DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

DE VROUWEN VAN TRACHIS

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



DE VROUWEN VAN TRACHIS

   Heracles, de legendarische en later vergoddelijkte Griekse heros, zoon van Zeus bij Alcmene, was gehuwd met Deïanira, dochter van Oeneus, koning van Aetolië. Als straf voor een door hem gepleegd misdrijf moest hij op bevel der goden twaalf werken verrichten, hem door Eurystheus, koning van Argos, opgelegd. Nadat hij deze tot een goed einde had gebracht, vergreep hij zich aan het leven van Iphitus, zoon van Eurytus, koning van de stad Oechalia op het eiland Euboea, toen deze hem eens in Tiryns, Heracles' woonplaats, een bezoek bracht. Heracles werd daarom uit Tiryns verbannen, maar wist zijn gezin een nieuw onderkomen te bezorgen bij Ceyx, koning van Trachis aan de Malische Golf. Zelf echter verliet hij de zijnen weer, met onbekende bestemming. Onze tragedie speelt te Trachis, vijftien maanden na Heracles' vertrek. De toneelachtergrond wordt gevormd door den voorgevel van het paleis van koning Ceyx. Het koor bestaat uit vrouwen van Trachis. Het stuk bevat zeven rollen, die men op verschillende manieren over de drie acteurs kan verdelen: Deïanira, Heracles, Hyllus (zoon van Heracles en Deïanira), de voedster van Deïanira's kinderen, een bode, Lichas (heraut van Heracles), een grijsaard. Verder krijgsgevangen vrouwen, waaronder Iole, dochter van koning Eurytus (een zwijgende rol), en manschappen van Heracles, onder anderen dragers van de baar waarop hij ligt uitgestrekt (figuranten).
   De prologos toont ons Deïanira, meer dan ooit met zorg over Heracles vervuld. Dit doet haar mijmeren over de vele zorgen die het leven haar tot nu toe reeds heeft gebracht. Eerst heeft zij langen tijd in vrees geleefd voor den monsterlijken riviergod Acheloüs die haar wilde huwen. Nadat Heracles hem had overweldigd en haar tot zijn echtgenote had gemaakt, werd haar kortstondig geluk weldra door nieuwe angsten en kommer vertroebeld: steeds opnieuw noopten de hem door Eurystheus opgelegde taken Heracles haar met haar inmiddels steeds groeiend kindertal alleen te laten, steeds opnieuw leefde zij in de beklemmende onzekerheid of hij nog wel ooit behouden en wel zou terugkeren. En nauwelijks was dit alles goed en wel achter den rug, of zij moesten, na Heracles' aanslag op Iphitus, overhaast de wijk nemen naar Trachis. Heracles zelf echter was niet met hen meegekomen, maar was sindsdien — nu juist vijftien maanden geleden —spoorloos verdwenen, zonder dat zij ook maar iets omtrent hem had vernomen; slechts een brief had hij haar achtergelaten, een raadselachtigen, onheilspellenden brief....
   Op dit ogenblik onderbreekt de voedster haar overpeinzingen. Zij heeft Hyllus, een der zoons van Heracles bij Deïanira, zien naderen en waagt het nu haar meesteres den raad te geven hem uit te zenden om zijn vader te zoeken. Deze heeft echter juist enig nieuws omtrent zijn vader vernomen: Heracles heeft in de afgelopen vijftien maanden eerst, als straf voor zijn vergrijp tegen Iphitus, een jaar lang als slaaf moeten dienen bij de Lydische koningin Omphale, nu echter rukt hij op tegen Oechalia, de stad van Iphitus' vader Eurytus. Ineens is voor Deïanira de hachelijke toestand waarin haar echtgenoot verkeert duidelijk. In den brief, dien hij bij haar had achtergelaten, had hij haar immers, op grond van een hem vele jaren tevoren gegeven orakelspreuk, verzekerd dat hij na verloop van vijftien maanden óf zou omkomen óf als overwinnaar zou terugkeren en de rest van zijn leven in ongestoorde rust en vrede met de zijnen zou doorbrengen. Dit kritieke ogenblik was nu aangebroken! Snel deelt zij Hyllus den inhoud van 's vaders brief mede en terstond snelt hij heen om zijn vader in dit beslissend uur bij te staan.
   Nu betreedt het koor van Trachinische vrouwen de orchestra. Zij hebben het nieuws omtrent Herades, zoëven door Hyllus medegedeeld, nog niet vernomen. Zij weten slechts dat Deïanira in hoge mate ongerust is; daarom, zo zeggen zij, zijn ze ook gekomen. Zij richten een vurig gebed tot Helios, den machtigen, alzienden zonnegod, om te willen zeggen waar Heracles zich toch bevindt. Bij Deïanira dringen zij er op aan den moed niet te verliezen: Zeus immers zorgt voor zijn kinderen; ook voor haar zullen eens angst en zorg verkeren in vreugde en geluk!
   Hierna vertelt Deïanira aan de Trachinische vrouwen de reden van haar bijzondere bezorgdheid juist op dit ogenblik: Heracles' brief! En zij vertelt er nu bij, dat Heracles in dezen brief — tevoren had hij nooit zoiets gedaan — haar velerlei testamentaire beschikkingen had toevertrouwd voor het geval dat hij niet levend mocht terugkeren. Was het wonder dat zij in dodelijken angst en ongerustheid verkeerde? Op dit ogenblik echter kondigt het koor de komst van den vreugdebode aan:

