DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

PHILOCTETES

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



PHILOCTETES

    Toen de Grieken met hun machtige vloot naar Klein-Azië voeren om Helena, de door den Trojaan Paris geschaakte echtgenote van Menelaüs, terug te halen en Troje te tuchtigen, gingen zij bij het oversteken van de Aegeïsche Zee onder andere op het eiland Chrysè aan land. Daar werd Philoctetes, koning van Trachis, een der Griekse aanvoerders, toen hij het heiligdom van de nymph Chrysè wilde binnendringen, door een daar de wacht houdende slang gebeten. De hierdoor veroorzaakte wond deed hem zoveel pijn en verspreidde een zo afgrijselijken stank, dat de Grieken, onder voorwendsel dat zijn jammerklachten en geschreeuw de voor de offers vereiste stilte verstoorden, op aanraden van Odysseus besloten zich van hem te ontdoen. Toen na een nieuwen aanval van pijn de slaap hem had overmand, lieten zij hem moederzielalleen op het eiland Lemnos achter. In Klein-Azië aangekomen belegerden zij Troje tien jaar lang, maar zonder succes. Toen openbaarde de Trojaanse ziener Helenus, dien Odysseus had weten gevangen te nemen, hun dat Troje slechts kon worden ingenomen met medewerking van Neoptolemus, den jongen zoon van den inmiddels gesneuvelden Achilles, en van Philoctetes, die in het bezit was van den boog en pijlen die eens aan Heracles hadden toebehoord.
   In de nu volgende tragedie van Sophocles zullen wij zien hoe de sluwe Odysseus door middel van den jongen, nog ongekunstelden en onbedorven, juist door zijn jeugd en eerlijk uiterlijk vertrouwenwekkenden Neoptolemus aan Philoctetes zijn boog en pijlen poogt te ontfutselen en hemzelf gevankelijk mee naar Troje te voeren. Neoptolemus maakt pas sinds kort deel uit van de Griekse legermacht voor Troje. Tijdens den groten overtocht van tien jaar geleden was hij nog een kind. Hij is dus onschuldig aan het aan Philoctetes aangedane onrecht. Ze hebben elkaar zelfs nog nooit gezien. Allemaal gunstige factoren voor het slagen van Odysseus' plan. In deze tragedie treden, naast een koor van manschappen van het schip waarmee Odysseus en Neoptolemus van Troje naar Lemnos zijn gevaren, de volgende vijf personen op: Philoctetes (protagonist), Odysseus, een scheepskapitein, Heracles (antagonist), Neoptolemus (tritagonist). Verder nog enige bijfiguren in zwijgende rollen. Het toneel stelt voor een gedeelte van het strand van het eiland Lemnos, met op den achtergrond den ingang van Philoctetes' rotswoning.
   De prologos toont ons hoe Odysseus en Neoptolemus, die hun schip elders op de kust van het eiland onder bewaking hebben achtergelaten, begeleid door een dienaar en gevolgd door het koor hunner manschappen (deze tragedie heeft geen parodos in den eigenlijken zin des woords) het strand afspeuren op zoek naar de door Philoctetes bewoonde grot. Zij moeten daarbij zeer omzichtig te werk gaan, want mocht Philoctetes Odysseus' aanwezigheid gewaar worden, dan zou heel het sluwe plan bij voorbaat in duigen vallen, ja zou Odysseus ongetwijfeld terstond door Philoctetes worden neergeschoten. Maar weldra ontwaren zij den ingang van Philoctetes' hol; Neoptolemus gaat er binnen en ontdekt sporen van bewoning: een pas beslapen bladerenbed, een houten drinknap, bebloede verbanden en windsels. Ongetwijfeld, dit is Philoctetes' verblijfplaats; hij is niet binnen, maar bevindt zich stellig in de naaste omgeving en kan elk ogenblik terugkeren. Het wordt derhalve tijd voor Odysseus om zich uit de voeten te maken, maar voordien geeft hij, na eerst den hen volgenden dienaar op den uitkijk te hebben gezet, aan Neoptolemus zijn laatste instructies: hij moet Philoctetes wijsmaken dat hij, na eerst op verzoek van de Grieken naar Troje te zijn gevaren, zich nu weer huiswaarts spoedt, verbitterd omdat zij hem de wapens van den gesneuvelden Achilles, zijn eigen vader, niet wilden geven, maar deze aan Odysseus hadden geschonken. Hij mocht daarbij zoveel op Odysseus schelden als hij maar wilde! Door aldus te suggereren dat hij al even verbitterd op Odysseus en de andere Griekse aanvoerders was als Philoctetes zelf, moest hij proberen het vertrouwen van Philoctetes te winnen en zich van zijn boog en pijlkoker meester te maken. Het kost Odysseus echter de grootste moeite Neoptolemus tot het spelen van deze verradersrol te verleiden:

