders.
Voor mij is de macht een praktische kwestie.
Wie beveelt en wie gehoorzaamt
dienen beiden evenzeer het geheel.
Macht is voor mij geen tragisch fenomeen.
Zij heeft niets van enige (smalend uitgerekt)
me-ta-fy-sische waardigheid.

OIDIPOES
Om deze macht over te nemen, Kreon,
daarvoor sta je niet sterk genoeg in je schoenen.
(Grimmig lachje)
Je schoenen zijn niet groot genoeg, Kreon.
Vergeet niet dat ik olifantentenen heb.

KREON
Maar als het deze macht niet is...

OIDIPOES
(ongeduldig) Nee, niet het bestuur, niet de onderhandelingen, de import-export, honderdduizenden hectoliters wijn naar de kolonies, niet kaartspelen met de minister-president, of privileges, ondernemingen, de olie- of de wapenindustrie, het gegoochel met de staatskas, het onderdrukken of het stimuleren van de klassestrijd, de corruptie, het onderwijs, de marktonderzoeken... (Hij stokt)
(Trager) Nee, je keert je tegen een andere macht in mij, tegen de onzekere, bittere, verkrampte macht die mij beheerst, tegen mijn ziel.

KREON
(tot lokaste) Zuster, je man is onredelijk.

IOKASTE
In deze omstandigheden is dit zijn recht.

OIDIPOES
Is het onredelijk om iemand die over mijn ziel wil regeren te verjagen als een horzel?

KREON
Wat wil je van mij?

OIDIPOES
Zeg mij wat je weet.

KREON
(onzeker] Waar heb je 't over?
(Stilte) Ik kán het niet zeggen.

OIDIPOES
Eteokles! Doe de deuren open en jaag je oom naar buiten.

(Opgewonden gaat Eteokles naar Kreon toe.)

KREON
Neen!

(De anderen reageren in paniek.)

OIDIPOES
En zijn vrouw en zijn kinderen!
(Uitzinnig) Buiten, in de zenuwgassen, in de giftige wierook. Zij zullen er in een wekenlange doodsstrijd sterven. Hun aangetaste spieren en zenuwen zullen hun eigen ingewanden wurgen.

KREON
(vertwijfeld) Tiresias! Ik kan niet anders.
Spreek. Ik gebied het je.

TIRESIAS
(heft een geweldig gekrijs aan, maar zonder enig geluid)

OIDIPOES
Ik hoor niets.

MANTO
Hij zegt ook niets. Alleen zijn verdriet.

OIDIPOES
Daar heb ik geen tijd voor. (Tiresias krijst verder.)

EURYDIKE
Manto, straks slikt hij nog zijn gebit in.

(Laïos gaat naar Tiresias toe. Streelt de oude man. Deze bedaart.)

LAÏOS
Zeg het hem. Nu.

(Tiresias gaat uiterst traag naar Oidipoes toe.)

IOKASTE
(dringend) Luister niet naar hem, mijn lief.
Dit dubbelslachtig ding is kwaadaardig
en ratelt alleen maar in leugens en in list.
De leugens van een vrouw, het verraad van een man, dit manwijf heeft alle kwalen.

OIDIPOES
Spreek, sterrekijker.

IOKASTE
Kwel je niet zo, mijn lieveling.

LAIOS
Toch wel! Toch wel!

OIDIPOES
(bijna smekend)
Ziener, jij die de taal van de vogels spreekt,
die de slangen hebt zien paren en daarom blind geslagen werd,
stroop dit slangevel van twijfel van mij af.
Ik wil vervellen!

TIRESIAS
(op een verrassend nuchtere, normale toon)
Jij hebt je vader gedood.

OIDIPOES
(ook nuchter) Ja.

TIRESIAS
Je bent bij je eigen moeder in bed gekropen.

OIDIPOES
(idem) Ja.

TIRESIAS
Dat was het. Meer zeg ik niet.
(Hij wandelt weg.)

OIDIPOES
(tot de anderen aan de tafel, licht)
Jullie hebben het gehoord. De dichter heeft gesproken. En alles wat hij heeft gedaan is een oud vertelsel herhalen dat ik in mijn jonge jaren heb gehoord. Een o-ra-kel noemde men dat in die tijd.

ANTIGONE
Wij kennen dit o-ra-kel, vader, maar als Tiresias nu ...

OIDIPOES
Kind, je hoeft echt niet voor dichter, ziener, piskijker te studeren om dit te verklaren. Je kunt alles verklaren als je in analogieën spreekt. Het ene is een symbool voor het andere, alles rijmt!
Natuurlijk ben ik bij mijn moeder in bed gekropen, vaak zelfs, als kind, nachtenlang, toen ik niet kon slapen van de kiespijn.
Natuurlijk heb ik mijn vader gedood. Alleen al door het feit dat ik geboren ben. Was ik niet geboren dan was hij mijn vader niet geweest. En dan was hij niet als mijn vader gestorven, maar als een willekeurige meneer.

ANTIGONE
Is dat alles? Deze redenering?

ISMENE
Zo ken ik er nog meer.

LAIOS
Is dit alles? Deze schooljongensredenering?
Geloof je dat zelf, Oidipoes?

OIDIPOES
(reageert op de onaardse stem) Nee! Nee!

IOKASTE
(wil hem kalmeren)
Het is een uitleg als een andere. Het kan best de ware verklaring zijn.
Hou je aan deze.

OIDIPOES
Nee!

LAÏOS
Natuurlijk niet!
De ware verklaring jeukt in zijn bloed,
davert in zijn botten.

(Oidipoes drinkt gulzig, verwilderd, van de wijn.)
(De anderen zien dit verbijsterd aan.)

LAIOS
De hand die de wijn naar zijn mond brengt is dezelfde die mij sloeg toen ik in de bossen van de zomer reed op mijn hengst, die hand heeft mijn schedel gekloven zodat mijn hersenen spatten in de manen van mijn paard.

OIDIPOES
(klappertandend) Ik heb het koud.
(Drinkt weer.)

ANTIGONE
(bij Oidipoes; voelt aan zijn voorhoofd)
Je hebt koorts.
Wil je niet gaan slapen?

IOKASTE
(dringt Antigone opzij; tot Oidipoes)
Beheers je. Het is niets.
Je hebt teveel gedronken.
Er is niets te vrezen. Wij zijn hier bij je.
Ik ben het, lokaste.

(Het lijkt of Oidipoes bedaard is.)
(Lange stilte.)

OIDIPOES
Op school, tijdens de speeltijd,
lachten zij met mij, de andere jongens.
Om mijn voeten.
Ik was niet goed in spelletjes. Ik stond opzij.
Vanwege mijn voeten.
Toen zei een grote jongen: 'Een kind met zulke dikke poten, dat is bij zijn moeder gemaakt door een aap.' Ik vloog hem aan en ik sloeg hem tot hij huilde. Maar wekenlang kon ik niet slapen. Mijn vader was een aap!
Toen ben ik op bedevaart gegaan, want een jongen wil aan alles geloven als de woorden hem maar bedaren.

(Op de achtergrond verschijnt een zonbeschenen korenveld. Een naakte vrouw, het Orakel, wandelt er in.)

HET ORAKEL
Jongetje!

OIDIPOES
Ja, hier ben ik.

HET ORAKEL
Wat scheelt er, jongetje?

OIDIPOES
Ik kan niet slapen. Ook niet in mama's bed.
Ik word elke keer wakker, nat en koud van het zweet.

HET ORAKEL
Je bent een mooi jongetje. Welopgevoed. Slim. En gevoelig voor de dampen van de herfst. Maar je zal veranderen.

OIDIPOES
In wat?

HET ORAKEL
In een moordenaar. Want zo staat het geschreven in het Grote Boek van de Wolken, de Golven en de Korenhalmen.

OIDIPOES
Vele grote mannen zijn moordenaars geweest. Maar in de geschiedenisles zijn het helden en heiligen.

HET ORAKEL
Maar jij, jongetje, zal de kroon spannen. Je zal de moordenaar worden van je eigen vader.

OIDIPOES
Omdat hij het verdiend heeft?
Omdat hij er om vroeg?

HET ORAKEL
Nee.
(Oidipoes gaat van het Orakel weg.)
Ga niet weg. Nog niet.
Begin nog niet te janken.
Daar heb je nog alle tijd voor.
Er is méér. Erger.

OIDIPOES
Wat kan er méér zijn, erger?

HET ORAKEL
Jongetje, weet je wat de liefde is?

OIDIPOES
Van horen zeggen. Op de speelplaats.

HET ORAKEL
Je zal de liefde kennen, haar lichte lachjes,
haar krolse sprongen, haar donkere wet.

OIDIPOES
En is dat niet goed?

HET ORAKEL
Maar met je moeder. In haar klamme bed.
Haar buik, waarin je in een buidel zat
negen maanden lang, zal je berijden als een man.

(Het Orakel verdwijnt in het korenveld.)

HAIMON
Was dit het vertelsel? Het raadsel?

OIDIPOES
Ja, dat zei zij.
Zij was mooi als de dageraad, als de zon.

EURYDIKE
Wat deed je toen?

OIDIPOES
Ik ben gevlucht uit ons provinciestadje, want ik wou mijn vader en moeder niet meer onder ogen komen.

MENOIKOS
Waarom niet?

OIDIPOES
Ik schaamde mij. En ik was bang.
Ik geloofde het sprookje.

EURYDIKE
En heb je ze niet meer teruggezien, je ouders?

OIDIPOES
Nooit meer.

HAIMON
Nooit meer van gehoord?

OIDIPOES
Soms vertelde een reiziger uit die streek me over hen.
Mijn vader verliest zijn tanden en zijn haar.

EURYDIKE
En je moeder?

OIDIPOES
Die maakt mijn vader's eten klaar en zijn bed.
Elke keer vroegen zij naar nieuws over mij.
Zij durven niet hierheen te komen.
Omdat ik het hun verboden heb.

MENOIKOS
Dat is slim. Zo kan er niets gebeuren.
Dan is er niets te vrezen.

KREON
Zei zij niets anders, niets meer,
die dageraad, die zon?

(Het visioen van het Orakel in het koren verschijnt opnieuw.)
(Op dezelfde vriendelijke toon, alhoewel iets gelatener, spreekt het Orakel in het Grieks.)
(Antigone en Ismene vertalen.)

ANTIGONE
Je geboorte.
Je wellust.
Je dood.

