Hugo Claus

IN KOLONOS

Een bewerking van Sofokles' Oidipoes in Kolonos
1986
De Bezige Bij
Amsterdam

Copyright © 1986 Hugo Claus

In ballingschap gejaagd door zijn zonen, na de ontdekking van de
moord op zijn vader Laios, en na de zelfmoord van zijn vrouw en
moeder Iokaste, zoekt Oidipoes de dood. Begeleid door zijn dochter
Antigone bereikt de blinde, door de tragiek van zijn leven gekwelde
Oidipoes de liefelijke landstreek Kolonos bij Athene. Theseus, de edele
koning der Atheners, biedt Oidipoes zijn bescherming aan.
Na nogmaals belaagd te zijn door zijn zoon Polyneikes, en door
Kreon, broer van Iokaste, die Oidipoes onder valse voorwendselen
willen teruglokken naar Thebe, begeleidt Theseus Oidipoes naar het
eindpunt van zijn leven. Welgezinde goden nemen de door het Orakel
van Delfi gedoemde Oidipoes op in de dood.


PERSONEN

OIDIPOES
ANTIGONE
ISMENE
POLYNEIKES
THESEUS
KREON
EEN LANDMAN

Het stuk speelt zich af in Kolonos bij Athene.


Oidipoes komt op.

OIDIPOES
Meisje, waar ben je?

Antigone komt op.

ANTIGONE
Hier, vader.
OIDIPOES
Waar?
ANTIGONE
(komt bij hem, neemt zijn arm) Hier, vader.
OIDIPOES
Waar zijn we, wat voor een plek is dit? Is dit een stad, of zijn we nog in ...
ANTIGONE
(onderzoekt de omgeving die haar vrees inboezemt) Het is ...
OIDIPOES
(ongeduldig) Zeg het, Antigone, wat zie je? Zie je iemand? Kijk rond. - Ik ben moe van het zwerven, ik ben oud en blind. Iemand zal ons onderdak geven. Maar wie?
Niet dat ik ongeduldig ben. Ik heb geduld geleerd, dat werd mij aangeleerd door drie meesters, door de pijn, door de tijd en door mijn bloed dat het bloed van koningen is.
Kan ik hier gaan zitten, kind? Ja? Denk je dat het toegestaan is?
Zet mij hier neer, kind. En vraag waar wij zijn. Wij, vreemden, moeten luisteren naar de mensen van deze streek.
(hij wordt overvallen door een plotse angst) Deze streek ...
(angstig) Waar zijn wij?
ANTIGONE
Ik zie torens, de muur van een stad, maar ver weg.
OIDIPOES
En verder? Hier?
ANTIGONE
Hier is het dik begroeid met laurierbomen, wijngaarden, olijfbomen ...
OIDIPOES
(roept) Stil! - Luister! Hoor je?
(vol ontzag) Nachtegalen.
Dat betekent dat ... dat deze plek aan de goden is gewijd, (opgewonden) dat deze plek ...
ANTIGONE
(leidt hem) Hier is een platte steen. Ga zitten. Rust even uit. Je hebt een heel eind gelopen, vader.
OIDIPOES
Ja, ik ga zitten. Waar?
(Antigone leidt hem naar steen)
Ga niet weg, Antigone.
ANTIGONE
Natuurlijk niet.
OIDIPOES
Zorg voor me, kind. Alsjeblieft. Ik ben oud en blind. -
Luister.
(weer met ontzag) De vogels. -
Nu weet ik waar wij zijn, waar ik eindelijk beland ben.
ANTIGONE
Moeten wij hier weg?
OIDIPOES
Ja. Wij mogen hier niet zijn. Niemand mag hier wonen, de grond hier behoort aan de wraakgodinnen, de Dochters-van-de-Nacht-over-de-Aarde. En wij zullen tot haar bidden, tot die alles ziende genadige godinnen. Maar wij gaan hier niet vandaan.
ANTIGONE
Nee?
OIDIPOES
Antigone.
ANTIGONE
Ja, vader.
OIDIPOES
Ik blijf hier. Voor de schamele rest van mijn leven. Want hier wacht mij mijn lot. Ik herken de tekenen.
Dit is de plek die mij werd voorspeld, die Apollo mij heeft aangewezen in mijn dromen. Dit is het gebied van de zeegod Poseidon en van de reus Prometheus, Heer-van-het-Vuur.
Deze steen waarop je mij hebt neergezet heet de Koperen Drempel, de Rots van Athene. Kolonos, de held, heeft hier geheerst en deze streek is naar hem genoemd, Kolonos.
ANTIGONE
En wie regeert er nu? Het volk of een man?
OIDIPOES
De koning.
ANTIGONE
Hoe heet hij?
OIDIPOES
Theseus, de zoon van Aigeus.
Antigone, Theseus moet hierheen komen. Ga hem halen.
ANTIGONE
Om wat te doen?
OIDIPOES
Ik wil hem spreken. Zeg hem dat als hij mij een kleine dienst bewijst, hij een grote winst kan verwachten.
ANTIGONE
Wat voor een winst kan hij verwachten van een blinde?
OIDIPOES
Wat ik te zeggen heb is niet blind!
Ga. Ga naar de mensen, de boeren, hier in de buurt.
ANTIGONE
Zij zullen mij wegjagen.
OIDIPOES
Haast je, Antigone.

Antigone gaat aarzelend af.
Oidipoes valt op zijn knieën.

OIDIPOES
O, godinnen van de vrees, vreeswekkende vrouwen,
ik kniel nu op uw heilige aarde,
wees mij genadig en wees ook Apollo genadig
die een donkere doem op mij wierp
maar eveneens beloofde dat ik, op mijn tijd,
een lange tijd zou mogen rusten, en wel
op deze plek waar de Eumeniden wonen,
en dat ik hier het einde zou vinden
van mijn geteisterde dagen.
Zij die mij begroeten en behoeden zullen gezegend zijn,
zij die mij hebben weggejaagd en gehoond, vervloekt.
Er zal een teken komen
dat de dingen zijn zoals zij moeten zijn,
een aardbeving, donder en bliksem
uit een blauwe, koele lucht.
Nu weet ik het, nu zie ik het helder voor mij,
heilige vrouwen, dat jullie mij naar deze plek
hebben geleid met een onwrikbare hand
en dat mijn bittere reis door het land
eindelijk in uw schaduw is beland.
Geen andere kracht dan die van jullie
kon het zijn die mij verder stuwde
en mij, de zwerver die wijn derft, thans
in jullie armen duwt.
Daarom, Vrouwen-van-de-Vrees die wijn versmaadt,
luister naar mij die knielt op jullie levende rots
en hoor het woord dat de god Apollo mij gegeven heeft,
een woord dat mijn voltooiing en mijn einde is.
Geef mij, ik smeek jullie, hier mijn einde.
Horen jullie mij?
Zijn jullie mij genadig?
Of ben ik voor altijd gedoemd om te zwerven
en te kermen onder het zwaarste juk
dat ooit een sterveling kende?
O, lieflijke dochters van de aloude nacht,
en jij, Athene, stad van Pallas, Koningin der steden,
hebt medelijden met
de arme resten van Oidipoes,
met de schaduw van wat ooit een man is geweest.

Een landman komt op.