Od. Ik weet, mijn zoon, hoe 't met uw inborst strijdig is,
Aldus te spreken en te handlen; doch beproef
Uw hart te breidlen: denk aan 't zoet der zegepraal!
Geadeld wordt ons streven eens door Troje's val.
Neo. En ik zou, wat mij zóó onteerend klinkt als woord,
Als daad volbrengen? Neen gij dwaalt, Laërtes' zoon:
Tot valsche streken is mijn inborst niet geschikt.
't Karakter van mijn vader sta u daarvoor borg!
Neen, noemt men 't zelfs verraad, indien 'k uw plannen stoor
Daar 'k meetoog u ter hulpe — liever oogst ik nog
Door braafheid schande dan door laagheid zegepraal.
Maar 'k ben bereid hem mee te voeren, niet door list,
Maar met geweld! Wat zou hij, machteloos door 't leed,
Een strijd beproeven tegen zulk een overmacht?
Od. O heldenzoon, 'k herken in u mijn eigen jeugd,
Toen meer de vuist mij dan de tong ter dienste stond.
Eerst rijper leeftijd leert de les ons: niet de daad
Beheerscht de menschenwereld, maar het woord alleen.
Neo. O verg iets anders, alles, slechts geen logentaal!
Od. Gij moet door list hem vangen, meer verlang ik niet.
Neo. Waarom dat, eer nog overreding is beproefd?
Od. Noch overreding noch geweld heeft vat op hem.
Neo. Maar is zijn stoutheid en zijn kracht dan grenzenloos?
Od. Zijn pijlen, nimmer falend, brengen wissen dood.
Neo. En zou dus 't bloote nadren reeds een waagstuk zijn?
Od. Onmooglijk is 't — tenzij ge u naar mijn raad gedraagt.
Neo. Maar — geldt bij ù dan 't liegen niet voor schandelijk?
Od. Niet waar het heil van allen aan die leugen hangt.
Neo. Gewis verraadt bij 't spreken mij der schaamte blos!
Od. Geen schaamte voegt u als ge een edel doel beoogt.
Neo. Welk doel bereik ik door zijn komst voor Ilion?
Od. Aan zijne schichten hangt het lot der trotsche stad.
Neo. Hoe? Valt dan mij niet haar verovering ten deel?
Od. Niet zonder deze, noch aan deze zonder u.
Neo. Ha, 'k wil dien boog vermeestren, zoo gij waarheid spreekt.
Od. Vermeester dien — het brengt u dubblen eernaam aan.
Neo. Een dubblen eernaam? Maak dat waar en 'k weifel niet.
Od. Zoowel uw wijsheid zal men prijzen als uw moed.
Neo. Vaar heen dan valsche schaamte! 'k Neem uw voorslag aan.
Od. Gij zult dus niets vergeten wat ik aanbeval?
Neo. Vergeten? Zou ik 't kunnen? 'k Doe mijn woord gestand.
Od. Blijf hier dan op hem wachten tot hij herwaarts komt.
Ik keer, opdat zijn oog mij niet ontwaren moog,
Naar boord terug, door gindschen wachter vergezeld.
En mocht ik meenen dat gij al te langen tijd
Hier toeven blijft, zoo zend ik u dienzelfden man
Nog eenmaal herwaarts, omgekleed tot scheepskaptein,
Onkenbaar in een welgekozen kleed verhuld
En woorden voerend, listvol door mij uitgedacht;
Doe gij dan welberaden daar uw voordeel mee.
Ik ga dus scheepwaarts, úwe rol wordt hier gespeeld.
O Hermes, die ons hier bracht, sta ter list ons bij!
En gij Athene, Burchtgodinne, die mij nooit
Alleen liet, leid ook heden ons ter zegepraal!


Vertaling J. van Leeuwen jr, Philoktetes, Tragedie van Sophokles, in de versmaat van het oorspronkelijk overgebracht. Utrecht, J. van Boekhoven, 1882. Tweede uitgave: Leiden, A. W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij (1910).

   Odysseus en de dienaar verlaten het toneel. In afwachting van Philoctetes' komst vraagt en krijgt het koor van Neoptolemus' manschappen van zijn meester nadere voorschriften over de tegenover Philoctetes te volgen gedragslijn (in plaats van de gebruikelijke parodos heeft onze tragedie hier een kommos). Na enigen tijd vernemen zij de naderende voetstappen van Philoctetes, zijn moeizaam hijgen, zijn smartelijke kreten van pijn en weldra vertoont hij zich boven op de rots, vermoeid, verwilderd, in lompen gehuld, zijn boog en pijlen in de hand:

Phi. Hoe, menschen hier?
Wie zijn 't? Wat gril des toevals bracht u herwaarts? Ach,
Aan schip noch scheepling biedt deez' grond gastvrijheid aan!
Ik waag het nauw, te gissen naar uw vaderland
En afkomst; heel uw wezen spreekt van Hellas, — ja
Van Hellas spreekt uw houding, spreekt uw kleederdracht.
Is ook de taal van Hellas de uwe? O, gaat niet heen!
Ik ben verwilderd, ach ik weet het: maar — ik ben
Zoo grenzenloos rampzalig in mijn eenzaamheid!
Hebt deernis met den vriendenloozen banneling,
Ontfermt u, spreekt! O eindlijk weer een menschenstem,
Na jarenlange stomheid! Wie gij wezen moogt,
Onthoudt me althans die weldaad niet! O spreekt dan, spreekt!
Neo. Mijn eerste woord, o vreemde, zij bevestiging
Van 't geen gij hoopt: Hellenen zijn 't die voor u staan.
Phi. O hemelzoete klanken! Zaalge taalmuziek
Waarnaar ik heb gehongerd heel een jarenreeks!
Mijn zoon, wat voerde u tot mij ? Was 't uw vrije wil
Of dank ik aan de winden deze zegening?
O zeg 't mij alles, laat mij weten wie gij zijt!