ISMENE
Je vrees,
je verlangen,
je glorie
I
ANTIGONE
zullen zich vermenigvuldigen in oorlog.
Oorlog met jezelf.
En met je kinderen.

ISMENE
En zij, op hun beurt zullen zich in oorlog vermenigvuldigen en zichzelf verwoesten en hun kinderen, enzovoort.

(Het Orakel verdwijnt.)
(Oidipoes schudt die infantiele hallucinaties van zich af, hij richt zich op, beslist, hard.)

OIDIPOES
Kinderen van Labdakos!
Kreon, Eurydike, Haimon, Menoikos
en jij, lokaste en Polyneikes, Eteokles,
Antigone en Ismene, luistert.
Een koning zit niet blij op zijn troon.
Hij zit op een klip, in hagel en wind.
Zelfs de lichtste bries van de branding
verschroeit zijn gezicht.
Niemand beschermt hem, alleen een koning kan beschermen, zichzelf en zijn voorvaderen.

LAÏOS
Bescherm mij dan, zwetser!

OIDIPOES
Ja.

LAIOS
Geef me de eer die mij toekomt, worm!

OIDIPOES
Ja.
Het lijk van Laïos werd niet beschermd of geëerd,
het lijk van Laïos werd schandelijk vergeten,
want zijn vuige moordenaar loopt vrij .
Daarom moet die man gevonden worden
vóór dat de avond valt.

(Door zijn allure en zijn opzwiepende tekst aangestoken valt de familie hem bij. Elk familielid vult op zijn beurt aan. Naar een crescendo toe.)

OIDIPOES
Hij moet gezocht worden...

FAMILIELID
...in de grotten, tussen de rotsen...

FAMILIELID
.in de velden...

FAMILIELID
...in de plooien van de aarde.

OIDIPOES Hij moet opgejaagd worden...

FAMILIELID
...als een everzwijn.

OIDIPOES
Niemand mag hem een homp brood geven.

FAMILIELID
Of een druppel water.

OIDIPOES
Geen bed voor die man in de nacht.

FAMILIELID
Geen huis in de vrieswind.

FAMILIELID
Geen vuur voor de kou in zijn gebeente.

FAMILIELID
Geen vrouw voor zijn lust.

FAMILIELID
Hij mag niet eens met dieren paren.

OIDIPOES
Geen genade voor die man!
Bij het licht van de aarde, bij de kolken van de zee,
bij mijn huis en mijn bed en mijn kinderen,
die man moet hierheen gebracht worden.

FAMILIE
(samen) Voor jouw ogen!

OIDIPOES
En eigenhandig zal ik de hand die Laïos heeft geslagen afhakken. De man zal leegbloeden als een zwijn.

FAMILIE
(samen) Ja! Voor jouw ogen!

(De tafel wordt opzij gezet.)
(De maaltijd is voorbij.)

OIDIPOES
lokaste.
Die man van jou, die wij nu zullen wreken...

IOKASTF
Praat niet over hem. Vind zijn moordenaar, maar haal zijn lijk niet boven. Niet tussen ons.

OIDIPOES
Is je verdriet zo groot als je aan hem denkt? — Het is jaren geleden.

IOKASTE
Het is als gisteren.

LAIOS
De heks doet alsof zij rouwt.
Zeg het hem, dat je me haatte als de pest.

IOKASTE
Oidipoes, dat lijk, die man, haatte ik als de pest.
Ik kon zijn lucht niet verdragen.
De gedachte aan Laïos doet mij braken.

LAÏOS
Braak dan. Bevuil je nest!

OIDIPOES
Was hij niet goed voor jou?

IOKASTE
Is dat een reden om iemand te beminnen?
Integendeel. De natuur heeft mij zo gemaakt dat ik alleen kan beminnen in tegenspoed, in kramp, in kwaad.
Het andere beminnen, tederheid, genegenheid, behoud ik voor mijn kinderen.

OIDIPOES
(glimlachend) En voor mij.

IOKASTE
En voor jou. —
(Streelt hem even)
Jij bent mijn groot kind.
(Stilte.)

(Laïos gaat naar lokaste, streelt haar. Dit is het verleden. Zij schudt hem van zich af.)

IOKASTE
Je stinkt.

LAIOS
Ik ben net in het bad geweest, ik heb mijn haar gewassen. Ruik je de badolie niet?

IOKASTE
Al zat je de hele dag in het bad te soppen dan nog raak je de lucht niet kwijt van de jonge jongens die je hebt verleid.

LAÏOS
Een god was het die deze geile drang in mijn lichaam heeft geplant, die ziekte die daar woekert ...

IOKASTE
...en die je gelukkig maakt, geef toe.

LAÏOS
Alleen in de verblinding van mijn lust, als ik hen streel, hun nekhaar, hun vlakke borst...
Maar het is een te snelle verzadiging. lokaste, jij alleen onder de vrouwen, wekt in mij het verlangen naar een vrouw.

IOKASTE
(schamper) Hoe wil je me nemen? Als een jongen?

LAÏOS
Als een vrouw.

IOKASTE
(bitter) Je hebt het gedaan.

LAÏOS
(verbijsterd) Ik? Wanneer?

IOKASTE
(hard) Ik verwacht een kind.

LAOS
(idem) Jij! Hoe kan dat?

IOKASTE
(idem) Ben je vergeten dat je mij dronken hebt besprongen in mijn slaap? Weet je 't niet?

LAÏOS
Ik was dronken...
(Wendt zich af van haar)
Het zou mij blij moeten maken. Een andere man zou nu dansen, brullen van vreugde. Maar het is een vloek ...
(Weg van het verleden nu.)
Een vloek die mij achtervolgt tot in de dampen van de dood!

OIDIPOES
Wat dacht je toen je wist dat je een kind verwachtte?

IOKASTE
In het begin, toen ik er aan dacht hoe het verwekt was, zonder verlangen, tegen elke wet, moest ik braken van weerzin en van woede.
Daarna, een half jaar later, streelde ik mijn gezwollen buik, mijn pijnlijke flanken en ik dacht:
(kijkt Oidipoes doordringend aan) 'Hij is van mij, van niemand anders.'

OIDIPOES
En toen het geboren werd, het kind?

IOKASTE
(idem) Toen het er lag, gerimpeld, glimmend, bebloed, zocht ik naar de gelaatstrekken, de lichaamsbouw, de sporen van mijn man. En vond ze niet! Toen niet en later niet! — Alsof dit kind alleen uit mij ontstaan was, meer dan een deel van mezelf, alsof ik mezelf zou overleven, in hem.

OIDIPOES
Was het een jongetje?

LAÏOS
Ja! Een man! Een koning!

OIDIPOES
Wat is er mee gebeurd?

IOKASTE
Hij heeft mijn kind gestolen uit zijn wieg, 's nachts, het had mijn melk nog op zijn lippen.
Hij propte het in een koffer
en reed er mee weg, op zijn schimmel in de bossen
waar hij een houthakker ontboden had
die het onthoofdde met zijn bijl.

LAIOS
Omdat ik mijn geslacht in mij wou laten sterven!
Het zieke zaad! De ontaarde kiemen!
Het vervloekte merg!

IOKASTE
(tot Laïos) Had dat dan eerder gedaan. Voordien.
Vóór die aanslag in het donker op mijn lijf!
Maar daar was je te bang voor, te laf, te zeer gehecht aan dat miskraam van jouw leven.

LAÏOS
Ja.
Maar ook omdat ik wist dat ik een of andere morgen gestraft zou worden, dat mijn lichaam zou moeten boeten voor zoveel zieke vreugde.

IOKASTE
(tot Oidipoes)
Die dag, toen de zon begon te zakken achter de rotsen terwijl het regende, wachtte ik op hem, op Laïos. Terwijl ik anders nooit aan hem dacht, wanneer hij naar huis zou keren, of in welke staat.
Maar die avond was er een regenboog.
Ik wist dat mijn gebed verhoord was.

OIDIPOES
Welk gebed?

IOKASTE
Elke nacht bad ik het als hij dronken, zwetend, als een zoutzak in ons bed was gezakt, en ik naar dat snurkend hoofd op het hoofdkussen keek, naast mij.

OIDIPOES
Welk gebed?

IOKASTE
Dat hij zou sterven.

(De moord op Laïos wordt op het achterplan verbeeld door twee figuren die Laïos en Oidipoes voorstellen. Laïos rijdt op een witte hengst. Oidipoes verschijnt. De ruiter wil niet uitwijken. Oidipoes rukt hem van zijn paard, slaat hem dood.)

(Het Orakel komt naar lokaste.)

IOKASTE
Toen kwam een dienstmeid aangelopen, ik wist het, (juichend), mijn hart sloeg tegen mijn ribben, ik wist het.
(Het Orakel zegt iets in het Grieks over een ongeluk)
De dienstmeid zei dat ze hem gevonden hadden in een opening van het bos, leeggebloed!
(lokaste omhelst het Orakel hartstochtelijk.)
Toen ben ik in het bad gegaan, een uur lang in het schuim, ik durfde niet te zingen, maar ik zong:
'Nu begint mijn echte leven'.
(Streelt Oidipoes) En dat was jij.
Jij, die mijn vader bent en mijn broer en mijn man en mijn minnaar en... mijn kind.
(Zij knielt voor Oidipoes, wast zijn voeten.)

(Zij fluistert als tegen een kind)
Wie heeft er vier voeten?

OIDIPOES
(medeplichtig) Ik?

IOKASTE
Ja, jij, als je mijn kind bent
en je kruipt als een hondje. —
Wie heeft er twee voeten?

OIDIPOES
(idem) Ik?

IOKASTE
Ja, jij, als je voor me staat
met je benen gespreid en ik kus je stengel. —
Wie heeft er drie voeten?

OIDIPOES
(idem) Ik?

IOKASTE
Ja, jij, als wij samen oud zullen worden.
Wij wandelen en je steunt op een wandelstok,
je derde voet.

(Vanuit de voetwassing en liefkozingen ontstaat hun liefdesnacht. Alle andere figuren hebben een wijd wit doek over het hele toneel uitgespreid: het bed van Oidipoes en lokaste. De familieleden bereiden het bruidspaar voor, leiden hen naar het bed. Bij de paring lijkt het alsof de wereld vergaat, dat alle natuurelementen losbreken. Een orkaan licht het witte doek op. Op het einde hangt het doek in de lucht, en op één rij verschijnen de vier kinderen van Oidipoes en lokaste.)