LANDMAN
Hé, jij daar. Kom overeind. Ja, jij.
Wat doe je hier, oude man,
in het bos van de onverbiddelijke maagden,
waarvan ik de naam niet mag uitspreken
tenzij in stille gebeden? Wie ben jij?
OIDIPOES
Ik ben iemand van wie men zegt
dat zijn oren zijn ogen zijn.
Iemand van wie niemand kan zeggen
dat het lot hem genadig was.
Iemand die geen kwaad wil doen,
die nauwelijks kwaad kan doen,
gekluisterd als hij is aan zijn dode ogen.
Iemand die niet eens kan bewegen
als zijn arme dochter hem niet leidt.
LANDMAN
Je ogen? Heb jij die zo bij je geboorte meegekregen?
Op je gezicht staat een lang en ellendig leven te lezen.
Laat de vloek van de godinnen
er geen diepere groeven in krassen.
Ga weg. Je bent te ver gegaan, veel te ver
in dit dal van stilte en heilig gras.
Ga weg, overmoedige blinde, snel, en zwijg.
Ga ergens anders praten
waar het is toegestaan.
Verlaat dit verboden gebied.
OIDIPOES
Antigone!
(bang) Vreemdeling, doe mij geen kwaad.
LANDMAN
Als je hier maar weggaat.
(Oidipoes staat op en doet enkele passen)
LANDMAN
Verder.
OIDIPOES
Nog verder?
LANDMAN
Ja. Nog drie passen.
OIDIPOES
Ik wil gehoorzamen, mij gedragen naar de wetten die u regeren. (hij blijft staan)
LANDMAN
Dan is het goed.
Als je maar verwerpt wat wij verwerpen,
vereert wat wij vereren.
OIDIPOES
Daar leg ik mij bij neer.
LANDMAN
(kribbig) Ga dan.
OIDIPOES
Waar is de plek waar ik
zonder zonde kan spreken?
LANDMAN
(neemt Oidipoes bij de arm, leidt hem)
Hier. Blijf hier staan
en zet geen voet buiten deze rots.
OIDIPOES
Mag ik gaan zitten?
LANDMAN
(helpt hem) Laat je maar zakken. Voorzichtig.
OIDIPOES
(zit) Ik ben buiten adem.
Zo hulpeloos.
LANDMAN
Zit je goed?
OIDIPOES
Antigone!
LANDMAN
Vertel mij, wie ben jij eigenlijk?
Hoe heet je? Waarom zwerf jij rond,
zo deerlijk toegetakeld? Waar is je thuis?
OIDIPOES
Ik heb geen thuis. Je moet niet ...
LANDMAN
Ik moet niet wat?
OIDIPOES
Niet vragen wie ik ben. Vraag mij niets!
LANDMAN
Waarom niet?
OIDIPOES
(na een lange stilte) Mijn herkomst ... is zo gruwelijk ...
O, Antigone, wat kan ik zeggen?
LANDMAN
Wie je vader was bijvoorbeeld.
OIDIPOES
Kind, kind, wat moet ik doen?
(tot de landman) Ik heb al veel te veel verteld.
(stilte)
Misschien heb je gehoord over iemand die Laios heette?
LANDMAN
(schrikt) Ah!
OIDIPOES
En over het huis van de zonen van Labdakos?
LANDMAN
O, God!
OIDIPOES
Over de ongelukkige Oidipoes?
LANDMAN
Zeg niet dat jij ... ben jij ...
OIDIPOES
Wees niet bang.
LANDMAN
Ah, ah!
OIDIPOES
Antigone, wat gaat hij doen? (wiekt afwerend met zijn armen)
LANDMAN
Weg met jou! Weg van ons land!
OIDIPOES
Je hebt beloofd ... je hebt toegezegd dat je mij
geen kwaad zou doen.
LANDMAN
Niemand doet kwaad,
niemand kan gestraft worden
als hij een ander met gelijke munt betaalt.
De bedrieger mag bedrogen worden,
een bedrieger geeft men geen beloning.
Daarom, weg met jou!
Weg van ons land voor je het besmet
met je rottigheid of nog erger!
Weg! Weg!
OIDIPOES
Antigone!

Antigone komt naar voren en spreekt tot het publiek.

ANTIGONE
Mannen en vrouwen van deze streek,
u bent rechtvaardig, u vereert de goden,
wie ze ook mogen zijn!
Als u mijn arme blinde vader niet wilt aanhoren
vanwege de dingen die hij gedaan zou hebben,
die hij gedaan heeft
alhoewel hij ze niet gewild heeft,
heb dan tenminste medelijden met mij.
Alsjeblieft.
Mag ik alsjeblieft in zijn naam spreken?
Mogen mijn ogen de zijne zijn,
en niet blind zijn?
Verbeeld u even dat ik een kind ben van uw vlees
en dat ik om erbarmen vraag
voor iemand die verpletterd werd.
Niemand kan ons helpen behalve u,
u, die goden voor ons zijt.
Wij kunnen ... durven ... mogen niet hopen,
en toch, ik smeek u, wees ons genadig,
bij alles wat u dierbaar is,
vrouwen, kinderen, bezit,
in naam van uw goden en godinnen.
Want het was een God die mijn vader
gedreven heeft naar wat hij deed,
een God die ons naar hier heeft gejaagd.
Bedenk toch dat niemand onder u,
dat geen levend schepsel
anders op aarde kan lopen
dan in de baan die God voor hem getrokken heeft.

Oidipoes komt overeind, komt bij Antigone staan en richt zich ook tot het publiek.

OIDIPOES
Wat baten ons eer en goede naam
als zij wegwaaien in het niets?
Niets baten zij ons.
Is dit het alom geprezen godvrezend Athene?
Is dit de stad van de gerechtigheid,
die haven waar meer dan ergens anders
een vreemdeling in nood en door het noodlot
gekweld om onderdak mag vragen?
Waar is mijn onderdak?
Jullie hebben mij daar van de gewijde grond weggehaald,
en nu willen jullie mij ook nog uit jullie land verjagen,
bang voor mijn naam, en voor wat nog meer?
Voor mijn arm? Voor mijn kracht?
Mijn kracht ligt in mijn lijden,
niet in mijn daden.
O, als ik alles kon vertellen
zou het jullie duidelijk zijn!
Als ik alles kon vertellen over wat mijn vader
en mijn moeder deden ...
want voor wat zij deden
daarvoor zijn jullie bang, ik weet het al te goed.
Ben ik de zondaar geweest?
Ja?
Maar, mensen, een kwaad met een kwaad vergelden,
dat is geen zonde.
Zelfs al had ik wetens en willens gedaan
wat ik deed, wat niet zo is, dan was dit nog
geen zonde.
Ik wist niet wat ik deed.
Zij wisten het, vader en moeder,
zij die mij verstrikten in hun hinderlagen.
Daarom, burgers, bezweer ik jullie, bij de goden,
wilt mij, even vastberaden
als jullie mij van die plek daar hebben weggerukt,
redden en beschermen.
Want dat is wat de goden willen
die jullie willen behagen.
Misken jullie goden niet
want zij houden hun goddelijke blik gericht
op de vrome als op de goddeloze.
Ja, zo is dat.
Geen goddeloze op aarde is ooit aan hen ontsnapt.
De goden zijn met jullie, nu, hier, en zien ons.
Daarom, verdonker, verdonker
de lichtende ster van Athene niet
met een kwaadaardige daad!
Mij werd hier bescherming beloofd,
mijn smeekbede werd hier verhoord,
wel, waak dan over mij!
De gore littekens van mijn ogen
mogen geen hoon verwekken.
Want ik ben een vroom man
en mijn aanwezigheid in jullie land
is door een God gezegend
om jullie, om jullie volk, te zegenen!
Ik wil de koning, jullie meester, spreken
en dan zullen jullie alles kunnen horen,
alles kunnen begrijpen.
(lange stilte - Antigone gaat weg)
Nee? Willen jullie de koning niet storen?
Denken jullie dat hij geen tijd, geen zin heeft
om een arme blinde aan te horen?
Dat hij zal wegblijven
als hij mijn naam verneemt?
Kent de koning mijn naam? Hoe?
Geruchten vliegen snel
en vallen op ons neer, als valken.
(hij wendt zich af, zoekt zijn plek bij de rots)
De koning zal niet komen.
Of wel?
(hij gaat zitten; donker)

Als het licht opgaat, slaapt Oidipoes. Ismene komt op. Zij raakt Oidipoes' schouder aan.

