Statius: Silvae V.4

Somnus

Crimine quo merui, iuvenis placidissime divum,
quove errore miser, donis ut solus egerem,
Somne, tuis? Tacet omne pecus volucresque feraeque
et simulant fessos curvata cacumina somnos,
nec trucibus fluviis idem sonus; occidit horror                  5
aequoris, et terris maria adclinata quiescunt.
Septima iam rediens Phoebe mihi respicit aegras
stare genas; totidem Oetaeae Paphiaeque revisunt
lampades et totiens nostros Tithonia questus
praeterit et gelido spargit miserata flagello.                     10
Unde ego sufficiam? Non si mihi lumina mille,
quae sacer alterna tantum statione tenebat
Argus et haud umquam vigilabat corpore toto.
At nunc heu! si aliquis longa sub nocte puellae
brachia nexa tenens ultro te, Somne, repellit,                  15
inde veni; nec te totas infundere pennas
luminibus compello meis - hoc turba precatur
laetior - : extremo me tange cacumine virgae,
sufficit, aut leviter suspenso poplite transi.


Werkvertaling:

Door welke misdaad heb ik verdiend, jongeling, kalmste van de goden,
of door welke vergissing (ben ik zo) ongelukkig, dat alleen ik jouw geschenken niet kreeg,
Slaap? Stil is al het vee en de vogels en de wilde dieren 
en de gekromde bergtoppen hebben gelijkenis met vermoeide slaap,
en woeste rivieren maken niet hetzelfde geluid (als anders); de wilde deining              5
van de zee wordt vlak, en de zeeën leunen tegen de landen en rusten uit.
De Maan,  de zevende al, komt opnieuw en ziet mijn zieke 
ogen open staan; evenzovele fakkels van Oeta en Paphos bezoeken mij
en even vaak komt Tithonia voorbij langs mijn klachten
en sprenkelt ze vol medelijden dauw met haar ijzige zweep.                                            10
Hoe moet ik dat slaapgebrek compenseren? Of: Hoe kan ik dit volhouden? Niet als ik de duizend ogen had,
die de heilige Argus slechts in wisselende dienst open hield;
nooit was hij wakker met zijn hele lichaam.
Maar nu, ach! als iemand in de lange nacht van een meisje 
de armen omstrengeld houdt en uit zichzelf jou, Slaap, verdrijft,                                    15
kom dan vandaar; en ik eis niet eens, dat jij je vleugels helemaal
over mijn ogen spreidt – daarom bidt
een gelukkiger groep mensen -: raak me aan met het uiterste puntje van je staf,
dat is genoeg, of ga lichtjes met opgetrokken knie over me heen.


Commentaar:

r. 7: Phoebe is de zus van Phoebus Apollo, de zon; zij is Diana, de maan.
r. 8: Oeta: berg in Thessalia. Paphos: Grieks eiland, gewijd aan Venus. De Oetaeae Paphiaeque … lampades zijn de avond- en morgenster (de planeet Venus) die de dichter ook al zeven keer zonder nachtrust heeft moeten zien.
r. 9: Tithonia is de echtgenote van Tithonus, Aurora, de Dageraad. Aurora jaagt de sterren voor zich uit met een zweep, waaruit koele dauw valt.
r. 11: Non si mihi lumina mille: ? Ik begrijp de relatie met Unde ego sufficiam? niet. Non sunt mihi lumina mille zou ik beter begrijpen. Of Non sic mihi lumina mille. Of kan Non si betekenen: Ik zou dit niet vragen, als … ?
r. 13: Argus werd door de godin Juno als bewaker aangesteld over de door haar in een koe veranderde Io. Meestal heeft Argus honderd ogen, die nadat hij gedood was door Mercurius op de staart van de pauw werden geplaatst.


Vertaling:

Waarvoor moet ik boeten, jij sloomste der goden,
wat heb ik misdaan, dat ik nu jouw cadeau
ellendig moet missen? Slechts mij straf je zo.
Jonge god van de Slaap, wat deed ik verboden?

Alle dieren ter wereld zijn van sluimer graag klant.
De toppen van bergen liggen te slapen,
het geluid van rivieren ruist zachter tot gapen,
de zee rust zijn schuimkop op het kussen van land.

Maar mij ziet de maan nu al zeven nachten,
en mij zien de sterren, even vaak een affront,
met ziek open ogen naar dromenland smachten.
Het is lang wachten tot de dageraad komt:
zij sprenkelt haar dauw en lijdt mee met mijn klachten. 
Mijn morgenstond heeft molm in den mond.

Geen oog doe ik dicht en ik heb er maar twee.
Het monster de Argus pronkt er met honderd.
Zij slapen bij toerbeurt, dat hij niet wordt bedonderd.
Mijn lijf wil zo’n ploegendienst, mijn ogen: nee.

Er is vast wel een minnaar in de armen van zijn lief,
die heel de nacht jou, Slaap, van zich jaagt.
Laat hen maar met onrust en kom hier, alsjeblief!
Het complete pakket is wel veel gevraagd,
maar een tik met het puntje van je staf is al raak,
of spring over me heen en mors dan wat vaak.