LAÏOS
En hij heeft zonder schaamte, zonder wroeging,
zonder enige kwelling,
verder het veld van mijn vrouw doorploegd
en uit zijn stengel schoten:
(wijst ze aan) Eteokles, Polyneikes, Antigone, Ismene.
Mijn trots en mijn vloek,
de kinderen van mijn kind!

IOKASTE
(in de stilte van het post-coïtum) Waar denk je aan?

OIDIPOES
Aan de stad.

IOKASTE
Het is herfst en de mensen vallen als bladeren.

ETEOKLES
De panters in de dierentuin zijn gestorven van de honger.

POLYNEIKES
De mensen dwalen in de straten. Zij zijn kaal, zij hebben schurft.

ANTIGONE
Hondsdol van de honger.

ISMENE
Wij hebben zelf ook weinig voorraad.

IOKASTE
Waar denk je aan?

OIDIPOES
Dat ik, en ik alleen, de schuld draag voor het ongeluk van de stad.

IOKASTE
(snauwend) Schei uit.

(Het Orakel zegt de Griekse tekst die zij in het korenveld zei.)

LAÏOS
(vlakbij Oidipoes) Hoor je haar?

OIDIPOES
Wat moet ik met dat zot spook,
die dienstmeid van de dromen,
dat koor dat bazelt in het koren?

LAÏOS
De waarheid.
Je verkondigde toch zelf dat zij te achterhalen was?

(Laïos knielt voor Oidipoes, streelt zijn voeten.)

Na al die tijd zijn de enkels nog gezwollen.
Ja, het zijn deze voeten, die je vrouw gewassen heeft, gelikt heeft in bed.
Ik heb er zelf gaten in geslagen met verroeste spijkers.

OIDIPOES
Jij?

LAÏOS
Ik.

OIDIPOES
Waarom deed je dat?

LAÏOS
Omdat ik je vader was.

(Stilte.)

OIDIPOES
(met een onzeker lachje) Mijn vader is een kale,
tandeloze grijsaard, die af en toe wat slordig
naar de billen van de meiden tast,
hij eet te veel, hij slaapt te veel,
hij woont ver weg.

LAÏOS
(abrubt: sic: KK) Genoeg geleuterd en rond deze beerput gedraald.
Het deksel moet opgelicht.
De walmen slaan al om je heen.

KREON
Zeg, weet je nog, die dag, Oidipoes, dat je in onze stad aankwam?
Ik begroette je op de marmeren trap, ik heb je toegesproken tijdens het diner, en in mijn bureau hebben wij die nacht aan jou de macht overgedragen, en beklonken met champagne. Dom Pérignon, weet je nog?

IOKASTE
Ik zat er bij, bij de hoge heren van de regering
en ik keek naar je voeten,
zij knalden uit je gelakte schoenen.
Hoe had ik je voeten niet kunnen herkennen?

LAÏOS
Jij, en jij alleen, bent het die de lucht van dit land verpest. Om jou kotsen de kinderen dagen lang.
De stank van de schuld zit in je kleren.

OIDIPOES
(onder de druk van dit crescendo) Mijn voeten... de schuld, de macht... een vader die een andere vader
(Schreeuwt) Tiresias, ziener, dit is de laatste maal
dat ik het vraag. Ontwar deze strikken.
Breng hier licht, het sterkste licht!
Of ik zweer het, ik laat je ter plekke vierendelen.

TIRESIAS
(aarzelt, zegt dan tegen Manto) (mummelend tussen zijn spullen) Geef me zwavel, zout en kwikzilver.
(Maakt magische tekens, snuift dampen op, slaat wartaal uit.)

MANTO
(vertaalt) Vanuit de poriën van de aarde
stijgt een bittere walm. De waarheid.

TIRESIAS
(loopt tussen de aanwezigen, haalt er enkele naar voren, plaatst ze in een cirkel)
Eteokles, Polyneikes, Antigone, Ismene, Haimon, Menoikos.
En jij, Manto, jij ook.
Alleen de kinderen.
(Terwijl hij kabbalistische tekens maakt, brengt hij de kinderen in trance.)

TIRESIAS
Zoals het zaad zeven uur in de baarmoeder moet blijven,
zoals na zeven maanden tanden ontstaan in de mond
die er na zeven jaar uitvallen,
zoals de zee zich terugtrekt in de zevende dag van de maand,
zeven korenaren, zeven plagen, zeven jaren van
hongersnood... (Fel) Spreek, zeven kinderen!

(De kinderen spreken bijna emotieloos, in een coma)

MANTO
De waarzegster zei tot Laïos:
'Zorg dat je nooit een kind krijgt
want het zal jou de kop inslaan.'
lokaste baart een zoon,
Laïos beeft als een espeblad.

ETEOKLES
Laïos stijgt van zijn hengst.
Hij smakt het kind in de struiken,
hij wil wegrijden, hij komt terug,
hij nagelt het kind vast met spijkers in de rots.
De zon komt op. Het is de heetste zomer sinds jaren.

POLYNEIKES
De houthakker vindt het kind, maakt het los.
Het is uitgemergeld, het ademt met moeite.
Hij brengt het kind bij Polybos.
Deze snikt van vreugde, want totnogtoe kon hij geen kinderen krijgen.
Polybos omzwachtelt de voeten van het kind.
Een voedster wordt er bij gehaald.

ANTIGONE
Oidipoes is een wilde jongen.
En dan een lastige, opvliegende, grillige man
want hij heeft geen vrouw.
In het bos. In het bos. In volle daglicht.
Een ruiter komt aan. Wil niet uitwijken.
Zij schelden, schreeuwen, Oidipoes en de ruiter.
Oidipoes rukt de ruiter van zijn paard en
slaat hem dood.

ISMENE
Het lijk is wit.
De horzels zwermen rond het bloed
dat stolt in zijn mond.
Het lijk is Laïos.

HAIMON
Oidipoes gaat naar de stad en wordt daar
ontvangen als een koning.
Hij bekleedt de hoogste ambten,
die van Kreon.
Omdat de mensen denken dat hij een leider is
die weet hoe het moet.

MENOIKOS
Hij kijkt in lokaste's ogen als een minnaar.
Hij kust haar borsten als een man.
Hij wrijft zijn dikke paarse enkels
tegen haar slanke, blanke voeten.
Hij dringt in haar warme plooien.

(Stilte. De trance is doorbroken.)

OIDIPOES
Dit is het. Het familieverhaal, het sprookje.
De nachtmerrie in mijn klieren,
die nu aan het licht gekomen is,
het sterkste, meedogenloze licht.

(De grote Oidipoesschreeuw. Ja, die van 2000 jaar theater.)
(Stilte.)

Wat moet ik doen? Ik moet iets bedenken.
Denk, kind. Kind van haar.
Ik mag niet sterven. Mijn dood moet elke dag
opnieuw herhaald worden, anders is er geen boete,
zij moet mijn misdaad waardig zijn,
een ellendig lange boete.
Licht. Méér, méér licht voor wie zo schuldig
in het donker zat.
Want het zonlicht was zwart toen ik hem sloeg,
het daglicht was nacht toen ik haar beklom.

(Een lange batterij halogeenlampen daalt langzaam uit de nok tot vlak voor zijn ogen. De meedogenloze lichtsterkte verblindt Oidipoes.) (Zijn oogballen smelten.)

Dit was het. Het duister is nu voorgoed mijn huis.
Dit is een straf die mij bevalt.
Ik wandel in mijn graf,
en proef het slijm en het bloed van mijn ogen.
Wat ik nu betast, wat mijn vingers nu zien,
het is mijn enige, mijn waarachtige gezicht.

IOKASTE
(streelt zijn gezicht)
Ik heb dit gezicht gemaakt.
Het is het mijne.
(Neemt zijn handen, legt ze op haar buik)
Voel. Dit is je huis geweest, als minnaar en als kind.
(Op haar onderbuik)
Dit was de groeve die je streelde, mijn man.
Hier ben je naar buiten geklauwd, mijn jongetje.
(Op haar borsten)
Hier beet je met je tandeloze lippen de eerste maanden, hier raspte je stoppelbaard langs het zachtste vel.
(Wendt zich af) Laïos!

LAÏOS
lokaste.

IOKASTE
Ben je tevreden? Is het genoeg?
Is je wraak uitgeblust?

LAÏOS
Er is nog een honger in mij. Naar méér.

IOKASTE
Ben ik het die nu die geeuwhonger moet stillen?
Moet ik nu boeten voor jouw winderig lijk?

LAÏOS
Ja.

IOKASTE
Hoe?

LAÏOS
In wat je nog het dierbaarst is.

IOKASTE
Mijn kinderen!—Wanneer?

LAÏOS
Nog niet. Maar gauw.

(lokaste rent naar haar kinderen. Antigone duwt haar opzij, komt bij haar vader, neemt zijn hand.) (Lange stilte.)

KREON
Het zou voor ons, en voor de stad, wenselijk zijn als hij, in deze staat, een tijdje wegbleef uit de herinnering van de mensen.

HAIMON
(die bij Antigone en Oidipoes kwam)
Waarom?
Hij heeft zijn schuld uitgeboet.

MENOIKOS
Zijn boete is erger dan de dood. Het is je dood herkauwen als een koe.

EURYDIKE
Jongens, raak de man niet aan.
Hij is besmettelijk.

OIDIPOES
Was dat Menoikos die sprak, de jongste van Kreon?

MENOIKOS
Ja.

OIDIPOES
Die zich met vliegers en vliegtuigen bezighoudt?

MENOIKOS
Ja.

OIDIPOES
Je zal vliegen, Menoikos.

MENOIKOS
Dank je, oom.

POLYNEIKES
Hij is niet alleen blind als Tiresias,
hij doet ook voorspellingen.

HAIMON
En ik, oom, wat zal ik doen?

OIDIPOES
(in-triest) Jij, je zal beminnen.

HAIMON
Dank je, oom.

IOKASTE
En je eigen kinderen, wat staat er hun te wachten?

OIDIPOES
Het is te dichtbij om het te vertellen, het is te zwart,
zoals het gitzwart gat waarin mijn ogen branden.

(Stilte.)