Vertaling van Leeuwen.

   Neoptolemus maakt zich bekend, doet het voorkomen alsof hij op doorreis van Troje naar Griekenland toevallig op Lemnos is aangeland en veinst nooit van Philoctetes en zijn droevig lot te hebben gehoord. Deze, gekrenkt en ontgoocheld doordat de Griekse wereld hem blijkbaar geheel en al vergeten heeft, anderzijds blij zijn hart eindelijk weer eens te kunnen uitstorten, vertelt Neoptolemus dan in geuren en kleuren heel zijn geschiedenis en rampzalig leven op dit onherbergzaam eiland, slechts zelden bezocht door een verdwaald zeevaarder, die dan wel veel medelijden met hem zeide te hebben, maar er niet aan dacht hem mee te nemen en naar Griekenland terug te brengen.

Dat dank ik aan de Atriden en Odysseus, — dat
Moog eenmaal hun de Olympische gerechtigheid
Vergelden met een soortgelijke marteling.


   Hierdoor quasi-aangemoedigd dist nu Neoptolemus, om Philoctetes te suggereren hoezeer ook hij Odysseus en de Atriden haat, hem op geraffineerde wijze het door Odysseus ingeklede leugenverhaal op, waarna het koor met een kort lied Neoptolemus' verontwaardiging over het hem onthouden van de hem rechtens toekomende wapenrusting van zijn vader onderstreept. Als Philoctetes, tevoren reeds hevig ontroerd bij het vernemen van Achilles' dood, dan vraagt waarom onkreukbare helden als Ajax en Patroclus hem niet bijgestaan en zijn rechten verdedigd hebben en verneemt dat ook dezen reeds gesneuveld zijn, versterkt het gemeenschappelijk verdriet over het verlies van zovele echte en edele vrienden het door den gemeenschappelijken, zij het door Neoptolemus gefingeerden, haat tegen Odysseus en de Atriden gewekte gevoel van vriendschap en saamhorigheid. Hiermee is voor Neoptolemus het ogenblik gekomen om zijn hoogste troef uit te spelen. Hij geeft Philoctetes nogmaals nadrukkelijk te verstaan dat hij — ook al heeft het lot beschikt dat Troje niet zonder zijn medewerking zal worden ingenomen —er niet aan denkt naar Troje terug te keren en nog langer aan den strijd om Troje deel te nemen, maar dat hij weer naar zijn geboorteland, het eiland Scyros, terugkeert om daar verder in rust en vrede te leven. Het wordt daarom tijd — gaat hij verder — dat hij zijn schip weer eens opzoekt om verder te varen; hij groet Philoctetes allerhartelijkst, wenst hem het beste en spoedige beterschap! Maar dan valt Philoctetes hem te voet:

Dan zink ik smeekend aan uw voeten neer, mijn zoon,
Verhoor mij! O bij alles wat u dierbaar is,
Uw vader en uw moeder en uw ouderhuis,
Verlaat mij niet! Ontvoer mij aan mijn jammerlot!
Gij hoordet wat ik uitsta, gij aanschouwt het zelf;
Verleen mij dan een schuilhoek op uw vaartuig. Ach,
Ik vraag niet, heet mij welkom als uw tochtgenoot;
Ik bid slechts, duld mij. Afschuw kent de brave alleen
Voor laagheid; eervol dunkt hem iedere eedle daad.
Gij zoudt het u verwijten, zoo gij me achterliet!
Doch gunt ge mij mijn vadergrond terug te zien,
Dat brengt u roem en eere; ginds vergeld ik 't u.
O, acht mij niet veeleischend! Luttel stonden slechts
Verdraagt gij mijn nabijheid. Wijs me een duistren hoek
In 't scheepshol, bij de voorplecht of de roerpen aan
Tot wijkplaats, waar mijn bijzijn 't minst u hindren kan.
O, sta niet langer weiflend! Wenk mij toe, mijn zoon,
En wees vermurwbaar! Bij der smeekelingen god,
Hier lig ik neder aan uw knieën, machteloos,
Een arme kreuple. Stoot mij niet meedoogloos weg,
Opnieuw gedoemd tot menschenledige eenzaamheid.


Vertaling van Leeuwen.

Het koor steunt, wederom met een kort lied, Philoctetes' smeekbede - het is immers de bedoeling dat Philoctetes op hun schip wordt gelokt! - Neoptolemus doet nog even alsof hij hen tot een ander inzicht wil brengen, maar als zij blijven aandringen verklaart ook hij zich tenslotte bereid en geeft hij bevel terstond te vertrekken. Uitbundig is Philoctetes' dank:

Gezegend zij de stonde die u herwaarts bracht!
O eedle, ware vrienden, of ik toonen kon
Door daden hoe mij 't harte zwelt van dankbaarheid!
Kom, zoon, verzel mij tot een laatsten afscheidsgroet
Aan 't vreugdloos oord der smarten, waar ik jarenlang
Heb leeren dulden en mij staalde tegen 't leed.
Met weemoed scheid ik van die woning, waar de blik
Des vreemdlings vol ontzetting zich van zijdwaarts wendt.
Zij was mij gastvrij toen de wereld mij verstiet.