Deï. Vriendinnen, dit's de reên dat ik niet slaepen kan,
Uit dootschrik voor 't verlies van zulk een' braven man.
Ko. Schep moedt, een man brengt stof tot juichen en verblijding.
De krans bekranst zijn hooft. Hy brengt een blijde tijding.
Bo. O Deianier, mevrou, ik, d'eerste bô van al,
Ontsla uw hart van rouwe en schrik voor ongeval.
Noch leeft Alcmene's zoon. Hij won den strijt alreede
En brengt inlantschen goôn zijne eerstelingen mede.
Deï. Wat zeghtge, ô oude man? Wat tijding brengtge my?
Bo. Dat uw grootdaedigh man hier daetlijk frisch en bly
Zal wezen, met een maght van zegenrijke schaeren.
Deï. Uit wien verstontge dit? Uit burgren of barbaeren?
Bo. Ik hoorde het in 't velt uit Lichas, den herout,
En spoede herwaert aen, op dat gy 't weeten zoudt,
Om loon en teffens gunst bij u, mevrou, te haelen.
Deï. Zoo Lichas welvaer', hij moet komen zonder draelen.
Bo. Dat valt bezwaerlijk en mevrou begrijpt dit licht.
Al 't Melienzer volk belet hem zijnen plicht
In 't spoeden herwaert aen. Elk loopt den bode om d' ooren,
Om dees gewenschte maer vans lant's triomf te hooren.
Hij toeft onwilligh, opgehouden van de liên,
En nadert meer en meer. Gy zult hem daetlijk zien.
Deï. Jupijn, bewooner van den Eta, noit geschoren,
Gy laet me, al komt ze spade, een blijde tijding hooren.
Nu zingt, ô vrouwen, die in 't hof of buiten staet.
Dees maer verheught mijn hart en geest, al komtze laet.


Vertaling J. v. Vondel (1668) in De Werken van Vondel X, uitgegeven door de Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, Amsterdam 1937. Vondel vertaalde, op enkele spaarzame uitzonderingen na, niet naar het Griekse origineel, maar naar een Latijnse vertaling daarvan.

   Het koor zingt een jubelend danslied ter ere van de blijde mare en weldra verschijnt Lichas, de door Heracles vooruitgezonden heraut, ten tonele en bevestigt het heuglijk nieuws: nadat Heracles na een jaar uit zijn slavernij bij Omphale was verlost, had hij zich op Eurytus, wiens uitdagende en tartende houding hem immers tot den moord op Iphitus had gebracht, voor de hem aangedane vernedering gewroken door zijn stad Oechalia te vuur en te zwaard te verwoesten:

Zij allen, die zoo snoefden met een booze tong,
Zijn zelf bewoners nu van Hades' huis, hun stad
Niets meer, in knechtschap. Dezen, die gij voor u ziet,
Een heilstaat dervend voor een onbenijdbaar lot,
Verschijnen voor u naar den wil van uw gemaal,
Wiens last ik als zijn dienaar, hem getrouw, volbreng.
Hijzelf zal, als hij aan zijn vader Zeus zijn dank
En heilige offers voor de zege heeft gebracht,
Dra hier zijn, weet dit; want wat ik ook goeds en schoons
Mocht melden, dit toch klinkt het schoonst en liefst in 't oor.

Vertaling Burgersdijk.

   Hoe blij en verheugd Deïanira ook is, diepe deernis met de ongelukkige krijgsgevangen vrouwen vervult haar hart. Vooral één van haar trekt haar aandacht:

                                 ô Lichas, uit wat zaet
Is deze uitheemsche maeght? Wie was het die haer teelde?
Wie was de moeder? Wie de vader, eerst in weelde?
Ay zeghme dit; want 'k heb medoogen eerst met haer,
Die wel de wijste schijnt aen opzicht en gebaer.


Vertaling Vondel.

   Maar Lichas — het bewuste meisje is immers Iole, de dochter van Eurytus, Heracles' geliefde — houdt zich van den domme:

Li. Hoe weet ik dit? En waarom vraagt gij 't mij ? 't Kan zijn,
Dat haar geslacht daar onder de eerste werd geteld.
Deï. Dus kan ze een spruit zijn, denkt ge, van de heerschers daar?
Li. Ik weet het niet en heb 't niet verder nagevraagd.
Deï. Hebt gij haar naam dan van geen lotgenoot gehoord?
Li. Volstrekt niet; zwijgend werd mijn taak door mij volbracht.
Deï. (tot Iole)
Spreek gij, arm kind, dan en zeg zelf ons wie gij zijt;
Want dit ook is een onheil, onbekend te zijn.
Li. Voorzeker zal zij evenmin als tot dusver
Den boei der tong verbreken, zij, die nog geen woord,
Geen enkel, 't minste noch geringste, heeft geuit,
Niets doet dan met een tranenstroom den zwaren druk
Van 't lot beschreien, sinds zij uit haar vaderstad,
De hooge veste, werd gevoerd. Ja, wél is 't lot
Recht bitter voor haar; dit ontschuldigt haar geheel.
Deï. Het zij dan, laat haar; trede zij ons huis dus in,
Zooals haar 't liefst is; verre zij 't van mij dat ik
Bij 't leed dat zij te dragen heeft een ander voeg';
Meer dan genoeg is wat zij heeft. Doch treden wij
Nu allen binnen. Spoed u dan naar uwen heer
En ik maak alles hier in huis naar eisch gereed.


Vertaling Burgersdijk.