ISMENE
(zachtjes) Vader.
OIDIPOES
(schrikt wakker) Antigone.
ISMENE
Nee.
OIDIPOES
Wie? Dezelfde stem. Ismene! Jij, mijn eigen
Ismene, het kan niet!
ISMENE
O, arme, ongelukkige vader.
OIDIPOES
O, eindelijk ben je gekomen. Raak mij aan, Ismene,
dat ik je vingers voel.
Lief, lief kind, waarom ben je gekomen?
ISMENE
Omdat ik aan u dacht.
OIDIPOES
Wou je mij zien?
ISMENE
Ik wil je altijd zien.
OIDIPOES
Lieveling. - Hoe was je reis?
ISMENE
Ellendig. Een meisje alleen. Maar ik moest alleen komen
omdat ik u dingen te vertellen heb die ik alleen kan zeggen.
OIDIPOES
En je broers, hebben zij je niet begeleid,
niet geholpen?
ISMENE
Mijn broers ... zijn wat zij zijn. Het gaat niet goed
met hen.
OIDIPOES
Wat dan? Apen zij nog altijd de Egyptenaren na?
Ja? Waar de mannen de huishouding doen en
breien en haken, terwijl de vrouwen het huis uit gaan
om het dagelijks brood te verdienen?
In plaats van zich zorgen te maken over hun vader
houden zij zich gedeisd, als twee meiden, en laten
jou en Antigone al de last dragen van mijn rampen!
ISMENE
Hoe is het met Antigone?
OIDIPOES
Het arme kind dat sinds zij opgroeide verpleegster moet
spelen voor een oude zieke man ... met hem als enige
gezel, hongerig en blootsvoets door de wilde streken,
door zon en storm, zonder één klacht, zonder één gedachte
aan een huisgezin, zodat haar vader niets te kort zou
komen ...
Maar hoe gaat het met jou, Ismene?
ISMENE
Ik zal u niet lastig vallen, vader, met verhalen over hoe
moeilijk het was om u te vinden. Die ervaring was genoeg,
er over zeuren zou haar alleen maar erger maken.
OIDIPOES
Maar wat heb je te melden over Thebe, over het volk van
Thebe, wat zeggen de orakels in Thebe over mij, mijn
trouwe kleine spion, wat is je boodschap? Je bent hier niet
zomaar. Wat dreigt er weer, wat voor een gevaar is er
weer voor je verbannen vader?
ISMENE
Mijn boodschap gaat over uw zonen, over uw rampzalige
zonen.
OIDIPOES
Ik wist het.
ISMENE
In het begin, onder de indruk van de gruwelijke
voorvaderlijke vloek die ons huis in zijn dodelijke klauwen houdt,
vonden mijn broers het allang goed dat Kreon regeerde en
dat de stad gevrijwaard leek van onze smet. Maar toen
heeft er zich een of andere duivel van hen meester gemaakt,
een zondige lust, een kwade twistzieke drift, een
vervloekte geilheid naar de macht en het koningschap.
Polyneikes, uw oudste, is al van de troon gestoten door dat
heethoofd van zijn broer en uit het vaderland verbannen.
Men zegt dat hij zich schuilhoudt in het dal van Argos
waar hij nieuwe allianties is aangegaan en een bende
wapenbroeders heeft verzameld om te vechten tot Argos
over Thebe zegeviert.
(Oidipoes stoot een smalende lach uit)
Dit is geen sprookje, vader, maar de waarheid, bitter als
gal. - De goden moeten zich over u ontfermen, vader,
maar hoe, dat zie ik niet.
OIDIPOES
De goden moeten niets. Zij ontfermen zich of niet.
ISMENE
Het laatste orakel doet ons hopen van wel.
OIDIPOES
Welk orakel? Wat heeft het voorspeld?
ISMENE
Dat het volk van Thebe alleen dan veilig zal zijn als het u
zoekt en vindt,
levend of dood.
OIDIPOES
Wat kan een man als ik voor goeds brengen aan wie dan
ook?
ISMENE
Men zegt dat het alleen door u is
dat Thebe groot kan worden.
OIDIPOES
Wil men mij tot man maken
op het moment dat ik er geen meer ben?
ISMENE
Misschien wil de God die u neergeslagen heeft u weer
oprichten.
OIDIPOES
Als je jeugd verloren is, geëerd worden als oude man!
ISMENE
Nu zal, na dit orakel, Kreon naar u toe komen.
OIDIPOES
Om wat te doen?
ISMENE
Om u in zijn land te krijgen.
OIDIPOES
Dat kan niet. Als vadermoordenaar mag ik de grond van
Thebe niet betreden.
ISMENE
Dan houdt hij u vlak bij de grens en in zijn macht.
OIDIPOES
Hoe kan ik Kreon en Thebe helpen
als ik buiten hun grenzen blijf?
ISMENE
(ongemakkelijk) Vader, zij denken aan uw graf.
OIDIPOES
(schamper) Nu al?
ISMENE
Zij zullen uw graf vereren, want als zij het niet doen, valt
de vloek van de goden over Thebe, dat werd voorspeld.
Elk kind in Thebe weet dat. - Zij zullen u niet alleen laten,
u ontvoeren.
OIDIPOES
En mij daarna begraven in hun aarde? Maar dat kan niwet.
De bloedschuld verbiedt dit.
(stilte) Zij krijgen mij nooit!
ISMENE
Dan wordt Thebe voor eeuwig vervloekt.
OIDIPOES
Dat is goed.
ISMENE
Dan wordt elke Thebaan die uw graf nadert
getroffen door de woede van uw lijk!
OIDIPOES
Dat is goed. -
Wie heeft jou dit alles verteld, mijn kind?
ISMENE
De mannen die naar het orakel van Delfi zijn gegaan.
OIDIPOES
Was het wel over mij dat de God heeft gesproken?
ISMENE
Dat zeiden ze toen ze in Thebe teruggekomen zijn.
OIDIPOES
Weten mijn zonen dit?
ISMENE
Zij weten het alle twee. Tot op het bot.
OIDIPOES
De schoften! Wat deden zij toen zij het hoorden? (wacht)
Zij verkozen hun bloeddorst naar een koninkrijk boven
hun vader.
ISMENE
Ja, helaas.
OIDIPOES
Dan mag geen God de razernij van hun voorbestemde
twist bedaren.
Als ik over de bloedige oorlog tussen die twee broers
mocht beslissen,
dan zou ik hem die nu de macht heeft,
vernietigen, en die andere die verbannen werd
keerde nooit terug.
Wat hebben zij voor mij,
hun vader die schandelijk verdreven werd,
gedaan om mij te redden, om mij te verdedigen?
Toen men mij verhoorde en verjoeg
stonden zij te gapen!
(Ismene wendt zich af, stilte)
Je zegt dat ik zelf om mijn verbanning heb
gevraagd en dat de stad mij dit terecht
heeft toegestaan.
Ja, dat zeg je zonder woorden.
Maar het was niet zo!
Op die dag, ja, toen wou ik dood, op die dag
dat mijn ziel in lichtelaaie stond
verlangde ik naar de dood, ik heb om stenen
gesmeekt, een hoop stenen die mijn verdoemde lijk
zouden bedekken,
en niemand gaf ze mij, die stenen.
Toen ging tijd voorbij
en in de tijd begon mijn pijn te rijpen,
te verstillen,
en ik zag hoezeer mijn woede zichzelf had overschreeuwd
en mij te fel wou straffen voor mijn zonden.
Toen, zo laat, te laat,
heeft mijn stad mij verbannen, met geweld.
En zij, die mij hadden kunnen helpen
zoals zonen hun vader moeten helpen,
deden niks.
Geen gebaar. Geen kik.
Uitgestoten ben ik weggegaan, naar mijn laatste
dagen van ellende.
Alleen jullie twee, mijn dochters,
hebben alles gedaan wat vrouwen kunnen doen,
hebben mij alles gegeven dat ik nodig had,
brood, bescherming, hulp en zorg.
Jullie broers hebben hun vader verkocht voor een troon!
Voor een houten scepter, voor een gouden kroon.
Ik zal hen niet helpen.
Niets goeds kan er komen
als zij over Thebe regeren,
daar ben ik zeker van,
zeker als ik hoor over dit orakel
en als ik denk aan wat de god Foibos
mij heeft toegefluisterd en voorspeld.
Dit land hier, dat van de vreemdelingen
en van de heilige Vrouwen van de Vrees,
is het dat mij zal kennen,
zal erkennen als redder in de nood,
en een heilige straf
zal neerkomen over mijn vijanden. -
Waar blijft die Kreon?
(donker)

De landman komt op en ziet Oidipoes die ligt te slapen. Hij gaat naast
Oidipoes zitten. Deze wordt wakker.