KREON
Hoe gruwelijk het lot ook heeft toegeslagen,
wij moeten ons schrap zetten, ons beraden en
onze handelingen niet laten drijven op verdriet.
Nu vooral niet.
Er moet geordend worden, geredeneerd. Tranen
verblinden onze blik die gericht moet blijven op
de toekomst van deze familie. En van de stad.

ETEOKLES
Nu hij uitgeschakeld is...
moet het duidelijk worden wie...

POLYNEIKES
. . .in aanmerking komt voor. . .

ETEOKLES
.. .wie hem opvolgt...

POLYNEIKES
...dat moet snel beslist worden...

ETEOKLES
...anders ontstaat er...

POLYNEIKES
...chaos, verwarring...

KREON
Volgens de wet kan niemand anders dan de regerende zijn opvolger aanwijzen.

POLYNEIKES
Maar jij, Kreon, gezien zijn staat...

ETEOKLES
...jij kunt toch helpen, begeleiden bij het aanwijzen...

POLYNEIKES
.adviseren?

KREON
Zoek het zelf uit. De regerende beslist.

POLYNEIKES
(gaat naar Oidipoes) Ik heb hard gestudeerd, dat weet je, economie, sociale wetenschappen, alles wat nodig is. In het buitenland. Ik heb de verhoudingen onderzocht tussen de klassen, de mensen, de zeden, de gedachten...

KREON
... Die zijn veranderlijk. En niet relevant wanneer het om besturen gaat.

ETEOKLES
Ik heb een neus voor corruptie, voor verraad
in alle kringen. Wat de staat belaagt, dat
ruik ik als het angstzweet van een moordenaar.
Niemand zal strenger zijn dan ik als het
om de leiding gaat van een evenwichtige staat.

KREON
Regeren is bijna autonoom geworden, onoverzichtelijk.
Het woekert in zovele geheime vertakkingen.
Het vereist meer dan kordaatheid.

ANTIGONE
Het bloed over zijn wangen is nog niet geronnen.
Het glinstert nog. En reeds scheuren zij zijn kleren.

ISMENE
Waarom zo nodig willen regeren?
Waarom veegt iedereen zijn eigen drempel niet,
kookt zelf zijn potje, verzorgt zelf zijn tuin?

HAIMON
Je hebt gehoord wat je vader zei?
Ik zal beminnen.

ANTIGONE
Later, Haimon. Nu niet.

ETEOKLES
(die net als zijn broer bij zijn vader staat te wachten)
Waarom zegt hij niks?

POLYNEIKES
Jij moet beslissen, vader.

ETEOKLES
Hoor je mij ? Ik ben het, Eteokles. Je juichte, je brulde
toen ik de 100 en de 400 meter won, toen ik voorbij-
marsjeerde aan het hoofd van mijn peleton.
Je zei vaak dat ik een geboren leider was.

POLYNEIKES
Toen je nog in een leven was
dat zien en onderscheiden kon
tussen een bruut en een bestuurder
zei je dat ik het meeste op jou leek,
listig, handig was als jij.

ISMENE
(komt bij de familie van Kreon)
Zoals die jongens vader lastig vallen met hun
geëtter over wie baas mag spelen of niet...
Ik wou dat ik bij jullie familie hoorde,
beveiligd tegen die nonsens.

ANTIGONE
Voor mijn part kan vader beter een muntstuk opgooien. Kruis of munt.

EURYDIKE
Dit is mijn enige vreugde, dat mijn kinderen
deze wrede koorts niet kennen,
tevreden zijn met wat in hun bereik ligt,
voor Haimon is dit Antigone,
voor Menoikos ... zijn onschuldig speelgoed, zijn vliegers.

KREON
(tot Eteokles en Polyneikes)
Niet zo ongeduldig. Het lot zal beslissen, hoe dan ook.

ETEOKLES
Niks lot. Niks voorbestemming.
De oude man moet het zeggen.

POLYNEIKES
Precies. Wie van ons tweeën het meest geschikt is,
dat kan je afwegen. En dat moet vader doen.

OIDIPOES
(heftig) Ik moet niets doen!
Horen jullie dat, bloedhonden
die daar, geil naar de macht, staat te snuffelen
aan de resten van mijn gezag
en zonder enig recht wilt triomferen
over de staat van onze stad. Dit gehijg,
dit obsceen gescharrel naar de macht,
het is de onnozelste van alle driften,
want waarover regeer je? Over niets dan de
kwalijke lucht die mensen uitblazen als
ze begerig happen naar elkaars bezit of
naar elkaars droom van bezit.
Daarom is mijn antwoord: dit. (Hij rochelt en spuwt)
Wie heb ik getroffen? Ben jij het, Eteokles?
Veeg je nu je gezicht af met je mouw?
Of was het Polyneikes? Die zo nodig op mij wou lijken?
Lage, kwijlende kefhonden, ga weg,
ga elders knagen aan de rubberen speelgoedbotjes
van de macht.

KREON
Toch zal je moeten kiezen, Oidipoes.

OIDIPOES
Ik heb mijn deel gehad. Mijn deel gedaan.
Ik wil hier weg.

ANTIGONE
Ik zal je leiden, vader. Steun op mijn schouder.
Zachtjes aan.
Jij ook, Ismene; neem zijn andere hand.

OIDIPOES
Doem is over mij gedaald door de twee vrouwen
die één en dezelfde waren,
zij die mij wierp
en zij die mij in bed verwende.
Misschien dat nu mijn zwarte dagen
bedaard zullen worden door de twee vrouwen
die mijn twee dochters zijn.

ISMENE
Waar wil je dat wij je brengen, vader?

OIDIPOES
Weg van hier. Tot aan de poort.
Dan zal ik alleen de pestlucht buiten trotseren.
Op straat zal ik de lijken van paarden en mensen
niet zien, alleen ruiken.

ANTIGONE
Wij gaan met je mee.

OIDIPOES
Nee.
Ik zal me terugtrekken. In een klooster. In een hut.
Of in een caravan op de rand van een rots
zodat ik de zee kan horen.
Een huurmoordenaar mag me daar
op het onverwachts van de klippen gooien.

(Eteokles en Polyneikes versperren hem de weg.)

ETEOKLES
Zo makkelijk raak je niet weg, oude man.

POLYNEIKES
Je kunt je plicht niet zo maar vergeten, vader.
(Oidipoes kermt zachtjes.)

ETEOKLES
Vergeet dat je een vader bent, huilebalk,
en zeg wie van ons je verkozen hebt.

POLYNEIKES
Je hoeft ons niet te zien, blinde vink.
Je hebt nog een stem. Je moet stemmen.

OIDIPOES
Kreon!

KREON
Ik was mijn handen.
Dit behoort tot jouw rechten en jouw plichten.
Ook nu. Nu nog.

POLYNEIKES
(omdat Oidipoes weer kermt)
Wil je, durf je geen naam uitspreken?
Steek dan je hand uit en raak hem aan,
je lievelingszoon.
Hier sta ik, Polyneikes.
En naast me, rechts, staat de andere.

OIDIPOES
Zo hoort het. Dit is de nieuwe wet,
die van het lot van de duisternis.

(Hij komt naar voor. Steekt zijn hand uit, heeft bijna de onbeweeglijke Polyneikes geraakt, als Eteokles zijn broer opzijduwt en zijn borst tegen Oidipoes' hand stoot.)

ETEOKLES
(juichend) Mijn vaders hand heeft mij aangewezen,
aangeraakt. De wet. Ik ben de heerser! (Fanfares.)

KREON
(tot de verbijsterde Polyneikes)
Je was niet sterk, niet snel genoeg.
Daaraan herkent men de heerser.

POLYNEIKES
Is hij het? Die hondsvot, die homp vet?

KREON
Het gebeurde waar je bij was, onder je neus.
Zo werkt de wet.

OIDIPOES
Ik prijs me gelukkig
dat ik de holle hoogmoed niet moet zien
van het verwaten ding dat nu regeren zal
noch de stomme woede van de andere
die buiten de prijzen viel.
Die tweeling zal geen rust op aarde kennen
voor ze elkaar hebben gekeeld en uitgebeend.
Adieu, mijn zonen,
adieu, blaaskaken, die zo trots
wat tussen jullie benen zwengelt
verheft als vlezige scepter,
als teken van mannelijke heerschappij.
Ik verdwijn uit jullie nachtmerrie
en ga met deze twee lieve merries,
de enige vrouwen waar ik nog recht op heb,
mijn dochters, naar mijn nieuw donker land.

(Hij begeeft zich naar het achtertoneel waar hij geruime tijd onopvallend en hulpeloos vertoeft. Dan daalt er langzaam een kooi uit de nok die er uit ziet als een serre met planten, twijgen, en tortelduiven. Het Kolonos van Oidipoes. Hij kruipt in de kooi.)

IOKASTE
Hoe onaangedaan laat ik hem gaan,
die mijn licht en mijn leven was.
Wat is hij nog? Een huls die wandelt.
De koning is dood, leve de koning!

ETEOKLES
(verheft zich, in totale machtswellust, bezeten-idioot)
Tot u spreekt thans de koning.
Deze koning zal rechtvaardig, dus onmeedogend zijn
voor eenieder die zich niet neerlegt bij zijn wet.
Wie verdacht wordt is schuldig
en wordt aangehouden, er is geen rook zonder vuur.
Deze koning zal thans de radiozenders bezetten
en de kazernes, de grenzen sluiten
en zijn vlaggen hangen aan elk staatsgebouw,
aan elke bank, aan elke kerk.
Deze koning zal vanaf zijn balkon
geestdriftig en onvervaard zijn volk toespreken.
Hij zal het parlement, de scholen, de ziekenhuizen
bezoeken waar men hem zal toejuichen en terecht.
In het labyrint van compromissen en combines
zal deze koning de sjacheraars opjagen en vangen.
Hij zal duidelijk dodelijk zijn voor eenieder die
zijn koninklijke verordeningen overtreedt.

KREON
(tot Polyneikes)
Men kan zich afvragen of het wenselijk is
dat de macht aan die man toekomt.

POLYNEIKES
Wat bedoel je?

KREON
Is je broer wel, vraag ik mij af, de geschiktste man?

POLYNEIKES
Natuurlijk niet. Maar hij werd, hoe verraderlijk ook, aangewezen.

KREON
Ja, maar door iemand die niet verantwoordelijk was voor zijn daden.

POLYNEIKES
Hij zal geen jaar regeren. Zijn zetel wankelt al voor hij er in gaat zitten.