   Lichas, Iole en de andere vrouwen gaan het paleis binnen, maar de bode van zoëven, die tot nu toe zwijgend en bescheiden teruggetrokken de ontwikkeling der gebeurtenissen heeft gadegeslagen, treedt thans naar voren, houdt Deïanira, die zich eveneens naar binnen wil begeven, staande en zegt haar dat Lichas haar maar iets voorgelogen heeft: hij had hem immers kort tevoren, te midden der samengestroomde volksmenigte, zelf horen vertellen, dat Heracles alleen uit liefde voor dit meisje, een dochter van Eurytus, omdat haar vader haar niet goedschiks aan Heracles had willen geven, Oechalia had bestormd en veroverd, en niet om al die andere redenen die Lichas had opgesomd; Deïanira moest er dus wel op bedacht zijn wat Heracles met die Iole voor had!
   Het is met Deïanira's kortstondig geluk alweer gedaan ! Zij wil het paleis binnensnellen om Lichas ter verantwoording te roepen, maar juist op dit ogenblik komt deze naar buiten getreden: hij moet weer snel naar Heracles terug en vraagt Deïanira of zij nog enig bericht voor hem heeft mee te geven. In plaats daarvan vraagt Deïanira hem zijn verhaal van zoëven, maar nu zonder leugens en verzinsels, nog eens opnieuw te willen doen. Lichas, in een scherp kruisverhoor door den bode danig in het nauw gebracht, probeert zich, zijn meester getrouw, zo goed mogelijk uit de netelige situatie te redden en verzoekt Delanira tenslotte ongeduldig dien vervelenden kletsmajoor den mond te snoeren. Maar dan spreekt Deïanira:

Neen, bij dien Zeus, die van den hoogen Oeta-top
Zijn bliksems nederslingert, houd mij niets verheeld!
Het is geen vrouw van lagen geest tot wie gij spreekt,
Niet een die, onervaren in der menschen aard,
Niet weet dat steeds hetzelfde niet behagen kan.
Al wie god Eros met geweld weerstreeft, als moest
Een vuistgevecht beslissen, is een groote dwaas,
Want goden zelfs beheerscht hij, leidt hen naar zijn wil,
Ook mij; waarom dan and're vrouwen niet als mij?
Daarom zou 't waanzin wezen, zoo ik mijn gemaal,
Wijl deze ziekte hem beving, met hoon bestreed
Of háár als medeplichtig haatte, schoon zij mij
Geenszins beschimpte noch mij kwaad heeft aangedaan.
Dit nimmer! Doch zoo mijn gemaal dit liegen u
Geleerd heeft, was wat gij geleerd hebt ver van goed
En zoo ge uw eigen leeraar waart, dan blijkt gij thans,
Terwijl gij u als eerlijk voordoet, boos en slecht.
Doch spreek de loutre waarheid, want een vrijen man
Is 't leug'naar heeten doodlijk voor zijn goeden naam.
En dat uw leugen niet aan 't licht komt, waan dit niet.
Veel hoorders hadt gij, uw bericht komt wis tot mij.
Doch zoo gij angst voedt, 't is verkeerde schroom, want juist
Zoo 't mij verheeld wordt, zal dit krenkend voor mij zijn.
Want weet ik 't, is dit schrikk'lijk? Sloot niet Heracles,
Eén man, met vele vrouwen reeds een minverbond?
En geen van dezen heeft van mij een bitter woord
Of smaad geleden; en dit zal ook deze niet,
Al smolt ze in liefde voor hem weg, daar ik bij 't zien
Haar boven allen moet bejamm'ren, wijl haar schoon
Haar eigen leven heeft vergruisd en zij haar stad,
Rampzaal'ge, onwillens zelf haar vaderstad verwoest,
In slavernij gestort heeft. Doch dit alles ga,
Zooals het lot wil; ú vermaan ik, wees, al zijt
Gij jegens and'ren onoprecht, voor mij steeds waar!


Vertaling Burgersdijk.

   Dit fiere woord van zijn gebiedster doet Lichas de volle waarheid bekennen. Hij voegt er echter aan toe, dat hij niet op bevel van Heracles onwaarheid gesproken heeft, maar haar eigener beweging, uit vrees haar anders te verdrieten en te krenken, de waarheid onthouden heeft. Daarna verlaat de bode het toneel. Deïanira, die Lichas mededelingen en geschenken voor Heracles wil meegeven, gaat met hem het paleis binnen. Het koor, alleen in de orchestra achtergebleven, zingt van de onweerstaanbare macht die de liefde over goden en mensen uitoefent. Liefde ook was het die Heracles eens deed strijden tegen den geduchten Achelos om Deïanira te veroveren en tot zijn vrouw te maken. Met weemoed denken de Trachinische vrouwen aan dien tijd van Heracles' prille liefde voor Deïanira terug.
   Hierna treedt Deïanira, die door de gedachte voortaan Heracles' huis en bed met de jonge en aantrekkelijke Iole te moeten delen veel heviger gekweld wordt dan zij tegenover Lichas wel heeft willen bekennen, wederom naar buiten en vertelt het koor der vrouwen, dat zij een middel heeft bedacht om Heracles' liefde te herwinnen. Toen zij, pas getrouwd, Heracles naar haar nieuwe woonplaats volgde, trachtte de Centaur Nessus haar, terwijl hij haar de rivier de Euenus overdroeg, te betasten. Zij schreeuwde het uit, Heracles snelde toe en doorschoot Nessus met een zijner pijlen, die bestreken waren met het giftig bloed van de door Heracles in dienst van Eurystheus gedode Hydra van Lerna. Stervend had Nessus haar aangeraden het uit zijn wond stromend bloed op te vangen en te bewaren: eens zou zij daarmee Heracles' geest kunnen betoveren, zodat hij aan geen vrouw de voorkeur zou geven boven haar! Zorgvuldig had zij dit tovermiddel al dien tijd bewaard en nu had zij een eigengemaakt feestgewaad, dat zij aan Lichas voor Heracles wilde meegeven, er geheel overeenkomstig de door Nessus indertijd gegeven voorschriften mee ingesmeerd. Een vage onzekerheid doet haar nu echter een beetje aarzelen van dit geheimzinnig middel gebruik te maken. Maar als het koor als zijn mening te kennen geeft dat zij het toch allicht kan proberen, aarzelt ook zij niet langer en geeft zij Lichas, die inmiddels ook weer naar buiten is gekomen, het in een verzegeld kistje verpakte gewaad mee. Deze verlaat daarop snel het toneel, Deïanira gaat het paleis weer binnen, het koor jubelt om de nu spoedig te verwachten zegevierende thuiskomst van Heracles: moge hij toch zonder verwijl komen, vol liefde voor Deïanira! Op dit ogenblik echter komt Deïanira, nerveus en angstig, weer uit het paleis naar buiten.