LANDMAN
Het is wreed om een verdriet dat ligt te slapen wakker te
maken. Toch moet ik je iets vragen.
OIDIPOES
Wat nu weer?
LANDMAN
Ik wil je vragen wat er jou is overkomen.
Het is ongeneeslijk, lijkt het wel.
OIDIPOES
Lieve vreemdeling, begin niet te peuren
in het moeras
waarin ik werd geduwd.
LANDMAN
Er zijn zoveel geruchten. Men zegt van
alles. Wat is er van waar?
OIDIPOES
(na een stilte) Schaamte.
LANDMAN
Toch ...
OIDIPOES
Te gruwelijk.
(stilte)
LANDMAN
Wij hebben jouw wensen ingewilligd.
OIDIPOES
De walgelijkste onrechtvaardigheid heb ik
ondergaan, ik heb het kwaad zelf ondergaan,
God weet dat ik het nooit verkozen heb.
LANDMAN
Wat is er gebeurd?
OIDIPOES
Omdat ik schandelijk ... omdat ik in schande
ben getrouwd heeft de stad mij, zonder het
te beseffen, in het verderf gestort.
LANDMAN
Men zegt dat je zonder enige schaamte
met je moeder het bed hebt gedeeld.
OIDIPOES
Dit te horen ... het is een dood. (stilte)
Er was meer ... de twee meisjes zijn van mij.
LANDMAN
Nee!
OIDIPOES
Die kinderen ... vervloekingen die in leven blijven.
LANDMAN
God!
OIDIPOES
Vruchten uit de buik van dezelfde moeder.
LANDMAN
Zij zijn je dochters en zij zijn ook ...
OIDIPOES
... mijn zusters. Hun vaders zusters.
LANDMAN
Gruwel!
OIDIPOES
Gruwel, met duizend vingers nestelt de gruwel
zich in mijn schedel.
LANDMAN
Een noodlot.
OIDIPOES
Ondraaglijk.
LANDMAN
Wat jij deed ...
OIDIPOES
... heb ik niet gedaan.
LANDMAN
Hoezo?
OIDIPOES
Ik heb dit noodlot als geschenk gekregen. Een geschenk
van mijn stad, de prijs voor wat ik voor de stad heb gedaan.
O, had ik die prijs nooit gewonnen, nooit aangenomen!
LANDMAN
Er is meer, zeggen zij.
OIDIPOES
Wat? Wat was er meer? Wat wil je meer?
LANDMAN
Je vader ...
OIDIPOES
Moet je mij weer slaan? Wil je weer open wonden?
LANDMAN
Heb jij je vader vermoord?
OIDIPOES
Ja. En het was rechtvaardig.
LANDMAN
Rechtvaardig?
OIDIPOES
Ja. Want hij wou mij vermoorden.
De wet spreekt mij vrij,
en ik wist niet wat ik deed.
LANDMAN
(hoort iets, fluistert met ontzag)
De koning!
(rent weg)
OIDIPOES
Kreon? Nu? Nu al?

Muziek van de aankomende koning. Theseus komt op.

OIDIPOES
Ben jij het, Kreon?
THESEUS
Nee. Ik ben Theseus, zoon van Aigeus.
Ik heb over je smeekbede gehoord
en ik kom om je van dienst te zijn.
Ja, jij bent het, de zoon van Laios.
Door alles wat ik hoorde, lang geleden, heel vaak,
over de bloedige daad die je ogen heeft gedoofd,
ben je geen vreemde voor mij.
Ja, dit gewond gezicht, die rafels,
jij bent het, de ongelukkige Oidipoes.
Wat kan ik voor je doen? Zeg het, Oidipoes,
je mag mij het ellendigste relaas doen,
ik zal blijven luisteren.
Want ik vergeet niet hoe ik zelf in verbanning
werd grootgebracht, zoals jij, en hoe vaak ik
gevochten heb in vreemde landen.
Ik wil mij niet van een medemens afkeren
want ik ben zelf een medemens,
en de dag van morgen is even onzeker
voor mij als voor jou.
OIDIPOES
Theseus, edelmoedige koning,
ik zal kort zijn over wat ik wil.
Wie ik ben, waar ik geboren ben
en in welk land, dat weet je.
Ik zal je iets vragen, dat is alles.
THESEUS
Vraag.
OIDIPOES
Ik kom om je iets aan te bieden, een gift,
namelijk dit hier,
mijn gekwelde lijf.
Het is niet om aan te zien
maar het is van grotere waarde dan schoonheid.
THESEUS
Welke waarde?
OIDIPOES
Dat zal je later weten. Nu niet.
THESEUS
Wanneer zal ik het te weten komen?
OIDIPOES
Als ik dood ben en als jij mij begraven hebt.
THESEUS
Je vraagt dus alleen om de laatste eer. En wat daarvóór
komt, je leven ...
OIDIPOES
Daar geef ik niets om. -
Alleen de laatste eer. Dat is alles wat ik wens.
THESEUS
Je vraagt niet veel.
OIDIPOES
Niet veel, nee. Maar, vergis je niet, wat er uit voort zal
komen, dat is wel veel.
THESEUS
Heeft het iets met je zonen te maken?
OIDIPOES
Ja. Precies. -
Zij willen mij naar Thebe brengen.
THESEUS
Naar Thebe? Waarom niet? Is dat niet beter dan
verbanning? Is dat niet wat je wil?
OIDIPOES
Nee! Nee! Toen ik in Thebe wou zijn,
toen wou Thebe dit niet.
THESEUS
Is het wel verstandig om, in jouw toestand, te blijven
wrokken?
OIDIPOES
Luister eerst. Daarna mag je mij vermanen.
THESEUS
Ik luister.
OIDIPOES
Theseus, keer op keer ben ik door het lot geslagen.
THESEUS
Het oude verhaal van jouw geslacht.
OIDIPOES
(ongeduldig) Nee! Dat is algemeen bekend.
THESEUS
Wat was het dan, dat jou, meer dan wie ooit,
gebrandmerkt heeft?
OIDIPOES
Dit ... dat ik uit mijn land verjaagd werd
door mijn eigen vlees en bloed, door mijn zonen ...
en dat wat ik tegen mijn vader deed
mij elk recht ontzegt om recht te eisen.
THESEUS
Maar als dat zo is, waarom zouden zij jou willen
ontvoeren?
OIDIPOES
Het orakel dwingt hen daartoe.
THESEUS
Waarmee dreigt het orakel?
OIDIPOES
Dat zij gestraft zullen worden in jouw land.
THESEUS
Hier? Waarom? Er is geen twist tussen mij en jouw zonen.
OIDIPOES
De tijd, de tijd, mijn vriend,
verwoest alles alom, de onverwoestbare tijd spaart
alleen de goden
die geen dood en geen leeftijd kennen,
al het andere moet vergaan,
het sap van de aarde verdroogt,
vlees verrot, en zo verkwijnt ook trouw
en gedijt de ontrouw.
Vriendschap blijft niet gelijk, mijn vriend,
niet tussen de mensen, niet tussen de steden.
Zij verandert, vroeg of later,
vreugde verandert in verdriet en andersom.
Nu is de lucht over jou en Thebe helder,
maar de tijd heeft nog dagen en dagen
en nachten en nachten klaar in zijn grillig verloop,
en op zijn tijd steekt de punt van een zwaard
zijn kop op en maakt korte metten
met de vrede van deze dag,
en dan komt de tijd dat mijn koud karkas,
begraven in de aarde, warm bloed zal drinken.
Zo is dat. Zo is Zeus. Zo is de zoon van Zeus,
Foibos, die de waarheid heeft voorspeld.
Maar genoeg. Ik heb genoeg verteld.
Vraag me niets meer, maar houd je aan je woord.
Als je Oidipoes in je land een onderkomen geeft
zal je ervoor beloond worden. -
Tenzij, tenzij, de goden hebben gelogen.
THESEUS
(denkt na, richt zich dan tot het publiek)
Wat hij zegt klinkt waarachtig.
Wij moeten dat eerbiedigen.
Niet alleen op grond van wederzijdse gastvrijheid
voor vriend en bondgenoot,
maar ook omwille van de godinnen
waarvan hij de gunsten vraagt
en waarvan hij ons de gunsten belooft.
(wendt zich naar Oidipoes)
Oidipoes, beschouw jezelf van nu af aan
als een inwoner van mijn land.
OIDIPOES
God zal je zegenen, Theseus.
THESEUS
Goed. Kom met mij mee naar mijn paleis.
OIDIPOES
Dat kan ik niet.
THESEUS
Waarom niet?
OIDIPOES
Dit is de plek waar ik moet blijven.
THESEUS
Hier? Wat wil je hier? -
Niet dat ik het jou zou verbieden.
OIDIPOES
Hier moet ik hen die mij hebben verworpen overwinnen.
THESEUS
Is dit de winst die jouw aanwezigheid hier zou brengen?
OIDIPOES
Ja. Als je doet wat je mij hebt toegezegd.
THESEUS
Daar kan je op vertrouwen.
Ik zal je niet verraden.
OIDIPOES
Ik weet dat je goed bent.
THESEUS
Ik heb je mijn woord gegeven.
(hij wil weggaan, Oidipoes schrikt)
OIDIPOES
Wat ga je doen?
THESEUS
Waarom? Ben je bang?
OIDIPOES
(dringend) Zij zullen mij komen halen.
THESEUS
Je wordt door ons bewaakt.
OIDIPOES
Maar ... laat je mij alleen?
THESEUS
Maak je geen zorgen. Ik weet wat er te doen staat.
OIDIPOES
Natuurlijk. Vergeef me. Ik ben bang.
THESEUS
Daar is geen reden voor.
OIDIPOES
Zij hebben gedreigd. Jij weet niet ...
THESEUS
Eén ding weet ik. Dat niemand jou hier weghaalt zonder
mijn toestemming.
Zij dreigen? En dan? Zo vaak zwelt de luchtbel van een
dreiging uit de hitte van de woede.
Als daar de koude rede op volgt,
spat heel die dreiging uiteen.
Die mannen van jou zijn al te overmoedig
met hun praatjes over hoe zij je zullen ontvoeren.
Wij zullen ze ontvangen met een lange, zware storm.
Want niet alleen ik bescherm jou, ook Foibos doet dat,
de God van de Zon.