Vertaling van Leeuwen.

   Op het ogenblik echter dat Neoptolemus, door Philoctetes voorgegaan, zich naar diens grot wil begeven heeft een verrassende gebeurtenis plaats. Een van Neoptolemus' bij diens schip achtergelaten manschappen leidt een scheepskapitein ten tonele (natuurlijk den vermomden dienaar van den prologos), die een nieuw door Odysseus verzonnen verhaal komt vertellen: op reis van Troje naar Griekenland (hij is koopman en voorziet de Grieken rond Troje van levensmiddelen en wijn) toevallig op dit eiland aangeland en vernemend dat ook Neoptolemus hier juist vertoeft komt hij hem dringend waarschuwen: de Grieken hebben een, door de zonen van Theseus geleide, expeditie uitgezonden om hem, goed- of kwaadschiks, naar Troje terug te brengen! Als Neoptolemus vraagt waarom Odysseus niet met deze taak was belast, antwoordt de scheepskapitein:

Sch. Hij maakte, toen mijn vaartuig Troje's kust verliet,
Met Tydeus' zoon zich vaardig tot een andren tocht.
Neo. Wien gold dan wel die zending van Odysseus zelf?


Vertaling van Leeuwen.

   Nu wordt de man geheimzinnig; hij fluistert Neoptolemus toe, dat hij eerst wil weten wie die vreemdeling is die met duidelijk merkbare spanning toeluistert. Als hij echter verneemt dat het de beroemde Philoctetes is, roept hij uit:

Sch. Wat? Vraag mij dan niet verder, roep uw mannen saam
En ijl naar elders op de vleuglen van den wind!
Phi. Mijn zoon, wat zegt hij ? Waartoe zooveel duistre taal?
Wat list verbergt het momplen van dien schepeling?
Neo. Ik weet nog niets. Doch, wát hij ook te zeggen heeft,
Hij spreke 't hier voor u en voor ons allen uit.
Sch. Neen, spaar mij, vorst! Ik mag niet! Zou ik openlijk
Verklappen wat geheim moet blijven? Zou ik zóó
Het heir verraden, dat mij weldeed? Verg dat niet.
Neo. Ik haat dat broed van Atreus; en mijn boezemvriend
Is deze, want ook hij verfoeit die adderteelt.
Verheel dus, zoo gij waarlijk mij genegen zijt,
Aan niemand uit ons midden wat gij weten mocht.
Sch. Bedenk toch wat gij aanvangt!
Neo.                                             Overbood'ge raad!
Sch. En waarborgt gij me uw hoede?
Neo.                                              Ja, en nogmaals ja!
Sch. Welnu, ziehier dan 't doelwit van den tocht waartoe
Het tweetal dat ik noemde zich heeft aangegord.
Hier staat wien Diomedes, wien Laërtes' zoon
Gezworen heeft te brengen in het legerkamp,
Hetzij door overreding, 't zij door ruw geweld.
Dit is geen gissing! 't Gansche leger kent dit plan!
Odysseus, meer nog dan zijn tochtgenoot gerust
Op d'uitslag van hun pogen, noemde 't openlijk.
Neo. En wat bewoog de Atriden, na zoo langen tijd
Weer om te zien naar dezen, dien zij jarenlang
Verstieten uit hun midden? Sloop een laat berouw
Hun boezem binnen? Openbaarde zich de toorn
Der goden, die geen wandaad ongewroken laat?


Vertaling van Leeuwen.

   Nu doet de scheepskapitein mededeling van de door den Trojaansen ziener Helenus gedane voorspellingen, waarna hij ijlings, zogenaamd om zich weer snel in te schepen, het toneel verlaat, Philoctetes in de hoogste opwinding achterlatend. Deze, die immers liever zou sterven dan aan zijn doodsvijanden bij de inneming van Troje de behulpzame hand te bieden, is nu geheel op Neoptolemus aangewezen. Hij bidt en smeekt hem terstond zee te kiezen, voordat hun belagers hen kunnen overvallen en overmeesteren, en strompelt zo snel hij kan, door Neoptolemus gevolgd, naar zijn grot om nog gauw de daar door hem bewaarde geneeskrachtige kruiden die zijn pijnen verzachten te gaan halen. Onderwijl beklaagt het koor, geroerd door Philoctetes' lijden en hulpbehoevendheid, zijn rampzalig lot en geeft het uiting aan zijn hoop dat hij dank zij Neoptolemus nu eindelijk zijn vaderland zal weerzien.
   Als Philoctetes en Neoptolemus hierna weer naar buiten treden en zich naar het schip willen begeven, wordt Philoctetes plotseling door een aanval van pijn overvallen. Hij probeert het nog te verhelen en zich met uiterste krachtsinspanning te beheersen, maar als de pijn hem allengs overmeestert en hem het verder gaan onmogelijk maakt, smeekt hij Neoptolemus nog even geduld met hem te hebben en hem niet in den steek te laten: hij heeft dergelijke aanvallen wel meer; ze duren slechts kort en daarna pleegt hij in een korten, diepen slaap te vallen, die hem nieuwe kracht zal geven om Neoptolemus en zijn mannen naar het schip te volgen. Terwijl zijn pijnen steeds in hevigheid toenemen, vertrouwt hij Neoptolemus zijn boog en pijlkoker toe, hem bezwerend dezen aan niemand uit handen te geven en hem dwingend nogmaals te beloven dat hij hem niet in den steek zal laten. Dan valt hij, nog voor hij zijn hol heeft kunnen bereiken om zich daar op zijn bladerenbed uit te strekken, op den harden rotsbodem in een diepe bewusteloosheid.
   Neoptolemus wiens geweten zich, bij het zien van Philoctetes' ellendigen toestand, maar vooral juist door het onbeperkte vertrouwen dat deze in hem stelt hoe langer hoe meer begint te verzetten tegen de hem opgedrongen Judasrol, verkeert in een vreselijken tweestrijd: zal hij, nu hij in het bezit is van den boog en pijlkoker, van de gelegenheid gebruik maken om den slapenden Philoctetes door zijn manschappen naar het schip te laten dragen? Dringend spoort het koor hem daartoe aan, maar voordat hij een besluit heeft kunnen nemen wordt Philoctetes reeds weer wakker:

O daglicht, wees gegroet mij ! 'k Zie u weer! Maar hoe,
Mijn vrienden, zijt gij hier gebleven? Werd mijn slaap
Beschermd door uwe hoede? Hoe beschaamt gij mij!
Hetgeen ik nimmer hopen noch verwachten dorst,
Gij deedt het, zoon! Gij vloodt niet van dit schriktooneel,
Maar bleeft meelijdend en vertroostend mij nabij.
De Atriden dachten anders! 't Brave veldheerspaar,
Zoo teergevoelig, heeft dit schouwspel zich bespaard!
En ik kon twijflen aan uw inborst! 't Heldenbloed
Liegt nimmer! Zoon, vergeef mij zoo ik 't ooit vergat.
Trots walging en ontzetting deedt ge uw woord gestand:
Thans weet ik dat ik blindlings u vertrouwen kan!
Welaan, naar boord nu ijlings. Voor een korten tijd
Vergeet mijn kwaal haar offer. Snel dan, voort van hier!


Vertaling van Leeuwen.

   Door Neoptolemus geholpen komt Philoctetes moeizaam overeind, maar nauwelijks hebben zij enige schreden gedaan, of Neoptolemus blijft plotseling staan: nu hij op het punt staat de kroon op zijn verraderswerk te zetten, deinst hij vol afschuw voor zijn eigen gemeenheid terug!

Neo. Neen neen, ik kán niet langer, 'k houd die rol niet vol.
Phi. Hoe, zoon? Wat overvalt u? Wat beduidt dat woord?
Neo. Ik vind niet langer woorden, 'k ben ten einde raad!
Phi. Gij raadloos? Doch waarom dan? Spreek zoo niet, mijn zoon!
Neo. Maar 't ís zoo! 'k Wil de waarheid spreken, nu althans!
Phi. Ha, ik versta u! Walgend deinst gij weg van mij!
Gij wilt mij niet meer dulden als uw tochtgenoot.
Neo. Ja, 'k walg, doch — van mij zelven! 'k Heb mijn aard verzaakt
En — vloek der logen! — zelf mij in 't bedrog verstrikt.
Phi. Een lijder redden, die uw bijstand waardig is,
Hoe zou dat kunnen strijden met uw heldenaard?
Neo. Een valschaard zal ik blijken! O, dat foltert mij!
Phi. Uw brave daden stemmen kwalijk met uw taal.
Neo. O Zeus, verlicht mij, hoe ontga ik dubblen smaad!
Mijn woord is leugen en mijn zwijgen huichlarij!
Phi. Spaar vrij uw woorden, heel uw houding zegt genoeg!
Gij zint verraad...! Straks ijlt gij wég en laat mij hier.
Neo. Neen neen, ik voer u mede! Maar — geen weldaad is 't!
Helaas, die reize zal uw nieuwe kwelling zijn.
Phi. Knaap, knaap, gij spreekt in raadslen, ik versta u niet.
Neo. Ik zal u niets verhelen. Naar 't Achaeër-kamp
Voor Troje, naar de Atriden voert de tocht ons heen.
Phi. Wee, wee! wat zegt gij?
Neo.                                  Jammer niet, doch hoor mij aan.
Phi. 'k Heb reeds genoeg vernomen in dat ééne woord!
Neo. Ik wil u redden van uw kwaal en dan, met u
Vereenigd, Troje's wallen overweldigen.
Phi. Gij spreekt in ernst? Gij schertst niet weder?
Neo.                                                           't Geen ik zeg
Is waar. O, 'k bid u, neem het niet gramstorig op.


Vertaling van Leeuwen.