Deï. O lieve vrouwen, 'k vrees maar al te zeer, te veel,
Verkeerd was 't, alles wat ik daar zoo even deed.
Ko. Wat is er voor verschrikk'lijks, Oeneus' dochter? Spreek!
Deï. Ik weet niet, maar ik vrees toch, spoedig blijkt dat ik
Groot onheil aangericht heb met het schoonste doel.
Ko. Gij meent toch niet door uw geschenk aan Heracles?
Deï. Ja zeker, niemand raad ik ooit, zoo overijld
Een werk te wagen waar hij de' uitslag niet van kent.
Ko. Kunt gij het melden, zeg dan wat u zoo ontstelt.


Vertaling Burgersdijk.

   Dan vertelt Deïanira, dat het wolvlokje, waarmee zij het tovermiddel over het gewaad had uitgesmeerd en dat zij daarna, gehaast als zij was, maar zolang ergens op den grond had laten liggen, kort daarop, toen zij het vertrek weer binnentrad, geheel ineengeschrompeld en verdroogd bleek te zijn, als ware het een soort zaagsel, en dat daar waar het lag korrelig schuim uit de aarde opborrelde.

Nu weet ik niet, ik arme, wat ik denken moet,
Maar zeker, 'k heb een onheilbrengend werk gedaan.
Waarom ook zou dat ondier, stervend, en waarvoor
Welwillendheid mij toonen, mij, om wie hij stierf?
Neen, neen, 't verderf van die hem wondde was zijn doel
En daartoe heeft hij mij belezen. Doch te laat,
Nu 't niets kan baten, zie ik dit, en duidlijk, in.
Want ik alleen zal, zoo geen waan mij thans bedriegt,
Ik, ik, rampzaal'ge zal de schuld zijn van zijn dood.
   Maar dit ook weet ik dat, als nu de dood hem velt,
Ik, door denzelfden slag getroffen, met hem sterf.
Een leven met bevlekten naam verduurt geen vrouw,
Wier roem is waarlijk zonder smet of blaam te zijn.


Vertaling Burgersdijk.

   Het koor poogt haar nog te bemoedigen en gerust te stellen, maar reeds verschijnt Hyllus ten tonele. Zijn moeder, die hij begrijpelijkerwijs voor de bewuste moordenares van zijn vader houdt, overlaadt hij met woorden van verwijt en afschuw en vertelt dan hoe Heracles, onmiddellijk na Lichas' aankomst, het hem door Deïanira gestuurde feestgewaad trots en blij had aangetrokken. Maar plotseling zoog het gewaad zich als het ware op zijn ledematen vast, werd hij door hevige krampen en pijnen overvallen, vrat giftig venijn heel zijn lichaam aan. Buiten zichzelf van smart en pijn greep hij Lichas beet en slingerde hem tegen een rots te pletter. Heel het kamp, heel de streek weergalmde van zijn waanzinnige wanhoopskreten; nu eens kroop hij gillend over den grond, dan weer sprong hij als razend overeind, Deïanira en haar overwinningsgave vervloekend! Tenslotte had hij, door pijn en ellende overmand ineengezonken, Hyllus bij zich geroepen en hem gevraagd hem terstond naar Trachis te laten vervoeren.

Zoo, moeder, 't blijkt, zoo was uw overleg, uw doen
Mijn vader ten verderve. Moge Dikè's straf
Dit met de Erinys wreken! Ja, ik vloek u ook,
Zoo ik dit doen mag. Dat ik 't mag, is uwe schuld,
Daar gij den allerbesten man dien de aarde draagt
Vermoord hebt; zijns gelijke vindt gij nimmermeer.
Ko. (tot Deïanira die zich afwendt tot heengaan)
Wat gaat gij heen en zegt geen woord? Ziet gij niet in
Dat zwijgen op die aanklacht zelf een aanklacht is?
(Deïanira gaat zwijgend het paleis binnen)
Hy. Laat, laat haar heengaan! En dat haar een goede wind
Bij 't heengaan voortdrijve, uit mijn oogen, ver van hier!
Wat zou zij langer met den ijdlen moedernaam
Zich sieren, zij, die niet zooals een moeder doet?
Zij ga, ik wensch haar 't beste; vall' dezelfde vreugd,
Die zij mijn vader heeft bereid, ook haar ten deel!


Vertaling Burgersdijk.