Theseus af.

OIDIPOES
Wit Kolonos, lieflijkste der landen,
land van slanke paarden, bebladerde valleien,
nachtegalen,
van klimop donker als wijn,
vruchten verstrikt in ranken, zwarte heesters,
wouden zonder wind
waar de god van de wijn
schaterlacht met zijn wilde vrouwen,
waar de narcis zijn glanzend haar baadt
als een kroon voor de godinnen
in de dauw van de morgen,
waar de gouden krokus glanst
bij de traag kronkelende stroom
met zijn borrelende bronnen
waarvan het klare water dag na dag de grond
bevrucht en de borsten van moeder aarde
doet zwellen.
Hier rijdt Afrodite met gouden teugels,
hier komen de Muzen samen,
hier, onder de groene olijfboom, wil ik haar vereren,
wil ik haar prijzen, deze moederstad,
meesteres van de paarden, minnares van de zee.

Plots lawaai, gedruis, geschreeuw.
Kreon komt op. Richt zich tot het publiek.

KREON
Heren van Kolonos,
ik zie aan uw ogen dat mijn komst u verschrikt.
Schrik niet, begin niet te schreeuwen of te schelden.
Ik kom hier niet met geweld.
Ik ben te oud om niet te weten
dat uw stad de machtigste is in Griekenland.
Heren, oud als ik ben,
werd ik gezonden om deze man hier te overtuigen
terug te keren naar het land van Thebe.
Dat vraagt niet zo maar iemand,
dat vraagt een ganse stad
die mij hierheen stuurt
omdat ik aan hem verwant ben
en beter dan wie ook
zijn smadelijke ellende ken.
(tot Oidipoes)
Oidipoes, arme, ongelukkige man, kom naar huis,
je volk smeekt het je en ik nog het meest.
Ik zou het uitschot onder de mensen zijn
als ik geen medelijden had met het leed
van je oude dag, als ik je zo zie dolen
als een bedelaar, als een vagebond, alleen
met je dochter, het arme jonge kind dat
veroordeeld is om eindeloos te zorgen
voor je gekwelde verminkte hoofd.
Oidipoes, wij zijn allen schuldig,
wij zijn allen beklaagden, jij, ik, onze hele familie,
wij kunnen het niet verbergen,
onze zonde is een klaarlichte dag.
Oidipoes, luister naar mij,
bij de goden van onze vaders,
denk aan onze schaamte en bedek haar,
kom naar de stad van je vaders,
het huis van je vaders,
zeg dit vriendelijk land dat je geholpen heeft
vriendelijk vaarwel,
want je moet nu allereerst naar ons toe,
naar de stad waar je geboren bent.
OIDIPOES
Jij, serpent! O, hoe listig verstrik je
je helse plannen in je argumenten!
Dacht je werkelijk dat je mij een tweede keer
kunt vangen in een netwerk
dat mij naar mijn ellende sleurt?
Er was een tijd dat ik zo ziek was
door de rampen die mijn hand had aangericht
dat ik niets liever wilde
dan verbannen te zijn.
Ik vroeg erom. Jij weigerde.
Maar toen mijn hartstocht was uitgebrand,
toen ik mijn huis veilig en rustig waande,
toen vond jij niets beters dan mij te verjagen!
Wat kon jou toen familie en verwantschap schelen!
En nu kom je weer,
nu je ziet hoe deze streek mij welwillend opgenomen heeft
gooi je een slijmerige mantel van liefde over je haat
en probeer je mij mee te lokken.
Ik wil jouw gunsten niet, bedankt!
Als iemand alles wat je vroeg op hoon onthaalde,
je liefste wensen de grond in boorde
en dan als je hart bedaard is en tevreden
met een flutterige fooi aankwam,
zou jij hem daarvoor danken?
Wat je mij voorschotelt, Kreon, het is een rotte vrucht.
Mensen, merken jullie niet
hoe zijn aanbod stinkt! -
Je bent hierheen gekomen,
niet om mij naar mijn vroeger huis te leiden
maar om mij bij je grenzen neer te zetten
en zo je stad te behoeden voor grote rampen.
Vergeet het, man! Mij krijg je niet!
Wat je krijgt is mijn eeuwigdurende vloek
over je land!
En wat mijn zonen aangaat, hun erfenis
zal niet langer en breder zijn
dan het stuk grond waarop zij sterven.
Kreon, beter dan jij
kan ik met mijn blinde ogen
de toestand van jouw Thebe lezen, weet je waarom?
Omdat ik geleid word door ware woorden,
die van de god Foibos en die van zijn almachtige
vader Zeus!
Jij komt hier met je kunstige politieke praatjes,
scherp gewet door levenslang bedrog,
maar je welsprekendheid, meneer, dat zal je ondervinden,
zal je meer kwaad dan goed doen!
Maar ik merk het, je gelooft mij niet,
wel dan, ga jij jouw weg,
dan ga ik de mijne.
Hard als het is, ik kies mijn lot,
ik ben er tevreden mee.
KREON
Ik vrees dat je met zo'n redenering
jezelf meer kwaad doet dan mij.
OIDIPOES
Laat dat aan mij over. -
Zolang jij hier geen terrein wint,
bij mij of bij mijn vrienden.
KREON
Ik vind je zielig. De jaren hebben jou
geen spat redelijkheid geleerd, zie ik.
Je blijft een schande voor je leeftijd.
OIDIPOES
Klets jij maar, slimme ekster.
Wie zo handig pleit is geen goed mens.
KREON
Maar jij praat veel meer dan ik.
Dus nog meer onzin.
OIDIPOES
Maak het kort. Dit zijn mijn vrienden,
en ik spreek namens hen. Ga weg.
En neem je knechten en je spionnen mee.
En laat me met rust.
Dit is mijn huis en hier blijf ik wonen.
KREON
Ik maak het kort. Deze mensen kunnen getuigen
dat ik het goed met jou voor had en dat
jouw enige antwoord schelden was.
Maar als ik jou te pakken krijg ...
OIDIPOES
Dat zal nooit gebeuren. Ik heb mijn vrienden.
KREON
Er zijn andere manieren.
OIDIPOES
Bedreig jij mij? Waarmee? Wat bedoel je?
Wát heb je gedaan?
KREON
Je dochters ...
OIDIPOES
Wat is er met mijn dochters? (uitzinnig)
KREON
Wij hebben ze vastgenomen. Zij zijn geboeid.
OIDIPOES
Nee! Nee!
KREON
Jawel. Je bent nog niet klaar met kermen.
OIDIPOES
Jij hebt mijn dochters gestolen!
(tot het publiek)
Vrienden, help mij! Laat mij niet alleen!
Laat me niet in de steek! Jaag deze vunzige duivel weg,
meteen!
Nee? Laat Kolonos mijn dochters gevangennemen, zij die
mijn ogen hebben? Willen jullie het laatste glimpje licht
uit mijn hersenen rukken?
Waar is de wet, waar de gerechtigheid
die dit land regeren?Is dit een stad van slaven,
een lege stad?
KREON
Mannen van Athene, ik onderschat uw waarde niet, maar
nooit had ik durven denken dat u iemand van mijn geslacht,
van mijn bloed, de hand boven het hoofd zou houden tegen
mijn wil, dat u mij zou trotseren door deze besmette
vadermoordenaar te beschermen, deze bloedschandige
wellusteling.
Een dergelijke misdadiger mag geen rustplaats vinden!
Hebt u zijn walgelijke vervloekingen niet gehoord?
Over mijn ras en over mij?
OIDIPOES
Die moord en die bloedschande
en alle dingen die eruit volgden
en die mij hebben verpletterd,
het zijn de goden die dat hebben gewild,
de moedwillig kwaadwillige, wraakzuchtige goden!
Mijn leven was onschuldig!
Mensen, zoek naar om het even welk schuldig
geheim in mij en wat zullen jullie vinden?
De zonde die mij en mijn nakomelingen heeft
vervloekt kwam van mijn vader
die door de stem van de hemel werd voorbestemd
om te sterven door de hand van zijn zoon.
Hoe kan ik daarvoor verantwoordelijk zijn,
ik, die toen dit goddelijk bevel werd uitgesproken
niet eens geboren was, niet eens verwekt?
En toen ik geboren werd,
geboren voor deze rampzaligheid,
en ik mijn vader per toeval tegenkwam en doodde,
zonder te weten wie hij ws of wat ik deed,
hoe kon die onwetende daad
een zonde zijn?
Hoe kunnen jullie deze daad tegen mij keren?
Mijn moeder ... o, schaamte, dat ik genoodzaakt word om
er weer over te spreken ... zij was mijn moeder, en ik wist
het niet, zij ook niet, wij wisten niet wat wij deden ... zij
heeft mijn kinderen gebaard ... ik kan er niet over spreken,
ik wil het niet, net zomin als ik wilde wat ik deed ... en
toch moet ik het opnieuw zeggen, ik kan niet veroordeeld
worden, ik zal het nooit worden, noch voor mijn huwelijk
noch voor de moord op mijn vader die jullie in mijn
gezicht gooien ...
Geef mij antwoord! Jij daar, jij, of jij!
Als hier en nu iemand opdook en dreigde om je je leven, je
onschuldig leven, te ontnemen, zou jij dan de tijd nemen
om na te denken of die belager misschien je vader is,
onherkenbaar vermomd?
Natuurlijk niet! Zou je op een gerechtelijk goedachten
wachten tegenover een dreigende moordenaar? Nee, je
zou hem meteen met gelijke munt betalen! -
Kreon kent geen gerechtigheid. Hij zwetst maar over
deze dingen die ... onuitspreekbaar zijn. Hij heeft ontzag
voor jullie geordende staat, zegt hij, hij onderschat jullie
niet, zegt hij, en toch is het op deze grond, in deze staat dat
hij een oude man die bescherming zoekt bij de godinnen,
wil ontvoeren. Zoals hij mijn dochters heeft gestolen!
(roept) Antigone! Ismene!