   Philoctetes weet zich verkocht en verraden en vóór alles eist hij zijn boog en pijlen terug. Maar Neoptolemus kan dezen niet meer teruggeven; zij behoren immers aan het Griekse leger dat vergeefs om Troje strijdt. Philoctetes, buiten zichzelf van woede en wanhoop, beantwoordt zijn weigering met een stortvloed van smadelijke verwensingen en vervloekingen; dan smeekt hij hem nogmaals zijn wapen, het enige middel dat hij heeft om zich in het leven te houden, terug te geven:

Phi. Kind, kind, erbarm u! Hoop geen oneer op uw hoofd!
Om godswil, spaar mij, spaar u zelf! Beroof mij niet!
Neo. Wat moet ik doen? O, was ik nimmer heengegaan
Van Scyros! Wat hier voorvalt scheurt mij 't hart vanéén.
Phi. Gij zijt niet slecht! Neen, ándrer wil bestuurt uw daân,
Hún woorden spreekt gij. Werp dat masker af, hergeef
Mijn boog mij en mijn vrijheid, en — trek heen in vreê.
Neo. (tot het koor) Wat dunkt u, mannen?


Vertaling van Leeuwen.

   Op dit ogenblik echter springt Odysseus, die reeds enigen tijd, verdekt opgesteld, de ontwikkeling der gebeurtenissen heeft gadegeslagen, te voorschijn. Híj heeft in het geheel geen last van gewetensbezwaren en bars verbiedt hij den nu geheel uit het lood geslagen Neoptolemus aan Philoctetes zijn boog terug te geven. Philoctetes, die Odysseus terstond heeft herkend en nu ineens begrijpt wie de eigenlijke bedrijver van het schandelijke bedrog is, sommeert hij terstond mee naar het schip te gaan om zich naar Troje te laten brengen. Hij beroept zich daarbij op den wil der goden en probeert Philoctetes te paaien met te zinspelen op den roem dien hij door zijn medewerking aan de verovering van Troje zal behalen. Als deze echter —hij wil liever alles lijden dan zijn aartsvijanden ter wille te zijn — weigert en dreigt zich vanaf de rotsen te pletter te gooien, beveelt hij zijn mannen hem te grijpen en geboeid weg te leiden. Even later bedenkt hij zich echter en geeft hij zijn mannen bevel hem weer vrij te laten: hij heeft nu toch immers zijn wapen! Waartoe heeft hij Philoctetes zelf dan nog nodig? Hij behaalt liever zelf den roem die anders voor Philoctetes zou zijn weggelegd! Cynisch lachend zegt hij Philoctetes vaarwel en wenst hem veel plezier in zijn ballingsoord ! Dan gelast hij Neoptolemus, die nog steeds geen kracht kan vinden om zich tegen Odysseus te verzetten, en zijn manschappen zich naar het schip te begeven. Philoctetes weet van geen toegeven, maar toch grijpt zijns ondanks de wanhoop hem naar de keel: zijn roem is hem ontfutseld, zijn wapen hem ontroofd! Hij roept Neoptolemus na, maar Odysseus verbiedt hem antwoord te geven; hij klampt zich vast aan de manschappen van Neoptolemus' schip en dezen krijgen dan van hun meester toestemming nog even bij Philoctetes te blijven totdat het schip zeilree is gemaakt.
   In het nu volgende derde stasimon, dat den vorm heeft van een kommos, poogt het koor Philoctetes, die zich bitter beklaagt over het tegenover hem gepleegde bedrog en over het ellendig leven dat hem nu nog te wachten staat, steeds opnieuw te overreden zich alsnog naar den wil der goden te voegen en hen naar Troje te volgen. Maar hij blijft onvermurwbaar: nooit zal hij dezen hartewens van zijn doodsvijanden in vervulling doen gaan! Hij verlangt nu nog slechts naar den dood en stervensbereid strompelt hij weg, zijn grotwoning binnen. Als Neoptolemus' manschappen zich daarop onverrichter zake naar het schip willen begeven, komen onverwacht Odysseus en Neoptolemus, in heftigen woordenstrijd gewikkeld, het toneel opgesneld.

Od. Maar zeg mij dan toch eindlijk wat zoo plotseling
U om doet keeren en terugdrijft op uw schreên?
Neo. Ik ga herstellen wat ik straks misdreven heb.
Od. Kan ik uw raadslen gissen? Noem uw misdrijf dan!
Neo. Ik liet tot kwaad mij leiden! Gij en 't gansche heir . .
Od. Misleiden wij u? Loopt door óns uw eer gevaar?
Neo. Door list en logen heb ik hier gezegevierd.
Od. Op wien? Ha, ik versta u! Spreek, wat gaat gij doen?
Neo. Dat wat ik straks reeds wilde. 'k Zal aan Poias' zoon . . . .
Od. Wát zult gij hem? Maar spreek dan toch — gij martelt mij.
Neo. Ik zal dit wapen, door zijn hand mij toevertrouwd . . . .
Od. O Zeus, wat zal ik horen? Brengt gij 't hem terug?
Neo. Ja! Ik verkreeg het langs bedriegelijken weg.
Od. Om godswil, is dit kortswijl? Weet ge wat gij zegt?
Neo. Zoo waarheid spreken kortswijl is, dan scherts ik nu.
Od. Gij wilt .... maar droom ik? Ik geloof mijn ooren niet.
Neo. Verlangt gij dat ik meer dan eens mijn plan herhaal?
Od. Neen, zwijg, waanzinnige! Ik vernam alreeds te veel!
Neo. Gij hebt niets meer vernomen dan mijn vast besluit.
Od. Uw vast besluit! Gij zult het nooit volbrengen, nooit!
Neo. Hoe? Wie vermeet zich mij te zeggen wat ik zal?
Od. Geheel het heir verbiedt u 't. Ik in de eerste plaats.
Neo. Wel zijt ge schrander, — maar dit woord bewijst het niet.
Od. Gij zijt een dwaas! En als een dwaas zoo denkt ge en spreekt.
Neo. Gerechtigheid is beter dan scherpzinnigheid.
Od. Gerechtigheid! De vruchten van mijn moeite en list
Baldadig weg te werpen!
Neo.                             'k Wierp mijzelf hier weg.
Ik wil mij de achting voor mijzelf heroveren.
Od. En vreest gij niet de Achaeërs bij dat schoone plan?
Neo. Op 't recht vertrouw ik en uw drift ontroert mij niet.
Od. Neen, neen, ik laat het krijgslot in geen knapenhand.
Neo. Terug — of zelf ervaart gij wat die hand vermag.
Od. Gij zult niet — neen ik wil het niet —
Neo.                                             Nog eens, terug!
Gij ziet het wapen in mijn vuist hier?
Od.                                             Terg mij niet,
Bij god, of ik ook ruk het lemmer uit de scheê!
Doch neen, geen strijd hier. Aan uw straf ontgaat gij niet.
Geheel het leger zal vernemen wat gij deedt.
Neo. Nu zijt ge uzelf weer. Blijf toch altijd zoo gezind.
Dan loopt uw kostbaar leven niet zoo licht gevaar!
Gij, zoon van Poias, Philoctetes, hoort ge mij?
Treed herwaarts uit uw schuilhoek in der rotsen schoot.