KREON
In een jaar kan onherstelbare schade aangericht worden.

POLYNEIKES
Waar stuur je op aan?

KREON
(peinst) Jij, Polyneikes, gelooft in de vooruitgang ...

POLYNEIKES
... maar ook in het politieke spel dat de vooruitgang bevordert.

KREON
Je gelooft in de demokratie van de massa ...

POLYNEIKES
... maar eveneens in het nut van een technische elite.

KREON
Je bent internationalist ...

POLYNEIKES
... en tegelijkertijd gehecht aan mijn land.

KREON
Je hebt geen illusies ...

POLYNEIKES
... maar ik geloof toch in de emancipatie van de mens.

KREON
Nou dan?

POLYNEIKES
Wat nou dan? Er is de wet.

KREON
Als er een dergelijke nood is, een zodanig gevaar als ons nu bedreigt, dan zijn er uitzonderingswetten, krijgswetten ... of, of, of ... nee, (peinst) nee, daarvoor ben je niet sterk, niet snel genoeg.

POLYNEIKES
Waarvoor?

KREON
Voor een godsoordeel. Een tweegevecht.

POLYNEIKES
Ik ben sneller dan zijn bruut geweld.

KREON
Nou dan.

POLYNEIKES
(roept) Broeder!

ETEOKLES
Noem me: Majesteit.

POLYNEIKES
Broeder, je hebt lang genoeg geregeerd.

ETEOKLES
Wat? Ik heb nog niet eens mijn staatsiepak gepast.

POLYNEIKES
Broeder, ik betwist de arbitraire beslissing genomen door de epileptische vingers van een invalide, en ik beroep me op het recht van elk kristen, namelijk: een godsoordeel.

ETEOKLES
Wat betekent dat?

KREON
Tiresias!

TIRESIAS
(zeer snel)
Ordalium, de godheid wijst de schuldige aan
en voltrekt het vonnis in één adem,
ordalium, zowel buitenrechterlijk als in rechte,
ordalium, tweegevecht, dat de onschuldige voor kwaad behoedt.

ETEOKLES
(gretig) Een tweegevecht?

KREON
Opdat de godheid de waarheid tone!

ETEOKLES
(superieur lachend, tot Polyneikes)
Je weet wat je jezelf aandoet, broertje.

POLYNEIKES
Klets niet. Maak je klaar.

(Een enorme stalen plaat daalt over de hele breedte van het toneel: het slagveld. De broers trekken hun gevechtsuitrusting aan, een mengsel van ijshockey-uniformen en harnassen. Hun wapens zijn stalen kettingen en staven. Zij dragen ijzeren schoenen.)

KREON
(wendt zich af) Dit heb ik niet gewild.

IOKASTE
(die de voorbereidingen volgt met afgrijzen en vertwijfeling)
Dit wil ik niet zien, niet horen.
Helse goden hebben dit bedacht als straf, nee,
boete, nee, ik word aan flarden gereten, nee, van
binnen, hier, waar er iets zit als een ziel, nee, ik merk
het nu, als een moederkoek die in brand staat in mij,
nee, de nageboorte van mijn schuld die in mijn ingewanden ligt te laaien, nee,
mijn gedachten zijn versplinterd, nee, kleurige glasscherven, wat wil ik nog?, wat moet ik?, nee.
(Stilte.) (Zij probeert haar hysterie te bedwingen.)
Op een rij.
De woorden. Wat er was. Wat er is. Op een rij. Ja.
God. Labdakos. Daar begint het.
Kreon is mijn broer.
lokaste heet ik, zo werd ik ingeschreven.
Het impotente varken met zijn nutteloze vlees,
dat was mijn man.
'Als je een kind krijgt, Laïos, dan word je door het kind gedood.'
Dat zei zij, de zigeunerin, met de witste tanden.
Die nacht. Hij duwde mijn knieën uit elkaar, ik sliep, hij pinde mij vast.
Die dag. Hij vluchtte op zijn schimmel met het kind.
Toen hij terugkwam loog hij. Hij had het laten onthoofden, zei hij. Niet waar.
De houthakker vindt mijn bewusteloos kind.
Polybos en zijn vrouw hebben het gered,
hebben het leren lopen, de eerste woorden geleerd:
moeder, vader.
Mijn kind.
Mijn kind, dat, o, dat verrukkelijke, lieflijk, onzinnig moment waarop mijn kind Laïos de nekslag gaf. En toen?
Toen werd mijn kind mijn minnaar. Ik voel hem nog in mijn liezen, in de gleuf, in de natte warmte.
Wij sliepen samen in het wijde bed. Zovele nachten.
En toen?
Toen kwam het licht van zeven zonnen en verschroeide zijn pupillen, en was hij niets meer.
Toen wees hij Eteokles aan.
Meer was er niet.
Het is niet genoeg. Nog niet.
Daar staan ze. Zij hijgen, zweten.
Het zaad van mijn kind, moordenaarszaad.
Zij hunkeren naar de geur van elkaars bloed. Nee.
Nee. Ik heb niets meer.
Ik ben als hij, mijn levende dode man, een huls waarin de organen verdorren door de zon van een god.
(Zij gaat naar Eteokles toe)
Mijn sterke beer, mijn wildebras.

ETEOKLES
lokaste.

IOKASTE
Je gaat naar het gevecht als naar een sportstadium.

ETEOKLES
Zo is het ook. De sterkste wint.

IOKASTE
Wat bepaalt wie gewonnen heeft?

ETEOKLES
Degene die overleeft.

IOKASTE
Zelfs wolven bijten elkaar niet dood.
Na twee happen uit de pels en na tekenen van
zwakte of onderwerping, laten ze hun rivaal los.

ETEOKLES
En de verliezer druipt af met zijn staart tussen de benen?
Is dat wat jij mij voorhoudt,
jij, de vrouw van een regeerder?
Al zou ik sterven in dit gevecht,
wat ik niet zal doen,
dan nog verkies ik dit ene ogenblik van glorie.

IOKASTE
Je bent altijd een domoor geweest.

ETEOKLES
Ik zal je lieveling—want dat is Polyneikes toch?—de kloten van zijn lichaam scheuren.

IOKASTE
Hij is mijn lieveling niet.

ETEOKLES
Ik dacht het.
Ben ik het dan? Je hebt het nooit gezegd.

IOKASTE
Nu wel.

ETEOKLES
Goed. Zodra hij aan mijn voeten ligt
en om genade voor zijn leven bidt
zal ik hem naar de keuken jagen,
hij kan er aardappelen schillen, de rest van zijn dagen.

IOKASTE
Dank je, mijn lieveling.

ETEOKLES
Dan kom ik naar jou toe, in je kamer.

IOKASTE
(gaat naar Polyneikes toe]
Mijn snelle vos, mijn slimmerik.

POLYNEIKES
Moeder.
Wat smoesde je daar met mijn broer in zijn hoek?

IOKASTE
lk heb hem overgehaald
om, zelfs in de hitte van het gevecht,
zijn slagen te milderen, jou geen pijn te doen.

POLYNEIKES
Je lachte naar hem als naar een mooie vreemdeling.
Je ogen blonken!

IOKASTE
Niet meer dan nu als ik naar je kijk,
mijn liefste.

POLYNEIKES
En je geloofde hem toen hij je dit beloofde?
Moeder, als ik hem niet dood, en snel,
dan doodt hij mij.
Heb je dat liever? Het liefst!

IOKASTE
Nee!

POLYNEIKES
Trek mijn riem wat strakker aan.
Dank je, mooie weduwe.
Alleen als hij mij op zijn knieën smeekt
zijn leven te sparen, zal ik erover denken.
Dan help ik hem overeind,
en gooi ik hem op de vuilnisbelt.
En kom naar jou.

(lokaste gaat naar het achtertoneel. Ismene en Antigone gaan naar de broers die zich niet aan hen storen bij de voorbereidingen van het gevecht.)

ISMENE
(bij Polyneikes)
Ik weet dat je het niet wil horen,
dat je een koppige muilezel bent,
maar ik zeg het je toch: Doe het niet!
Er is geen enkele schande als je nu weigert.
Hij zal je hart uit je lijf halen!
Doe het niet. Het is het niet waard, mijn broertje.

ANTIGONE
(tot Eteokles)
Mijn zegen heb je niet.
Al hou ik van jou als van een achterlijke broer
en kus ik je nu, misschien voor het laatst,
ik veracht je.
Want je ondergaat al te slaafs
de vervloeking van je vader, die je gebiedt te doden.
Waarom verzet je je niet tegen deze vloek?
Antwoord.

POLYNEIKES
(tot Antigone)
Als ik zou sterven, zusje,
begraaf me dan
zoals het betaamt,
met de eer die mij toekomt
als dode van het huis van Labdakos.

(Zij kust hem, huilt, knikt.)

KREON
Kinderen van de blinde!
Maak u klaar.
Bedenk dat de omstandigheden die u en ons allen
in deze hoek gedreven hebben
de wil zijn van een god, gedraag u daarnaar,
zet uw wrok opzij
en levert strijd, zoniet als broers,
dan wel als mannen van rang en stand.

ETEOKLES
Wij zijn geen padvinders, Kreon.

POLYNEIKES
Als je zo nodig voor scheidsrechter wil spelen zorg dan dat je op tijd uit onze buurt blijft.

ETEOKLES
(plots weer in zijn machtswaanzin)
Deze koning spreekt. En dit is zijn bevel:
Wat ook de uitkomst moge zijn van deze kamp,
Polyneikes, die mijn autoriteit heeft betwist
en zijn vunzig heil heeft gezocht in een godsoordeel,
en daarom zal sterven voor jullie ogen,
deze broer van de koning zal niet begraven worden
in de aarde, want de aarde behoort aan deze koning.
Het lijk van Polyneikes zal op de marktplaats hangen
en er rotten tot het tegen de keien valt.

(Het gevecht op leven en dood van de twee broers.)

(Naarmate het gevecht aan intensiteit wint ontstaat er onder de omstanders een krijgsgezang, waaraan iedereen deelneemt, en dat de barbaarse vechters opzweept.)

ALLEN
Geen schuld, geen angst, geen leven. Vergeet.
Lap het aan je laars, dit leven. Vergeet.

Je bent sterk als een beer. Je bent de oorlog.
Je bent snel als een slang. Je bent de oorlog.