Donker.
Lawaai. Oorlog. Kreten.
Als het licht weer opkomt, tracht Oidipoes de oorlogskreten
te ontcijferen.
Antigone komt op.
Zij gaat naar Oidipoes, omhelst hem.

ANTIGONE
Vader!
OIDIPOES
Antigone, mijn oogappel, mijn liefde. Je bent gered.
(zij strelen elkaar)
ANTIGONE
Theseus heeft ons uit de klauwen van Kreon gehaald,
mij en Ismene.
OIDIPOES
Ik dacht dat ik jou nooit meer zou kunnen voelen.
O, blijf hier, dicht tegen mij.
ANTIGONE
Ik wil niets liever.
OIDIPOES
Mijn lieveling.
ANTIGONE
Mijn vader.
OIDIPOES
Ik was verloren zonder jou. Nu ben je weer van mij.
Nu zou ik gelukkig kunnen sterven, met jou naast mij.
Blijf dichtbij.
O, ik was zo alleen. Het mag nooit meer gebeuren.
Laat mij jou aanraken, ik die besmet ben door alle vunzigheid
op aarde en die iedereen besmet die mij nadert.
ANTIGONE
Mij niet.
OIDIPOES
Jawel, want je bent mijn bloed, ook door de kwade vingers
van de goden aangeraakt.
ANTIGONE
Dan is dat goed.
(stilte; aarzelend) Vader, in de tempel van Poseidon zit een
man ... hij wacht op een teken van jou.
OIDIPOES
Van mij?
ANTIGONE
Hij komt van Argos.
OIDIPOES
Wat wil die man?
ANTIGONE
Hij is ... familie van ons.
OIDIPOES
Geen woord meer, Antigone!
Ik ken de man. Het is mijn ergste vijand. Iemand wiens
stem ik niet wil horen.
ANTIGONE
Ook geen drie woorden?
OIDIPOES
Antigone, verplicht mij niet om ...
ANTIGONE
Vader, alstublieft. Ik ben jong, ik mag jou niets opdringen ...
toch doe ik het. Sta hem te woord. Doe het voor de
God die ons beschermt. Ismene wil het ook. En koning
Theseus.
Je moet niet bang zijn voor wat mijn broer zal zeggen.
Je laat je toch niet overreden. Welk kwaad kan jou
overkomen als je hem even aanhoort?
Integendeel. Je kent hem door en door, je zal meteen
merken of er verkeerde bedoelingen schuilen in zijn
woorden. Je bent zijn vader. Zelfs al heeft hij jou het
wreedste aangedaan, je bent zijn vader. Mag hij komen?
Zonen zijn wild, vaders moeten dat weten. Herinner je
wat er met jou gebeurd is door jouw vader en moeder.
Wat voor een vreselijk kwaad is er toen niet ontstaan uit
woede en wrok en wraak? In je dode ogen staat hun les
gegrift.
Doe het voor mij, vader. Zeg ja. Laat hem en mij en Ismene
niet in de bittere kou staan.
OIDIPOES
Het is hard ... hard om te zeggen. Ja. Goed. Ja.
(Antigone gaat af)
OIDIPOES
Toon mij de man die een te grote hap van het leven wil,
die verliefd is op te veel, die op zijn ongemak is met minder,
en dan zie je iemand die gek is op de dwaasheid.
Hoe ouder je wordt, hoe meer pijn er is,
er is niet overal vreugde als de jaren verwelken,
alleen op het allerlaatst komt hij
die ons komt helpen zonder muziek of dans of lied,
hij, de enige die ons vrede brengen kan.
Zeg wat je wil, het beste is niet geboren te zijn,
maar als je leven eenmaal begonnen is
dan is het beste zo snel mogelijk te sterven,
terug te keren naar dat nietig gebied van het niets
waar ons leven begon.
Als de simpele speeltuin van onze jeugd verdwenen is
rest er ons alleen ellende en aftakeling,
twist en gevechten en moord en nijd en haat
en ten langen leste de smadelijke
fnuikende ouderdom,
de ergste ziekte die ons verteert.
Zo sta ik hier, niet ik alleen
maar wij allen op zijn tijd,
een stuk steen in de woeste zee van het noorden
in de felle winter, het gezicht gericht naar de golven
die mij bespatten van alle kanten,
onophoudelijk, bij zonsondergang, bij dageraad,
bij de hitte van de middag, bij de noordpool van de nacht.
(hij vindt een pannetje met eten, eet eruit)

Polyneikes komt op.