   Na deze woorden gaat ook Hyllus het paleis binnen. Het koor, alleen in de orchestra achtergebleven, zingt van het oude orakel dat nu blijkbaar zijn vervulling tegemoet gaat: door den dood zal Heracles van zijn leven vol strijd en beproevingen worden verlost, in den dood zal hij nu eindelijk rust vinden. Zo ontkomt ook Heracles niet aan het voor hem weggelegde lot. Onbewust en ongewild is de ongelukkige Deïanira hiervan de bewerkster geweest. Om Heracles' liefde te herwinnen en haar huwelijk te redden, heeft zij — onvoorzichtig misschien, maar stellig te goeder trouw — zich van het tovermiddel, haar door Nessus aan de hand gedaan, bediend. Onafzienbaar is nu haar leed! Den man, door geen vijand ooit aan het wankelen gebracht of verslagen, hem heeft zij, zijn eigen echtgenote, juist doordat zij hem liefhad en zijn liefde niet wilde verliezen, ten val gebracht en vernietigd. Waarom ook moest Heracles tegen Oechalia oprukken om 's konings dochter te vermeesteren? Ach, was ook dit niet wederom het heimelijk werk van Aphrodite, de godin der liefde?
   Maar plotseling wordt het lied der Trachinische vrouwen onderbroken door jammerkreten en rouwklachten die uit het paleis naar buiten doorklinken en weldra komt de voedster naar buiten gesneld die, na eerst in een heftige kommos aan het koor te hebben medegedeeld dat Deïanira zichzelve van het leven heeft beroofd, daarna uitvoerig verhaalt hoe alles zich heeft toegedragen:

Toen zij in 't huis gekomen was, alleen,
En in den voorhof haren zoon de baar
Zag sprei'n om tot den vader heen te gaan,
Viel zij voor 't huisaltaar en klaagde luid
Dat het verlaten werd en weenend nam
Zij 't huisraad, vroeger vaak gebruikt, ter hand.
En her- en derwaarts dwalende door 't huis,
Zoo dikwijls zij een lieven dienaar zag,
Schreide ze 't uit en jammerde om haar lot
En om den voortaan onbeheerden haard.
Toen dit geschied was, zag ik plots'ling haar
Het slaapvertrek van Heracles betreên.
En ik, mijn oog verbergend in de schaûw
En mij verschuilend waar mij niemand zag,
Bemerkte hoe ze op 't bed van Heracles
De spreien wierp en springend naar omhoog
Zich nederzette midden op het bed.
En brekend in een heeten tranenstroom
Sprak zij : „vaarwel, o huwlijksbed, voortaan,
Gij neemt mij nooit meer als uw slaapster op."
Dit zeggend maakte zij met vaste hand
Haar kleed los, waar de uit goud gedreev'ne spang
De borst beschutte; toen ontblootte zij
Geheel haar linkerzijde en linkerarm.
Maar ik liep haastig heen, uit alle macht,
Om aan haar zoon te melden wat zij deed.
En als 'k gegaan was en weer met hem kwam,
Toen zagen wij dat zij zich met een zwaard,
Tweesnijdend, had gestoken in de borst.
En de rampzaal'ge zoon bedwong zich niet
In 't jamm'ren om zijn moeder, hield niet op
Met haar te kussen, klagend lag hij neer,
Met zijne zijde naast haar uitgestrekt,
Snikkend dat hij haar valsch beschuldigd had
En tegelijk twee levens derven moest,
Verstoken van zijn vader en van haar.


Vertaling (vrij naar Sophocles) Edw. B. Koster in Liefde's Dageraad en andere gedichten. Deventer, Joh. H. W. Kreunen, 1890.

De voedster gaat het paleis weer binnen. Het koor zingt een droevig treurlied om de beklagenswaardige Deïanira, maar ook om den door helse pijnen gefolterden Heracles:

Wie van beiden beklaag ik 't meest?
Wie zonk dieper in jammer weg?
Ach, hier kiezen — ik kán 't niet.

Onheil, 't is hier; wij zien 't in huis;
Onheil, 't komt ook; wij wachten 't hier.
Zijn en komen — 't verschilt niet.

O, wierd er nu hier, terstond,
Een wind, een storm, die gunstig woei, geboren
En voerde die in snelle vaart mij heen, opdat
Het zien van Zeus' roemruchten zoon,
Zoo uitgeput nu en machteloos,
Niet door schrik mij 't leven roov'!
Want gefolterd van nimmer te lenigen smart —
Zoo zegt men — nadert hij 't huis,
Een onbeschrijflijke aanblik!

Niet vér is hij, reeds nabij;
Gelijk de nachtegaal, zoo klaag ik luide.
Ik zie een schaar van vreemden, die hem tot ons draagt;
Doch, hoe behoedzaam! Als een vriend
Verplegend heffen zij langzaam
Zacht en stil den trouwen voet.
Wee, wee ! het is sprakeloos, dat hij daar ligt!
Ik weifel of wat ik zie
De dood is of een sluim'ring.


Vertaling Burgersdijk.