Alle goden lachen. Hoor ze gieren.
Alle goden vechten. Hoor ze slaan.

Alleen je zusters bloeden. Jij niet.
Je vel is van leer.
Alleen je ouders kermen. Jij niet.
Op het veld van eer.

Je hebt geen vlees en geen bloed.
Je bent de ziel van de oorlog.
Je bent de zon op je wapen.

Een nekslag voor dit konijn.
Steek in de buik van dit zwijn.

Je wapen is warm.
Je wapen heeft dorst.

Lieveling, breek zijn ribbenkas.
Lieveling, splijt zijn hersenpan.
Lieveling, verf hem met zijn bloed.

(De twee broers hakken op elkaar in. Hun kansen wisselen. Tot Eteokles begeeft, sterft. Polyneikes verheft zich triomfantelijk maar stort meteen neer en sterft ook. lokaste heeft op het achtertoneel op een onopvallende manier zelfmoord gepleegd.
Als beide broers gestorven zijn wordt het lijk van lokaste in de lucht gehesen. Met gespreide armen en benen hangt zij boven het slagveld.)
(Na het gevecht heerst een grote verslagenheid.
Lange stilte.)

ANTIGONE
(mat) Lievelingen.

ISMENE
Waarom? Waarom toch?
Kan iemand mij dit zeggen? Alsjeblieft.

HAIMON
Is dit nu roem, eer, herinnering?

EURYDIKE
Als dit roem is, dan wil ik leven
als een ringworm in de donkere grond.

MENOIKOS
Dit is geen eer.
Hoe en wanneer je sterft moet je zelf bepalen.
Je broer moet dat niet doen,
noch wanhoop, noch een god.

KREON
De hoogste roem verdienen diegenen
die getracht hebben wijs te zijn.

ANTIGONE
Lievelingen.

(Stilte.)

ISMENE
Weet je nog, die man die 's nachts moest werken en overdag moest slapen, op de bank in een tweekamerflat, hoog in een woontoren? Hij was weduwnaar met drie kleine kinderen, die schreeuwden, jankten, diarree hadden, stoeiden. Hij kwam overeind van de bank, deed het raam open en gooide zijn kinderen naar buiten, één voor één en telde hardop: één, twee, drie.

ANTIGONE
Eteokles, Polyneikes, lokaste.

ISMENE
Toen de politie kwam, sliep hij op de bank.

(Stilte.)

EURYDIKE
Op een eiland leven. Alleen op het strand.
Vissen halen uit de zee, kastanjes roosteren.
Een briesje in de bomen.
Weg van iedereen. Vrij. Geen anderen.
Vergeten.

HAIMON
Of met zijn tweeën. Een klein fort dat je samen
bewoont en verdedigt tegen alle anderen.
In elkaar opgaan.

ISMENE
Daarvoor moet je die tweede vinden. Men zegt dat iedereen een tweelingsziel heeft, ergens op aarde.
Dat je hem meteen herkent, aan een blik, een beweging. Maar dan moet je hem wel tegenkomen.
Meestal loopt hij toevallig in een andere stad, een andere straat.

MENOIKOS
Weet je nog, die jongen op dat eiland, die vloog? Hij maakte een tuig met vleugels en veren en was en sprong van een rotstop en vloog.
Niet lang, maar de tijd van zijn leven, een tijd waarin hij blij was voordat hij spatte op het arduinen vlak van de zee.

KREON
(geërgerd) Wat een laffe smaak hebben jullie wensdromen! Op een eiland op het strand willen drogen als zeewier, vluchten met zijn tweetjes, een vallend herfstblad willen zijn.
Een herfstblad is een deel van een boom, en een boom een deel van het woud, en het woud staat in een staat en die wordt geregeerd! De industriële, technische, technologische hartslag van een staat, dàt is de droom.
Daarom, voordat het huis van Labdakos in zijn laveloze verdoving in mekaar zakt als een schuimtaart in de zon moet ik—hoe hatelijk het ook lijkt—deze familie wakkerschudden uit zijn voze hazeslaap.
Ik neem de macht over.
Iemand moet het doen.

ANTIGONE
(snerpend) De koning is dood, leve de koning!

KREON
Ik zeg niet: 'deze koning'.
Ik zeg: 'deze man die tracht wijs te zijn' en deze man wil niet overleven in de herinnering van de mensen als een machtsdolle vorst, maar als een bestuurder.
Deze man zal het onontwarbaar kluwen van geboorte, wellust en dood voor verdere verstrikte verwarring behoeden en verordent dat...

(Een vreselijk geluid van buiten, een amalgaam van gehuil, gehinnik, gebonk, metaal. Meteen verandert Kreon in een bange, oude man. In paniek lopen de personages heen en weer, zoeken bescherming bij elkaar, etc. Men hoort Laïos door het geluid heen.)

LAÏOS
Vogels staan in brand.
Paarden worden gekeeld,
mannen ontmand!

(Alleen Tiresias richt zich op en tracht het geluid te bezweren. Het geluid schijnt te reageren op zijn incantatie.)

TIRESIAS
Ik ben het kwikzilverwater van de vrouw,
de zwavel van de man,
verenigd in een blindheid die kijkt
door de muren van de tijd.
Zwart is mijn teken
maar ik ben eveneens het albast van Athena's bad.
Ik neem de schaduw niet voor het ding
noch de ring voor de vinger.
Wie heeft de brand aangestoken
in het nest van de jonge vogels?
(Het geluid stopt niet helemaal, blijft grommen.)

KREON
(kust Tiresias' hand) Dank, meester. In mijn naam en in naam van dit gezin.

(Tiresias huilt geluidloos.)

Wat is er?

(Tiresias gaat naar Menoikos.)

Je hebt ons gered, ziener, meester,
het onheil afgewend.

TIRESIAS
Voor niet lang.

LAÏOS
Niet lang. De windhoos van het kwaad
waait over de zee van het kwaad!

(Het geluid wordt weer sterker.)

KREON
(tot Tiresias)
Verhef je stem weer!
Sla dit onheil neer.
Het komt terug.
Is er geen middel om het kwaad te bezweren?

TIRESIAS
Jawel. Maar jij zou het niet willen kennen.

KREON
Toch wel.

MENOIKOS
Ik ken het middel.

EURYDIKE
Wat vertel je, Menoikos? Hou je stil.

MENOIKOS
En het middel bevalt me.

EURYDIKE
Wat is het dan?

MENOIKOS
(zingt een lied van Schubert)

TIRESIAS
(onderbreekt dit lied met heftige onverstaanbare taal)

MANTO
(vertaalt)
Eurydike, gooi een laken over die jongen
zijn hoofd, bind een muilband om zijn mond,
sluit hem op in de diepste kelders,
begraaf de sleutels in de tuin.

LAÏOS
Menoikos zal vliegen,
zeilen door de wolken!

EURYDIKE
Waarom? Wat wil je van hem?
Hij is niet schuldig. Hij is gesloten, eigenzinnig,
maar niet eens als kleine jongen op school
heeft hij ooit iemand kwaad gedaan.

(Het geluid wordt sterker.)

KREON
Tiresias!

TIRESIAS
Als je vrede wil, Kreon,
dan moet Menoikos sterven.

EURYDIKE
Eerder mag de aarde vergaan
door orkanen en vulkanen.
Eerder zal ik jou, Tiresias,
aan het spit rijgen en jouw dochter erbij.

LAÏOS
De doodzieke staat der mensen en de gekwelde aarde vragen om de modder en de mest van lijken.

KREON
Waarom iemand van mijn familie?

TIRESIAS
(lacht) Omdat je van de familie bent, van het huis van Labdakos, geboren uit de kaken van de slang!

EURYDIKE
Waarom Menoikos,
waarom Haimon niet?

ANTIGONE
(hard) Zo. Heb jij ook een lieveling?
Waarvoor je zijn broer aan mootjes
zou laten hakken?

EURYDIKE
Dat bedoelde ik niet.
(Schreeuwt) Ik wil zelf het offer zijn.
Geef mij een mes!

LAÏOS
Een jongen moet het zijn,
vóórdat zijn borst behaard is,
vóórdat hij de vrouw kent of verlangt.

KREON
Menoikos? Nooit.

EURYDIKE
(tot Menoikos) Wat doe je daar? (Hij brengt zijn modelvliegtuigjes op orde, schikt ze.)

MENOIKOS
Mijn spullen opruimen.

EURYDIKE
Dat doe ik wel.

MENOIKOS
Nee, laat mij.

EURYDIKE
Wat heb je? Jij, die altijd zo slordig bent,
je kleren op een hoop op de grond gooit.

KREON
Dit primaire bijgeloof, die aftandse sakramenten,
boete, schuld, aan de aarde offeren om het koren te
doen groeien, moeten wij daaraan geloven?
Ik weiger.

HET ORAKEL
(in het Grieks) 'En toen stierf Menoikos.'

MENOIKOS
(gaat naar een touw en klautert omhoog terwijl hij zingt)

EURYDIKE
Jongen, wat doe je daar? Kom naar beneden.
Meteen. Ik word kwaad, weet je.

MENOIKOS
Dit is het wat ik wou,
van toen ik zeven was.
Het valt mij niet zwaar.
Integendeel, licht als veren, vleugels.

EURYDIKE
Ga je een vliegtuig oplaten? Is dat het?
Doe het dan gauw en kom hier.

MENOIKOS
Moeder, weet je nog toen je me de leeuwerik aanwees.
Hij klom, hij klom,
ik wil geen leeuwerik zijn met een kap over zijn kop,
omdat hij dan beter zingt.
(Hij klimt steeds hoger, bereikt een rotsklip.)

EURYDIKE
Tiresias, hou dit tegen.
Jij hebt het opgeroepen, hou hem tegen!

MENOIKOS
Het is te laat, moeder.
Het was al te laat toen je mij verwekte.
(Hij springt van de rots en valt te pletter.)

EURYDIKE
Menoikos! (Stort zich op het lijk.)
Het bloed loopt uit zijn oren. (Zij kust hem.)
(Men wil haar weghalen van het lijk.)
Laat mij, ik wil er lucht in blazen.
(Zij ziet dat het hopeloos is, gilt en zakt in elkaar.)

(Stilte.)

KREON
Toen de zonen van Oidipoes elkaar de kop insloegen
was ik blij, zondig blij.
Waarom heb ik een dergelijke vreugde in mij laten
groeien, vertakken?
Mijn vreugde was het graf van mijn kind.
Ik moet blind, doofstom zijn voor mijn verdriet.