POLYNEIKES
Vader.
OIDIPOES
(zonder opkijken, mat) Polyneikes.
POLYNEIKES
(kijkt naar zijn vader, barst in tranen uit)
Ik kan het niet helpen, vader. Je kapotte ogen. Die
gore lompen. En je haar, spierwit in de wind.
Wat eet je daar? Wat schraap je uit die vieze pan?
Vader, ik weet nu, ik weet het nu, te laat,
wat ik heb gedaan, wat ik je heb aangedaan,
zonder hart in mijn lijf.
Vader, zit, zoals je vroeger vertelde, de godin van de
barmhartigheid naast de troon van God? Bestaat zij?
Roep haar dan aan, vader!
Ik doe het.
Voor wat ik heb gedaan is er geen genezing
maar toch, erger kan het nooit worden.
Wil je niet met mij spreken?
Vader, wend je niet af! -
Geen woord? Geen barmhartigheid?
Stuur je mij weer weg zonder een woord,
niet eens om te zeggen waarom je kwaad bent op mij?
Koning Theseus zag mij in de tempel van Poseidon,
hij gaf mij toestemming om met jou te spreken. -
Vader, luister, waarom ik hier gekomen ben.
Ik ben verbannen uit mijn, uit ons land
omdat ik mijn eerstgeboorterecht opeiste, het
recht om als eerste op de troon te zitten, op uw troon.
En Eteokles, die na mij geboren is, heeft mij verjaagd.
De zaak is nooit voorgekomen, er was geen gevecht.
Op een of andere manier heeft hij de stad aan zijn kant.
Waarschijnlijk door de vloek die rust op jouw naam.
Althans dat zeggen de orakels.
Toen ben ik naar Argos gegaan in het Dorisch land
en ik ben er getrouwd met de dochter van Adrastos.
De bekendste, de sterkste vechters daar
werden mijn wapenbroeders en met hen heb ik
beraamd om met een leger van zeven vendels
Thebe in te nemen, de overweldiger van de troon te
smakken of eervol onder te gaan.
Waarom ben ik hier?
Ik ben hier om jou, vader, een smeekschrift te brengen,
van mij en mijn vrienden, zeven in getal, die op
dit ogenblik de vlakte van Thebe omsingelen en Thebe
willen slopen en verbranden. Ik, je zoon, zal dit
vastberaden leger leiden.
Vader, de bede van deze groep is dat jij,
omwille van je dochters, omwille van jezelf,
de woede die je koestert tegenover mij zou doven
nu ik me klaar maak om mij te wreken
op de broer die mij mijn land ontnomen heeft.
Als de orakels de waarheid spreken
zal hij overwinnen die jouw zegen heeft.
Vader, als je ons land, onze bron, genegen bent,
als je de goden vereert
die ons lieten geboren worden, hoor mij dan aan.
Ik ben zoals jij, zonder huis, uitgestoten,
wij beiden moeten bedelen om gastvrijheid
terwijl die blaaskaak ons op zijn troon
zit te honen.
Als ik daaraan denk, schift mijn bloed van woede.
Maar met jouw zegen over mijn onderneming
zal ik hem van de troon schoppen,
en als wij met hem klaar zijn
zal ik jouw rang herstellen op je terechte plek
en ik op de mijne. Met jouw instemming
zal ik zegevieren. Zonder haar ben ik dood.
OIDIPOES
(tot het publiek)
Heren, als jullie koning Theseus hem niet hierheen had
gezonden en gewild had dat ik met hem sprak dan had hij
dood kunnen vallen voor mijn voeten voor hij één woord
van mij hoorde.
Ik zal hem toespreken. Luistert.
(tot Polyneikes)
Luister, schoft!
Jij had de scepter en de koninklijke troon
voor je broer ze van jou heeft afgepakt,
en jij was het die je vader uit zijn huis verjoeg
zodat hij als een bedelaar moest zwerven.
Het was jouw cadeau, mijn armoede
die jou zogezegd doet huilen
omdat je nu in hetzelfde bootje zit.
Man, de tijd voor tranen is voorbij.
Ik zal mijn leven leiden zoals het is, tot het voorbij is
en mijn dood over je kop valt.
Jij hebt mij dit juk opgelegd, jij hebt
mij geleerd hoe ik om een aalmoes moest vragen,
ik was gecrepeerd
als ik mijn dochters niet had gehad
die mij in leven hielden.
Zij zijn mijn zonen, jij bent door een andere man verwekt.
En nu staat het oog van het noodlot op jou gericht
en dat noodlot zal jou overvallen met zijn woede,
zeker nu dat leger van jou naar Thebe rent.
Die stad zal nooit in jouw handen vallen.
Jullie zullen vallen, jij en je broer,
en bloed zal over jullie hoofden spatten.
Polyneikes, ik heb je eerder vervloekt,
ik vervloek je nu weer, het is mijn enige wapen
tegen jullie. Ah, wat een zonen!
En dat smeekschrift van jou! Dat eerstgeboorterecht!
Ik vervloek ze zolang de eeuwige gerechtigheid regeert.
Weg met jou, onmens, je hebt hier geen vader,
en knoop deze vloek in je oren:
Dat je nooit je vaderland moge verslaan,
dat je nooit levend naar Argos terugkere,
dat je, creperende, hem die jou verbande, vermoorde
en dat je hem vermoordende crepere!
dat is mijn gebed
in de naam van de Vader van de Duisternis
en van de bodemloze put waar je in zal storten,
in de naam van de Heer van de Vernietiging
die jou in deze dodelijke twist heeft gestuwd.
Ga nu, vlerk,
een vertel dit in alle straten van Thebe,
vertel dit aan je trouwe vrienden, 
zeg hun wat voor een zegen
koning Oidipoes aan zijn zonen gegeven heeft!
POLYNEIKES
(tot het publiek)
Dit alles voor niets.
Voor minder, voor erger dan niets.
Al die vrienden die op mij rekenden,
al die verwachtingen die wij hadden
toen wij vanuit Argos marcheerden.
Om dit resultaat, om niets.
Ik durf hun dit niet te melden. En ik kan hen niet meer
terugroepen.
Met mijn mond dichtgesnoerd moet ik verder,
naar hetgene dat op mij wacht.
Als al de meedogenloze vloeken van mijn vader
veranderen in daden,
dan, dan, mensen, als jullie ooit naar Thebe komen,
dan vraag ik jullie, bij alle goden,
denk aan mij met enige genade
en geef mij een graf. Zeg de doodsgebeden.
Ik kan mijn leger niet terugleiden naar Argos.
Het is te laat. Als ik nu aarzel, hoe kan ik
hen ooit nog naar een nieuwe oorlog voeren?
En moet ik de hoon van de verbanning dulden,
de spot van mijn broer slikken
die jonger is dan ik?
Nee, ik ga niet terug. Ik zal mijn soldaten niks
vertellen. Een kundige leider verspreidt kwaad
nieuws niet nutteloos.
Ik ga. Ik ben besloten.
Ik zie de weg die ik moet gaan,
hij is zwart, vol grimmige schaduwen
die om wraak krijsen
als antwoord op het gebed van mijn vader.
Burgers van Athene,
moge God zich over jullie erbarmen, zoals over mij.
Bid voor mij het doodsgebed.
Meer heb ik niet te vragen.
(hij gaat af)
OIDIPOES
De oude blinde is kwaad
en meteen vermenigvuldigt het ongeluk zich.
Of is het de hand van het noodlot?
Wie zal het zeggen of God wikt en weegt?
De tijd is wakker, het wiel draait
en verheft zich en smakt neer, keer op keer.
(plotse donderslagen)
Het dondert op het dak van de hemel!
(schreeuwt) Theseus! Koning Theseus!
Mensen, laat hem halen.
De stem van God blaast door de wolken.
Zij roept mij. Zij roept om mijn dood.
(donderslagen)
De hemel blaft en rochelt.
Gods donder komt nader.
Zijn vuur ritselt over mijn schedel.
Waarom? Ik weet het.
O God, help mij. -
Antigone! Ismene! De tekenen zijn daar.
Jullie vaders leven loopt af,
naar zijn onafwendbaar einde. -
De koning, de koning moet komen.
(donderslagen)
Waar blijft hij?
Hij moet komen vóór ik dood ben,
vóórdat mijn ziel verbrandt.
Ik heb hem een zegen beloofd
voor wat hij voor mij heeft gedaan.
Ik moet mijn belofte gestand doen.
(donderslagen)
(Theseus komt op)
Ah, Theseus, koninklijke meester!
THESEUS
Waarom schreeuw je zo? Heb je mij nodig?
Ben je bang voor de storm,
voor de lucht die knettert van Gods vuur?
OIDIPOES
O mijn koning,
je bent er zoals ik had gehoopt.
De hemel die nu raast en briest
zendt genade over je hoofd.
THESEUS
Wat is er, Oidipoes?
OIDIPOES
Dit. Mijn uur is gekomen
en ik mag niet sterven voor ik nakom
wat overeengekomen werd
met jou en met je stad.
THESEUS
Hoe weet je dat je lot
nu voltrokken wordt?
OIDIPOES
Door de goden. Zij zijn hun eigen boden.
Zij melden thans met hun voorspelde signalen
dat alles is vervuld.
THESEUS
Signalen?
OIDIPOES
Donderslagen, uiteenspattende meteoren,
het arsenaal der goden.
THESEUS
Ik geloof je.
Je voorspellingen komen uit.
Wat moet ik doen?
OIDIPOES
Zoon van Aigeus, wat ik je nu ga vertellen
moet de stad in zijn geheime hart sluiten
en er levend houden tot het einde der tijden. 
Zo meteen, zonder dat iemand me leidt,
zal ik je naar de plek brengen
waar ik moet sterven.
En niemand anders mag dit weten.
Zeg aan geen mens op aarde iets
over de streek waar mijn dood werd volbracht,
die voor altijd voor jou van nu af aan
een bron van kracht zal zijn,
sterker dan duizend soldaten.
Alleen op die plek zal je worden ingewijd
in het mysterie dat geen mond mag uitspreken.
Niemand anders kan ik dit onthullen,
niet eens mijn eigen kinderen die ik zo bemin.
Theseus, bewaar dit geheim,
en als je het einde van jouw leven voelt naderen
fluister het dan tot één man, je erfgenaam,
en zo zal hij doen met zijn kind, en zo verder
in de eeuwigheid.
Zo en zo alleen zal je stad veilig zijn en beschut
tegen de macht van de Zonen van het Zaad
van de Draak.
Steden keren zich met geweld tegen elkaar
en de goden zien dit aan,
niet aflatend zien zij hoe de goddeloosheid regeert,
hoe waanzin de mensen behekst.
Laat dit jou niet gebeuren, zoon van Aigeus.
Maar dat weet je wel,
je hebt mijn lering niet nodig. -
Het is mijn tijd, ik moet gaan,
de hand van God leidt mij.
(hij gaat met trage, doch zekere passen)
Kinderen, Antigone, Ismene,
kom met mij mee.
Volg mij, voor één keer ga ik jullie voor
zoals jullie zo vaak bij mij gedaan hebben.
Kom. Nee, kom niet aan mij.
Ik moet de weg naar de gewijde groeve vinden
waar de leem van dit land
mijn gebeente zal omsluiten.
hier ... langs hier ... De godin van de onderwereld
leidt mij ...
(hij voelt de zon op zijn gezicht en zijn handen)
Donkere dag! Hoe lang geleden was jij licht voor mij.
Vaarwel, dag, ik voel je nog, voor het laatst.
De nacht van de dood nadert
en vreet aan mijn leven.
Theseus, ik zegen je land en al wie het dient.
Gedenk mij in je geluk, mijn allerliefste vriend,
en je geluk zal eeuwig zijn.
THESEUS
(kijkt Oidipoes na die zich verwijdert)
(biddend)
Onzichtbare godinnen, spaar hem de pijn
en het verdriet in het huis
waarvan niemand ooit terugkeert.
Wees genadig, onwrikbare, onoverwinnelijke,
huilende honden van de hel.
En jij, eindeloze slaap,
verdoof hem zacht in het diepe land der doden.