   Hierna neemt de exodos een aanvang. Het escorte, dat Heracles, op een baar uitgestrekt, draagt en begeleidt, betreedt het toneel en begeeft zich in de richting van de paleispoort. Naast de draagbaar schrijdt een grijsaard, een oude, vertrouwde dienaar van Heracles, er zorgvuldig voor wakend de pijnen van zijn meester zoveel mogelijk te verlichten. Heracles ligt in een lichten sluimer verzonken, maar wordt door de smartkreten, waarmee Hyllus bij het naderen van den stoet uit het paleis komt gesneld en die de grijsaard vergeefs poogt te onderdrukken, weer uit zijn lichte verdoving gewekt en barst opnieuw in heftige jammerklachten uit. Als hij daarna zijn zoon, die den door het langdurig waken en verplegen vermoeiden grijsaard te hulp is gekomen, herkent, smeekt hij hem zijn moeder uit het paleis te sleuren, opdat hij zich op haar kan wreken voor haar gemene daad. Hij ontbloot zijn lichaam en toont zijn afzichtelijke verwondingen en verminkingen. Maar een nieuwe kramp van pijn doorvlijmt hem en doet hem opnieuw haar vervloeken die van hem, eens den onoverwinnelijken en ongenaakbaren held, dit menselijk wrak heeft gemaakt. Na dezen nieuwen aanval zinkt hij uitgeput op zijn legerstede terug en van deze gelegenheid maakt Hyllus gebruik om hem de handelwijze van zijn moeder te verklaren:

Hy. Daar gij nu toestaat, vader, dat ik antwoord geef,
Zoo demp uw toom en hoor mij kalm, hoe krank ook, aan,
Want slechts wat recht en billijk is verzoek ik u.
Schenk mij uw aandacht, doch laat gramschap u hierbij
Niet prikk'len; dan toch ziet gij niet wat zonder grond
Door u begeerd wordt, zonder grond u smartlijk grieft.
He. Spreek wat gij wenscht ten einde, want ik ben te krank
Dan dat ik wat gij daar voor raadsels spreekt begrijp.
Hy. Ik moet u van mijn moeder zeggen wat met haar
Gebeurd is en — dat zij geen kwaad ooit heeft gewild.
He. O onbeschaamde, spreekt gij van uw moeder nog,
Die uwen vader heeft vermoord — en voor mijn oor?
Hy. Haar lot is zoo, dat ik er niet van zwijgen mag.
He. Voorzeker, van die misdaad niet, die zij bedreef!
Hy. Gij zult niet misdaad noemen, wat zij heden deed.
He. Spreek uit, doch hoed u, dat ge er niet ontaard door blijkt.
Hy. Ik zeg u, ze is gestorven, heden, in haar bloed.
He. Door wien? een wonder is 't mij, wat gij openbaart.
Hy. Zij viel niet door een vreemde, door haar eigen hand.
He. Wee ! eer de mijne, zooals recht was, haar versloeg?
Hy. Ook uwe gramschap wierd verzacht, zoo ge alles wist.
He. 't Is stout, dit zeggen! maar ga voort, zeg hoe ge 't meent.
Hy. In 't kort dan: 't goede willend faalde zij in 't doen.
He. O booswicht! goeddoend werd ze uws vaders moord'nares ?
Hy. Zij meende u vast te keet'nen door een tooversap,
Toen zij de jonge bruid zag, en zij miste 't doel.
He. En wie in Trachis was de menger van dat sap?
Hy. Weleer heeft Nessus, de Centaur, haar overreed
Uw mingloed nieuw te ontsteken met zulk tooversap.


Vertaling Burgersdijk.

   Nu vallen Heracles de schellen van de ogen, nu is alles hem ineens duidelijk. Eens immers was hem voorspeld dat hij niet zou omkomen door de hand van een levende, maar door toedoen van een dode. Blijkbaar had deze voorspelling gedoeld op den eens door Heracles zelf gedoden Centaur Nessus! Nu begrijpt hij ook dat zijn spoedige dood onvermijdelijk is en plechtig maakt hij aan Hyllus zijn laatste wilsbeschikkingen bekend: vooreerst moet hij hem terstond laten vervoeren naar den top van den Oeta, daar een brandstapel oprichten en hem, nog levend, daarop verbranden om hem zo van zijn pijnen te verlossen. Tot het eerste verklaart Hyllus zich bereid, maar aan het opbouwen en vooral het ontsteken van den brandstapel weigert hij, ondanks Heracles' aandringen, zijn medewerking. Vervolgens verlangt Heracles dat Hyllus, na zijn dood, met Iole trouwt:

He. Het is genoegh, mijn zoon. Betoon den overleden
Dien kleenen dienst noch, na zoo veel gedienstigheden.
Hy. Al waer 't een zwaerder last; ik volgh wat u behaeght.
He. Gy kent de brave telgh van Eurytus, een maeght.
Hy. Meent ge Iole ?
He.                 Dat 's recht. 'k Beveelze u voor mijn sterven.
Zoo gy godtvruchtigh zijt en noode zoudt bederven,
Dewijl u d'eet verbint aen vaders liefde en trou,
Aenvaertze, na mijn doot, gewilligh tot uw vrou,
Opdat geen ander man haer, die aen mijne zye
Geslaepen heeft, dan gy alleen, omhelze en vrye.
O zoon, bewaer deze echt en luister naer mijn reên;
Want gy stont vader in gewichtiger voorheen
Ten dienst; en weigertge in een kleener hem te hooren,
Zoo zult ge reukloos al uw oude diensten smooren.
Hy. Het voeght niet dat men een' op zijn verscheiden stoor.
Maer zulk een streng gebodt klinktme al te hardt in 't oor.
He. Gy spreekt als ofge ontzeght te volgen mijn behaegen.
Hy. Wat mensch ter weerelt zou haer lijden en verdraegen,
Die vader brocht om hals en moeder holp van kant,
Ten waer een zinneloos, berooft van zijn verstant?
'k Wil liever sterven dan met een vervloekte leven.
He. Hy schijnt om vader, die vast zieltooght, niet te geven.
Doch zijt verzekert dat, volhardtge in dit geval,
Uw vaders vloek uw hooft afgrijslijk treffen zal.
Hy. Wee my. Het schijntme dat gy raeskalt zonder reden.
He. Gy terghtme in mijnen slaep noch eens met heftigheden.
Hy. Wat twijffelmoedigheit bestrijtme in dezen staet!
He. Acht gij 't onbillijk in te volgen vaders raet?
Hy. O vader, zal ik uit uw' mont godtloosheid leeren?
He. 't Is geen godtloosheid in te volgen mijn begeeren.
Hy. Is 't billijk, 't geenge my dus streng ten laste leght?
He. Laet goden tuigen van mijn billijkheit en recht.
Hy. 'k Zal 't volgen, nademael de goden dit getuigen,
En onder uw gebodt my zelven gaerne buigen.
Het kan niet quaet zijn, zoo ik vaders wil voltrek.