EURYDIKE
Mijn leeuwerikje. Toen hij klein was noemde ik zijn
schouderbladen zijn vleugeltjes. Het is mijn schuld.

KREON
Vrouw, hou op. (Huilt.)

EURYDIKE
Ik moet hem wassen, andere kleren aantrekken.

KREON
Nu de toestand van de stad enigszins... (stokt) moet ik voor de omroep spreken.
Dames en heren, nu de toestand van de stad enigszins opgehelderd is... (veegt tranen weg). Dames en heren, door de persoonlijke omstandigheden die mijn familie getroffen hebben ben ik verplicht mijn eerste rede als opvolger van Eteokles te beperken. Ik zal een goede bestuurder zijn. Ik zal trachten in de mate van het mogelijke... (stokt, herneemt) De rouw die mij...
(Terwijl hij spreekt krijgt Eteokles een snelle, plechtige begrafenis. Zijn lijk wordt op een draagbaar gelegd en omhoog gehesen.)
(Ineens hard) Dames en heren, Eteokles is gesneuveld. Zijn moed was legendarisch. Zijn eer was trouw. Hij zal begraven worden met militaire eer, zijn paard zal de kist volgen, ik zal in het parlement zijn leven en werken belichten, zijn voorbeeld als moraal voor onze jeugd.
Eteokles' testament moet de leidraad zijn voor onze gedachten en daarom moet de eerste bepaling worden nageleefd, die zegt dat de verrader Polyneikes onder geen beding begraven mag worden.

ANTIGONE
Niets wordt ons bespaard.

ISMENE
Onze broer vernederen in zijn graf. Kan ie wel?

ANTIGONE
Dit neem ik niet. Niet!

ISMENE
Zijn lijk op de marktplaats laten liggen
waar de eksters erin kunnen pikken.

KREON
Van nu af aan is de herinnering en de naam van de
verraderlijke broer van Eteokles weggewaaid.
Wie die naam ook maar fluistert
zal gearresteerd worden.

ANTIGONE
(neemt Ismene apart)
Zusje, die blaaskaak
mogen wij niet zijn gang laten gaan.

ISMENE
Wat wil je er aan doen?

ANTIGONE
Mijn broer begraven. Ik heb het hem beloofd.

ISMENE
Ik wil niet grijs worden in een cel.

ANTIGONE
Dan doe ik het alleen.

ISMENE
Zusje, ik ben er de persoon niet voor.
Als ik een verkeersagent zie, begin ik al te beven.

ANTIGONE
Goed. Geen woord meer erover.

ISMENE
Ik ben zo bang. Om jou.

ANTIGONE
Denk aan jezelf, rat.

ISMENE Ik zal er niks over zeggen, aan niemand.

ANTIGONE
Integendeel. Ik wil dat je 't over de daken schreeuwt.

ISMENE
Maar de verklikkers, de politie, het leger...

ANTIGONE
Ik heb je nooit kunnen uitstaan, Ismene,
maar dit doet de deur dicht.
Als je niet zo'n trut was zou ik je haten.

ISMENE
Hoe kan ik je helpen?

ANTIGONE
Ik wil niet eens meer dat je mij helpt.
Ik moet dit alleen doen. Het is mijn bestemming.
Een reden om te leven en te sterven.

KREON
(gaat door met zijn rede)
Niet eerder dan als een bestuurder aantoont
dat hij niet bang is om standpunten in te nemen
die alhoewel noodzakelijk on-populair zijn,
herkent men de man.
In deze noodtoestand moet het kaf en het koren
gescheiden worden. En de broer van Eteokles was kaf.

(Tijdens deze speech ontstaat de 'begrafenis' van Polyneikes. Antigone stormt naar de moederlijk gekoesterde bloembakjes van Ismene, rukt alle planten eruit, graaft met haar handen in de aarde, 'begraaft' daarmee Polyneikes. Ismene krijgt een hysterische aanval en vliegt haar zuster aan. Zij vechten. Antigone wint.)

De broer van Eteokles was laf.
Omdat hij zich niet onderwerpen kon aan het
rechtmatig gezag.

ANTIGONE
Rechtmatig? Welk gezag?

KREON
De wet.

ANTIGONE
Zoals jij jouw wet maakt, maak ik de mijne.

KREON
Ik volg de verordeningen van het huis van Labdakos.

ANTIGONE
Een huis waarvan de wetgeving door voorzichtige
klerken bijeengemetseld werd met de kalk van
angst en onderdanigheid.

LAÏOS
Kreon, leider, jij die ogen in je nek hebt,
kijk wat zij gedaan heeft.

(Kreon merkt nu dat zij Polyneikes heeft 'begraven'.)

KREON
(ongelovig) Zij heeft het gedaan.

LAÏOS
Onder je neus. Onder je feestneus, Kreon.

KREON
Antigone, heb jij mijn rede niet gehoord?

ANTIGONE
Wind tegen de ramen.

KREON
Meisje, je moet sterven.

ANTIGONE
Wie niet?

KREON
Je bent net als je vader, overmoedig, eigengereid.

ANTIGONE
Je kunt mij geen groter compliment maken.

KREON
Ik zal je temmen, meid.

ANTIGONE
Je kunt mij executeren.
Dan ligt mijn lijk voor je voeten. Meer niet.
Maar de stad zal weten wat ik gedaan heb,
dat ik jou getrotseerd heb.

KREON
O, wil je de geschiedenis in als rebel? Mis, tante.
Denk niet dat je in de krant komt, op de voorpagina.
Ik zal je naam schrappen tot in het bevolkingsregister. Jij bent niets geweest.
Niet eens een zandkorrel in de geoliede machine van de staat.

ANTIGONE
Ik moest dit doen.
Meer heb ik niet te zeggen.

KREON
(tot Ismene) En jij, wist jij hiervan?

ISMENE
Ik? Waarom? Natuurlijk niet.

KREON
Zij gaat eraan, je zusje. Niet omdat ik haar lastig en
koppig vind, dat ben ik gewend van vrouwen, maar
omdat zij opzettelijk de wet overtreedt.

ANTIGONE
De wet, de wet, dit willekeurig decreet van een gek,
van een door het regeren verblind sekreet.

(Stilte.)

ISMENE
Oom Kreon, ik wist ervan, van dit plan.

ANTIGONE
Hou je mond.

ISMENE
Ik hou van jou, Antigone.

ANTIGONE
Daar heb ik niets aan. Niet meer.
Of wou jij nog eer halen van mijn daad, jij die geen
poot uitstak toen ik je vroeg om mij te helpen?
Ga weg, mens, lees een liefdesroman,
of brei een truitje.

ISMENE
Wat zal er met haar gebeuren, oom?

KREON
Dit soort lieden dat in het geheim de strukturen van
onze gemeenschap aanvreet en belaagt kunnen wij niet dulden.
Zij wordt terechtgesteld.

ISMENE
Hoe moet het dan met Haimon?
Zij zouden trouwen in de herfst.

KREON
Haimon vindt iets anders. Sneller dan hij denkt.
Het voorwerp van een passie is van geen belang,
alleen de passie telt.

ANTIGONE
Dan zeg ik: Polyneikes was het voorwerp, desnoods verwisselbaar. Maar mijn passie was het vervullen van zijn laatste wens, tegen jouw bedrieglijk gesol met wetten en statuten.
Gun mij deze passie.

KREON
Graag. Daarom ga je nu de cel in, op water en brood.
Dan in een kamp. Dan in je dood.
Wat sta je te lachen? Heb je dan helemaal geen gevoel voor decorum of fatsoen?

ANTIGONE
Dat jij je eigen kwalijke grap niet snapt!
Jij wil mijn dood bepalen, hoe en wanneer, maar, sukkel, ik ben geen dier in een dierentuin, geen gevangene in jouw kampen, ik hecht niet aan mijn vel, ik beslis zelf wanneer en hoe ik sterf.

EURYDIKE
Dat zei Menoikos ook, dat je het zelf moest bepalen.

ANTIGONE
Precies. Alleen had hij zin in zijn dood,
het was zijn enige vriendin,
terwijl ik het opeis als een recht, tegen mijn zinnen in.
(Bij Haimon)
Lieve Haimon, je hebt het niet getroffen.
Kijk niet zo sip.
Je bent knap, er zijn meisjes te over in de wereld.
Vergeet me gauw.
(Tot Kreon)
Nog één gunst. Mag ik, vóór je mij opsluit, naar
mijn vader gaan, om afscheid te nemen?

KREON
Toegestaan. Hij is de oorzaak van alle ellende.
Als je hem maar uitscheldt en ook deze schuld
als peper in zijn holle oogkassen wrijft.

ISMENE
Ik ga met je mee.

ANTIGONE
Alleen in het rijk der doden wil ik je mee, zus.

HAIMON
Zal ik jou begeleiden?

ANTIGONE
Als je wil.

EURYDIKE
Nee, Haimon, jij blijft hier.

HAIMON
Waarom?

EURYDIKE
Omdat ik het je zeg.
(Zachter) Laat me nu niet alleen. Je bent het enige
dat me nog rest.

ANTIGONE
(komt bij de kooi van Oidipoes)
Ik kom je vaarwel zeggen, vader.
Ik ben het, Antigone, herken je mijn stem niet?

OIDIPOES
Twee bladeren vallen
en de papaver
is helemaal veranderd.

ANTIGONE
Antigone, vader!
Je hebt vaak op mij gescholden.
Keikopje noemde je me, weet je 't niet meer?

OIDIPOES
In de dageraad,
de dauw op het pad.
Maar mijn hoofdkussen is nat
van iets anders.

ANTIGONE
Wil je niet meer met me praten?
Men zegt dat je wanhoop om de drie doden
je versteend heeft,
maar ik leef nog, nog enkele uren.
Ik ben je dochter.

OIDIPOES
Nu het winter wordt
blaft de ekster
hoest de kievit.

ANTIGONE
Ik ben blij, vader, dat wat er met mij gebeuren zal,
jou niet deren zal.
Jou treft geen schuld
als ik nu trouw met de dood.

(Zij streelt zijn voeten. Oidipoes reageert vertwijfeld.)

OIDIPOES
lokaste! Iokaste!

(Antigone rent weg.)

ANTIGONE
Niemand houdt van mij.

HAIMON
Ben ik niemand?