Vertaling van Leeuwen.

   Op zijn roepen komt Philoctetes uit zijn grot naar buiten. Op rustigen, vastberaden toon vraagt Neoptolemus, die zichzelf nu geheel hervonden heeft, hem nog eenmaal of hij bereid is vrijwillig met hen mee naar Troje te gaan, maar als Philoctetes onwrikbaar bij zijn weigering volhardt, treedt hij op hem toe en geeft hij hem, die niet kan geloven dat Neoptolemus het werkelijk meent en een nieuwe list achter zijn woorden zoekt, zijn boog en pijlkoker terug, waarbij Odysseus, die zich voor alle veiligheid verdekt had opgesteld, zich niet meer kan inhouden en weer te voorschijn springt, terwijl hij uitroept:

Od. De goden zijn getuigen, ik verbied het u,
Uit naam der heerschers en uit naam van 't gansche heir.
Phi. Wat is dat, kind? Wie sprak daar? Was 't Odysseus' stem
Die tot mij doordrong?
Od.                           Zie hemzelf hier vóór u staan.
Naar Troje's vlakten gaat gij mét mij. Deze knaap
Moog 't laken, moog het prijzen, dwingen zál ik u.
Phi. 't Zal u niet lukken, zoo mijn trouwe boog niet faalt!


Vertaling van Leeuwen.

   Slechts het onversaagd optreden van Neoptolemus, die tussen beiden in springt en Philoctetes het schieten belet, redt den snel wegvluchtenden Odysseus van een wissen dood. Frank en vrij kan Neoptolemus den ouden Philoctetes, die hem prijst om zijn kranig gedrag en hem een waardig zoon zijns vaders noemt, weer in de ogen zien. Maar frank en vrij ook poogt hij hem met de ongekunstelde overredingskracht van zijn oprecht karakter nogmaals te overreden zich niet langer tegen den wil van het lot te verzetten, maar vrijwillig mee naar Troje te gaan waar, volgens de voorspelling van Helenus, hem niet alleen ongekende roem, maar ook herstel van gezondheid wacht. Maar na een korten tweestrijd blijft Philoctetes, die door zijn onverzoenlijken haat tegen hen die hem tien jaar lang aan zijn lot hebben overgelaten geheel verbitterd is en aan niets dat zijn doodsvijanden ook maar enig voordeel zou kunnen verschaffen zijn medewerking wil verlenen, bij zijn weigering. Hij overlaadt Neoptolemus zelfs met verwijten omdat hij hem toch nog daartoe heeft proberen over te halen en houdt hem tenslotte aan zijn plechtige belofte dat hij hem weer veilig naar zijn vaderland terug zou brengen.
   Alle menselijke middelen om den wil der goden te doen geschieden hebben gefaald. Slechts de goden zelf zullen hun wil nog werkelijkheid kunnen doen worden. Heracles, de vergoddelijkte held, de vroegere vriend en strijdmakker van Philoctetes, vertoont zich plotseling aan aller ogen (deus ex machina) en beveelt Philoctetes in naam van Zeus mee naar Troje te gaan, waar hij zijn gezondheid zal herkrijgen en zich met krijgsroem zal overladen. Nu aarzelt Philoctetes geen ogenblik meer. Hij neemt ontroerd afscheid van het eiland dat hem zo lang heeft gehuisvest en gevoed en allen verlaten de orchestra om zich in te schepen voor den tocht naar Troje.