Vertaling Vondel.

Dan verzoekt Heracles Hyllus hem terstond, voordat een nieuwe aanval van pijn hem overvalt, naar den Oeta te laten vervoeren. Zonder verwijl willigt Hyllus dezen allerlaatsten wens van zijn vader in en zo verlaat de droeve stoet de orchestra weer, in de richting van den Oeta.

*

   „De Vrouwen van Trachis" is van de zeven van Sophocles bewaard gebleven tragedies wel de meest omstredene. Op grond van bepaalde werkelijke of vermeende zwakheden in de dramaturgie van het stuk beschouwen sommigen het als een nog onrijp jeugdwerk van Sophocles, anderen daarentegen als een werkstuk uit zijn laatste levensjaren, toen zijn kracht als dramaturg door ouderdom zou zijn verslapt, terwijl enkelen het zelfs in het geheel niet als een authentiek sophocleïsch stuk menen te kunnen erkennen. Het is hier niet de plaats om de vele dikwijls zeer spitsvondige en vergezochte argumenten voor en tegen op te sommen. Slechts één vaak gehoord verwijt stippen wij aan. Het stuk, zo zegt men, mist eenheid van handeling. Het zijn eigenlijk twee tragedies: die van den dood van Deïanira en die van den dood van Heracles. Hiertegen wordt echter aangevoerd, dat het stuk wel degelijk een eenheid vormt. Het is, aldus sommigen, de tragedie van Deïanira die bij haar poging de liefde van haar man te herwinnen juist de oorzaak van zijn dood wordt, of, volgens anderen, de tragedie van Heracles die op het ogenblik dat hij na een leven vol strijd en beproeving eindelijk rust zal vinden juist door toedoen van haar die hem het meest is toegedaan aan den dood ten offer valt. Men zou tegen genoemd verwijt ook te berde kunnen brengen dat de tweedeligheid van het stuk blijkbaar een sophocleïsche eigenaardigheid is, aangezien men deze ook in zijn „Ajax" en, zij het in minder sterke mate, in zijn „Antigone" aantreft. En zo zijn er in dit stuk meer typisch sophocleïsche trekken aan te wijzen, zoals de peripetie in het derde epeisodion, de karaktertegenstelling tussen Deïanira en Heracles, maar vooral de opvatting en karaktertekening van de vrouwelijke hoofdfiguur, Deïanira.
   Bij de conceptie van zijn Deïanira-figuur stond Sophocles onder invloed van zijn jongeren tijdgenoot Euripides. Vooreerst komt het motief van het „dodend gewaad" reeds voor in diens „Medea" van 438. Belangrijker is echter, dat het Euripides is geweest, die het eerst de problemen van liefde en huwelijk op het Griekse toneel heeft gebracht. Dit thema nu heeft in „De Vrouwen van Trachis" ook Sophocles gekozen. Bij de behandeling daarvan is hij echter zijn eigen karakteristieke wegen gegaan. Deïanira houdt van Heracles met een grenzenloze liefde. Van het begin van haar huwelijk af heeft zij zich steeds geheel voor haar egoïstischen en bruten echtgenoot opgeofferd en weggecijferd. Nooit is zij, hoe vaak ook door hem vernederd en verguisd, in verzet gekomen tegen zijn onmatige eisen. Nooit heeft zij er aan gedacht of naar verlangd hem met gelijke munt te betalen of zich op andere wijze op hem te wreken. Juist haar liefde geeft haar steeds weer de kracht om te vergeten en te vergeven. Ja, als zij ervaart met welke bedoelingen Heracles de jonge Iole naar huis heeft vooruitgestuurd, put zij uit haar liefde voor Heracles de kracht om het besluit te nemen haar dan maar voortaan naast zich te dulden, beklaagt zij haar zelfs omdat zij door haar schoonheid de oorzaak is geworden van den ondergang van haar vader en vaderstad — in plaats van als een euripideïsche Medea, meegesleurd door hartstocht en bezeten door wraakgedachten, te zinnen op plannen om deze gehate mededingster zo snel mogelijk uit den weg te ruimen. Maar als dan in de daaropvolgende scène aan het licht treedt dat zij haar krachten blijkbaar heeft overschat en toch nog een poging wil wagen om Heracles' liefde te herwinnen, wie zal het haar kwalijk nemen? En dat zij daarbij inderdaad nogal ondoordacht en lichtgelovig te werk gaat, wie zal het haar in haar omstandigheden en opgewonden toestand euvel duiden? Zij moge op grond daarvan misschien objectief schuldig zijn aan Heracles' dood, subjectief is zij het zeker niet. Zij verkeert juist in den waan dat zij zich door haar handelwijze voor de rest van haar leven rust en geborgenheid in Heracles' liefde verzekert! Aan wien kan de tragische ironie in deze jammerlijke figuur ontgaan? Dit alles is typisch sophocleïsch, maar ook en vooral dat zij, onbewust, tot werkelijkheid doet worden wat de goden reeds lang tevoren over Heracles hadden beschikt. Op het eind van het stuk beveelt Heracles zijn zoon Hyllus hem naar het Oeta-gebergte te vervoeren om daar op den brandstapel te worden verbrand. Welnu, na zijn dood zal zijn apotheose plaats vinden, zal hij te midden der onsterfelijke goden op den hogen Olympus worden opgenomen! Voor de ongelukkige Deïanira heeft deze troost inmiddels niet meer kunnen gelden. Als zij de vreselijke uitwerking van het door haar gezonden feestgewaad verneemt, trekt zij zich zonder enige klacht, ja zonder een woord in het paleis terug om zich, voordat Heracles' gefolterd lichaam de orchestra wordt binnengedragen, ten dode te wijden.