De landman komt op.

LANDMAN
(komt naar het publiek, gaat zitten)
Hoe hij gestorven is?
Jullie hebben gezien hoe hij deze plek verliet, hoe hij niet
wou dat de hand van vrienden hem leidde, hoe hij
vooropging, vóór ons allemaal.
Hij ging tot aan de steile afgrond waar de Koperen Trap
verdwijnt in de wortels van de aarde.
Bij de holte in de rots bleef hij staan, tussen de gewijde
elementen, het Bekken, de Rots van Thoricus, de Holle
Perenboom, het Stenen Graf.
Hij ging zitten. Hij trok zijn vuile kleren uit, hij vroeg
zijn dochters water te halen uit de stroom zodat hij zich
kon wassen en een wateroffer plengen.
Zij gingen naar de Heuvel van de Oogstgodin die voor ons
lag en brachten hem wat hij vroeg. Toen wasten zij hem
en kleedden hem zoals gewoonlijk.
Toen dit gebeurd was kwam er plots een ontzagwekkende
donderslag, de stem van de God van de Aarde. En de
vrouwen beefden en huilden en vielen aan hun vaders knieën
en zij kermden en sloegen op hun borsten. Hij nam zijn
beide dochters in zijn armen en zei:
OIDIPOES
(verschijnt, badend in een irreëel licht)
Kinderen, vandaag verlaat vader jullie. Dit is het einde
van alles wat ik was en het einde van jullie lange zorgen
voor mij. Ik weet hoe moeilijk het was. Toch was het
licht, door één woord, door liefde. Ik heb van jullie tweeën
gehouden als niemand ooit zal doen. Nu moeten jullie 
leven zonder mij.
LANDMAN
De twee dochters van Oidipoes klampten zich kermend
aan elkaar vast. Toen hielden zij op. Toen was het stil. En
plots riep een stem, een ijzingwekkende stem die hun
nekharen overeind deed staan. De stem van de God riep:
'Oidipoes, Oidipoes, het is tijd! Je blijft te lang!'
Hij hoorde de stem en wist dat het een God was die riep.
En hij wenkte koning Theseus en toen deze vlak bij hem
was, zei hij:
OIDIPOES
(fluisterend)
Goede vriend, geef mijn kinderen de hand. Ja zo. En
beloof me, laat hen nooit in de steek, waak over hen, wees
goed voor hen.
LANDMAN
Theseus, edel als hij is, zwoer die eed. En toen dit voorbij
was graaide Oidipoes blind in de lucht, zijn vingers
vonden zijn dochters en hij omklemde hen en zei:
OIDIPOES
Nu, dochters, nu moeten jullie dapper zijn en weggaan
van deze plek. De mysteries zijn heilig, jullie mogen ze
niet zien, niet horen. Alleen Theseus mag hier blijven en
het einde zien. Ga nu. Snel. Alsjeblieft.
(hij verdwijnt)
LANDMAN
Dat hoorden wij en wij weenden, en wij gingen toen weg,
met de meisjes.
Toen we een eindje gegaan waren, kleken wij om. Oidipoes
was nergens meer te zien. Koning Theseus stond er alleen,
met zijn hand voor zijn ogen alsof hij iets had gezien, iets
zo vreselijks dat niemand ernaar kon blijven kijken. Toen
zagen wij dat hij knielde en bad tot de hemel en de bergen.
Hoe Oidipoes van de aarde verdwenen is kan niemand
vertellen. Alleen Theseus weet het.
Wel weten wij dat hij niet door een bliksemschicht uit de
hemel werd verwoest, noch door een wervelwind uit de
zee werd weggerukt, want die dingen gebeurden niet.
Misschien heeft een God hem in de lucht opgenomen.
Misschien heeft de aarde zich welwillend geopend en hem
ontvangen zonder pijn. Wat zeker is, is dat hij geen
doodsstrijd heeft gekend, en dat is het wonderbaarlijkste
dat iemand kan overkomen. Het zal ons niet overkomen,
alleen in onze dromen.

Donker.



In Kolonos werd voor het eerst opgevoerd in een produktie
van HET N.E.T. ARCA te Gent op 15 april 1985.
Spelers: Aafje Bruynings en Julien Schoenaerts.