ANTIGONE
Je bent mijn verloofde. Je zal een paar dagen huilen,
dat is alles.
(Komt bij Emydïke) Zorg voor Haimon.

EURYDIKE
Ik heb twintig jaar voor hem gezorgd, van zijn luiers tot zijn trouwpak. Het enige wat jij te doen had was hem gelukkig maken, zelfs dat kon je niet.

HAIMON
Ik bén gelukkig, moeder.

ANTIGONE
Dan ga ik nu naar mijn familie. (Af.)

HAIMON
Naar haar familie?

EURYDIKE
Rouwen bij de graven.

HAIMON
Ja?

EURYDIKE
Breek je hoofd niet over haar.

HAIMON
(tot Kreon)
Ik hoop, vader, dat als zij enkele dagen opgesloten heeft gezeten, dat haar deerlijke staat je zal vermurwen, dat je ergernis geluwd zal zijn en dal je terug zal komen op je besluit.

KREON
Wou je zeggen dat je vader als bestuurder
een flapdrol was die besluiten neemt
die veranderlijk en rekbaar zijn
naargelang er iets ritselt in zijn hart?
Wij zijn menselijk, mijn jongen,
maar gevoeligheid in deze materie is een vooroordeel.

HET ORAKEL
(in het Grieks) 'En toen stierf Antigone.'

(Antigone wordt zichtbaar. Zij heeft zich opgehangen.)

ISMENE
Haimon!

EURYDIKE
Kijk niet, mijn jongen.
Of liever, kijk goed.
Hoe zij jou tot op het laatst verraden heeft,
en in de steek gelaten.

HAIMON
(star) Gevoeligheid in deze materie is een vooroordeel.

KREON
Zij heeft haar geweten gevolgd.

ISMENE
Is dit je enige rouwbetuiging voor mijn zuster?

HAIMON
(schel, van zinnen)
Een flinke meid, bedoelt hij, recht door zee!

KREON
Ja. Waardig van haar einde.
Zij heeft recht op bewondering, op eerbied.

HAIMON
(idem) Nu zij daar hangt!

KREON
Gebruik je gezond verstand. Nu staat zij niet
meer bloot aan mogelijkheden, grillen van het
noodlot. Haar lot is afgerond. Nu mag men over
haar een oordeel vellen.

HAIMON
Oordeel, dat woord ligt bevroren in je mond.
O, dat ik ooit uit deze kille kikker ben ontstaan!
Vanaf de jaren dat ik paard reed op je knie
heb je mij getemd, ontmand.

EURYDIKE
Je was niet gelukkig met haar geweest,
Haimon, geef toe.

HAIMON
Jij ook, moeder, hebt mij met je melk
gehoorzaamheid, lijdzaamheid ingegeven.
Het is een bittere melk.

EURYDIKE
Misschien zou het beter zijn dat je een tijdje
wegging. Om je te bezinnen.

KREON
Ja. Uit mijn ogen, ondankbaar stuk verdriet.

(Haimon af.)

(Stilte.)

EURYDIKE
Het regent.

KREON
Wat is dat licht daar?
Een regenboog.
Misschien hebben wij het ongeluk bedaard.

HET ORAKEL
(in het Grieks) 'En toen stierf Haimon.'

(Haimon wordt zichtbaar. Hij hangt aan een vleeshaak, vlakbij Antigone.)

EURYDIKE
Kreon!
(Rent naar het lijk.)
Een vleeshaak in zijn buik!
De ingewanden puilen uit!
(Gilt, slaat haar mantel over haar gezicht, zakt ineen.)
(Kermend)
Twee zonen, twee lijken.

(Stilte.)

(Verstikt) Bang, jarenlang, als zij oorpijn hadden,
te hard holden op straat.
Bang, jarenlang, bij elke plotse gil in de tuin
luisterend naar hun adem, nachtenlang.
Het regent en zij horen het niet.
Het waait, niet langs hun wang.—
Ah, mijn buik bloedt leeg
als op die dag dat ik hem uit mij perste
een zelfde pijn,
neen, toen was er vreugde in die pijn.

KREON
En dit voor dat onnozel, muilezelkoppig wijf!

EURYDIKE
Dat was de reden niet!
Wat weet jij van zijn redenen, van zijn leven?
Jij zei: 'Uit mijn ogen.'
Zij zullen nooit uit mijn ogen gebrand worden
die oliedomme, lieve jongens van mij,
die liever dood gingen dan te eten, te slapen,
te praten bij mij, te kussen met mij.
Nachtenlang.
Haimon zal blijven zeuren, nachtenlang, over zijn grote liefde,
Menoikos zal blijven zingen in elke kamer.—

(Stilte.)

(Blaft plots naar Kreon)
Jij, zelfgenoegzaam varken,
schurf tige vader zonder zonen,
geen ogenblik wil ik nog langer in hetzelfde huis wonen als jij.
Zeg iets. Sta daar niet voor granieten standbeeld
te spelen. Zeg iets.

KREON
Ik zweer het je. Ik heb dit niet gewild.

EURYDIKE
(met een vreselijke lach)
Nee. Natuurlijk niet. Het zijn de omstandigheden,
het is de wet. Jij niet.

(Ismene helpt haar met inpakken.)

Van nu af aan mag je regeren, Kreon.
Over een woestijn vol verspreide kadavers.
Als de enige rechtvaardige rechter.
(Zij verwijdert zich van Kreon.)

KREON
Goed. Alleen. De enige beklaagde.
Misschien is dit het wat ik aldoor heb gewild.
Geen familie meer. Goed. Niet meer gebonden
aan die navelstreng.
Sommigen kunnen klagen. Klagen verlicht,
tranen, pis, slijm, snot, het stoot de gemartelde
ziel naar buiten, naar het licht.
Bij mij slaat het verdriet naar binnen.—
Vader geweest. Echtgenoot. Vriend. Zo weinig.
Mijn lot is anders.
Dames en heren, het ongeluk ...
Al mijn zinnen beginnen met: het ongeluk ...
De ellendige drek waarin de mensen zakken
met hun liefde, met het verzaken, de
verloochening, het offer.
Dames en heren, weer deze weerzinwekkende
geloofsartikelen, alsjeblieft.
Wij weten niet wat wij doen,
waarom wij het doen,
wat de gevolgen zijn. Nee? Ja?
En toch maken jullie geschiedenis
met deze veronderstelde kennis.
(Kijkt naar de doden)
Ah, die helden. Zij werden helden
uit walg, of uit onverschilligheid
en noemden dat: hun geweten.
Ik walg niet, landgenoten, ik graai in de klei, in
de drek van uw slordige, vunzige compromissen
en maak een model voor uw samenleven.
Ook ik heb tranen, ook ik heb medelijden
met zoveel verloochening, met zoveel offers,
maar er zijn andere prioriteiten.
Ook ik dans tussen kennis en gemis,
russen begeerte en genot,
maar mijn kracht is het kiezen
en ik kies voor mezelf.
Goed. Mezelf.
Gesplitst tussen de plicht en het verlangen
kies ik voor het schommelen tussen beiden, niet
voor de achtervolgingswaanzin en de droom
die één van beiden tyranniek gebiedt.
(Plots is er buiten een heftig geluid, bestaande uit tientallen vogelkreten.
Tiresias antwoordt met vogelkreten. Een felle dialoog
.)

KREON
Vogelaar.
Wat vertellen je heilige mussen?

MANTO
Hij kan het niet verstaan.

KREON
Zo, laat zijn hokus-pokus hem in de steek?

TIRESIAS
Kreon, de vogels staan in brand.
Hun vlerken flapperen,
wakkeren de vlammen aan.
De vogels staan in lichtelaaie
omdat zij van het vlees van de lijken hebben gegeten!

KREON
Wat zou dit mogen voorspellen?

TIRESIAS
Dat er grote branden op komst zijn die de planeet zullen verschroeien.

KREON
Niks nieuws.

TIRESIAS
Vrees het noodlot, Kreon!

KREON
Niet meer dan nodig is.

TIRESIAS
Niemand zal ontsnappen.

KREON
Is ook niet de bedoeling.

HET ORAKEL
(in het Grieks) 'En toen stierf Kreon.'

KREON
Wat zeg je. 'En toen stierf Kreon'?
Natuurlijk. Wat anders?
Alleen zal ik niet aan het kosmische zwerk
hangen en vereerd worden als ster
door het volk dat helden verkiest en martelaars
boven het grauw en listig en dagelijks werk
van het besturen.
(Kijkt in zijn papieren)
Dames en heren, landgenoten, volk, mensen,
geachte kijkers, toeschouwers,
het ongeluk...

(Terwijl Eurydike en Ismene naar de achterdeur
gaan, mummelen in het halfdonker Kreon en Tiresias,
opgeslorpt door hun dagelijkse bezigheden
.)

TIRESIAS
(ook in zijn papieren zoekend)
De Hondsbloem.
De paardenbloem, de herfstleeuwentand,
de smalle weegbree, de dotterbloem,
het streepzaad, de smeerwortel...

(Eurydike en Ismene gaan naar achter, openen de poort.
Een heldere, zonnige lentedag is daar merkbaar.
Zij stappen door de poort. Het Orakel en de pianiste volgen hen.
De poort wordt gesloten
.)

LAÏOS
(komt op)
Families verscheuren elkaar
zoals de beesten niet eens doen.
Er zijn geen tranen meer, denkt men.
Vergeet het. Er zijn steeds nieuwe tranen.
Volkeren vergaan, volkeren van wormen
en van mensen.
En nieuwe volkeren schieten op
als korenhalmen,
met dezelfde vragen
voor de wormen als voor de mensen.


 


Het Huis van Labdakos werd geschreven in opdracht van
het RO-theater te Rotterdam. De eerste
opvoering had plaats op 14 oktober 1977 in de
Stadsschouwburg te Rotterdam onder regie van
Franz Marijnen. Het toneelbeeld was van Jean-
Marie Ficvez, de costumering van Dagmar Schauberger.
Acteurs en actrices: Martine Crefcoeur, Edo van
Dijken, Çanci Geraedts, Marja Habraken, Leo Hogenboom,
Marieke van Leeuwen, Johan Leysen,
Gees Linnebank, Gertian Maassen, Barbara Masbeck,
Jérôme Reehuis, Alex van Royen, Peter Tuinman,
William J. Ward en Corrie Ambachtsheer.