   Uit de Oudheid wordt ons een gezegde van Sophocles overgeleverd, dat Euripides zijn toneelfiguren schiep zoals ze in werkelijkheid waren, hij, Sophocles, zoals ze eigenlijk behoorden te zijn. In geen zijner toneelfiguren nu heeft Sophocles zich zozeer van den heroïschen voortijd gedistantieerd als in zijn in navolging en onder invloed van Euripides geconcipieerde Deïanira-figuur. „Ze behoort tot een anderen tijd dan het mythologisch verleden, waarin de dichter ons terugvoert; ze is een tijdgenote van Sophocles en niet van Heracles." Is zij ook — mutatis mutandis — geen tijdgenote van ons? En is het daarom dat misschien geen der door Sophocles geschapen toneelfiguren zo direct tot ons spreekt als die van Deïanira?
   Scherper contrast dan tussen Deïanira en Heracles is wel nauwelijks denkbaar! Zo zachtmoedig en opofferend als Deïanira, zo bruut en egoïstisch is Heracles. Als hij ontdekt, dat het door haar gezonden gewaad zijn dood betekent, vervloekt hij haar en verlangt hij slechts haar te doden. En zelfs als hij de ware toedracht verneemt en van haar zelfmoord hoort, komt er nog geen goed woord over zijn lippen voor haar die hem toch altijd alles gegeven heeft. Hierbij bedenke men twee dingen. Vooreerst: Heracles, de geweldenaar en krachtmens van de Griekse mythologie, was van oudsher de geliefkoosde held van het kluchtige, veelal ruwe en grove satyrspel. Er zijn ons eigenlijk slechts twee tragedies bekend waarin hij als waarlijk tragische hoofdpersoon optreedt: Sophocles' „De Vrouwen van Trachis" en de enige jaren oudere „Heracles" van Euripides. Is het wonder dat de Heracles van ons stuk nog menigen aan het satyrspel eigen trek vertoont? Maar bovendien: Sophocles had in ons stuk wel in het geheel geen reden om de hardheid en ruwheid van Heracles' karakter te verzachten. Daardoor komt de zachtheid en goedheid van dat van Deïanira immers des te sterker uit.
   Tussen Deïanira en Heracles in staat hun beider zoon Hyllus. Hij heeft heel veel van het harde en ruwe van zijn vader, is ook zeer aan zijn vader gehecht, maar staat toch ook eerlijk en loyaal tegenover zijn moeder. In de overtuiging dat zij welbewust zijn vader heeft vermoord overlaadt hij haar met bittere verwijten en slingert hij haar zijn vloek in het gelaat. Als hij echter tot het besef gekomen is dat zij het zo heel anders had bedoeld, is hij oprecht bedroefd over haar jammerlijken ondergang, heeft hij innig spijt van zijn onjuiste verdenking en spreekt hij bij zijn vader, ondanks diens dreigementen, voor haar ten beste. Dan echter zet hij alles opzij om zijn vader in zijn laatste ogenblikken bij te staan en komt hij hem zover als hem maar enigszins mogelijk is in zijn vérgaande eisen tegemoet. Hyllus, in het begin van het stuk nog min of meer een ruwe knaap, is op het eind door de dramatische gebeurtenissen gerijpt tot een man, gereed om de erfenis van zijn overleden vader te aanvaarden.   
   Nergens in het stuk worden Deïanira en Heracles door den dichter tegenover elkaar geplaatst, met elkaar geconfronteerd. Heeft hij dit misschien gedaan uit fijngevoeligheid tegenover de figuur van Deïanira? Als Heracles de orchestra wordt binnengedragen, heeft zij zich reeds in het paleis teruggetrokken en afscheid genomen van het leven. Zo wordt het eerste gedeelte van het stuk beheerst door de figuur van Deïanira, het tweede door die van Heracles. Het is daarom moeilijk een bepaalden hoofdpersoon aan te wijzen en daarmee moet waarschijnlijk worden verklaard, dat Sophocles deze tragedie als enige van de zeven die van hem bewaard zijn gebleven naar het koor heeft genoemd, ofschoon dit toch, evenals in de andere stukken, een geheel ondergeschikte rol speelt. Toch staan van begin tot eind Deïanira en Heracles als het ware in levenden lijve tegenover elkaar op het toneel en vooral daardoor, menen wij, worden de twee gedeelten nauw tot één geheel aaneengesmeed. Het wil ons voorkomen dat, tegen de vele critiek op dit stuk in, hierop gewezen mag worden als een belangrijke dramaturgische praestatie van onzen dichter.