*

   De „Philoctetes" is een van de drie tragedies van de trilogie waarmee Sophocles in het jaar 409 v. Chr. den eersten prijs behaalde. De dichter was toen ruim vijfentachtig jaar oud. Van de beide andere tragedies dezer trilogie is ons niets bekend. We weten dus ook niet in hoeverre deze tot Sophocles' succes kunnen hebben bijgedragen. Maar men mag toch wel veilig aannemen dat het in de eerste plaats de „Philoctetes" zal zijn geweest die hem den eersten prijs heeft bezorgd. Het stuk is immers uiterst rijk aan spanning en ontroering, aan dramatische effecten en geraffineerde driehoeksscènes die aan de acteurs legio speelkansen bieden. Maar vooral: de wrijvingen en botsingen tussen de karakters van de hoofdpersonen, het onbuigzame en ontembare van den geknauwden, maar ongebroken Philoctetes, het oprechte en openhartige van den ruiterlijken en ridderlijken Neoptolemus, het sluwe en perfide van den doortrapten en geslepen Odysseus, houden de aandacht van begin tot eind gevangen. Ook dit stuk is een echte karaktertragedie, met niet minder dan drie hoofdpersonen. Voor het koor blijft daardoor maar weinig speelruimte over. Op één na zijn alle koorliederen, ook de parodos, vervangen door kommoi. Het enige echte koorlied (eerste stasimon) staat zeer los van de handeling, is eigenlijk niets meer dan pauzevulling.
   Wel niemand zal er zich over verwonderen dat dit stuk zich ook heden ten dage nog over een grote populariteit verheugt en nog dikwijls wordt gelezen en gespeeld. Het merkwaardig jonge en frisse werk van den bijna negentigjarigen dichter is tot op den huidigen dag jong en fris gebleven. En houdt het, naast de bekoring die er van uitgaat, ook voor den modernen toeschouwer en lezer niet menige wijze en waardevolle levensles in? Volgens sommige verklaarders had Sophocles' „Philoctetes" een politieken achtergrond. De dichter, zo zeggen zij, tekende met dit stuk verzet aan tegen de onwaarachtigheid en de het-doel-heiligt-de-middelen-moraal, die zich in dien tijd hoe langer hoe meer van landsbestuur en politiek begonnen meester te maken, en kwam op voor het herstel en behoud van de aloude eerlijkheid en rechtschapenheid. Anderen verzetten zich met klem tegen deze interpretatie. En inderdaad, met toespelingen op politieke toestanden van zijn tijd is Sophocles altijd uiterst spaarzaam. Men moet wel zeer voorzichtig zijn met het interpreteren zijner stukken in politieken zin. Wij matigen ons geen oordeel in dezen aan. Maar áls het waar is dat Sophocles met zijn „Philoctetes" aan de politici van zijn tijd een spiegel heeft willen voorhouden, dan zou ook menig politicus van onzen tijd nog met Sophocles' stuk zijn voordeel kunnen doen!
   De „Philoctetes" is het enige van Sophocles bewaard gebleven stuk, op het eind waarvan de dichter een deus ex machina laat optreden. Hij deed dit in navolging van Euripides die, naar men algemeen aanneemt, deze toneelfiguur het eerst heeft toegepast, er in ieder geval een veelvuldig gebruik van heeft gemaakt. De deus ex machina van Euripides heeft aanleiding gegeven tot veel critiek. Die van ons stuk echter wordt algemeen geprezen en gewaardeerd. Heracles immers is Philoctetes' oude vriend en wapenmakker, hij is de vroegere bezitter van den boog, om welks bezit het uiteindelijk gaat, en heeft er dus nog wel iets over te vertellen, hij is de overbrenger van Zeus' raadsbesluit. Is het niet vanzelfsprekend dat juist deze godheid, nu alle menselijke middelen hebben gefaald, raad schaft en uitkomst brengt?
   Zoals gebruikelijk ontleende Sophocles de stof van zijn „Philoctetes" aan de Griekse mythologie. In het oude heldendicht nu liep het verhaal zo, dat Diomedes Philoctetes van Lemnos haalde en Odysseus Neoptolemus uit diens vaderland, Scyros. Aeschylus, die het eerst deze stof dramatisch heeft verwerkt, keerde de rollen om en liet Odysseus Philoctetes van zijn eiland halen. Euripides ging weer een stapje verder en stuurde Diomedes en Odysseus samen naar Philoctetes' eiland. „Eéne aanraking van Sophocles' meesterhand herschept echter het thema." (
K. Kuiper, De ontwikkelingsgang der Grieksche Letterkunde. Haarlem 1914, pag. 113.) Vooreerst stuurde hij Odysseus met Neoptolemus — twee uiterste karaktertegenstellingen — naar Philoctetes. De jonge Neoptolemus was aan Philoctetes geheel onbekend en leende zich daardoor des te beter voor de intrigue die Sophocles door het hoofd speelde. Verder gebruikten Aeschylus en Euripides in hun stukken een koor van bewoners van Lemnos, het eiland waarop Philoctetes indertijd door de Grieken was achtergelaten. Dit schiep een ietwat vreemde en onwaarschijnlijke situatie. Viel daarmee immers te rijmen dat Philoctetes al dien tijd van menselijken omgang en hulp verstoken was geweest? Daarom verving Sophocles dit koor door een koor van manschappen van Neoptolemus. Nu was de verlatenheid en eenzaamheid van Philoctetes ineens volkomen begrijpelijk en aanvaardbaar en won de figuur van Philoctetes aan dramatische geladenheid en verbittering. Sophocles heeft in het algemeen in de hem door de mythologie geboden stof weinig veranderingen aangebracht. Als hij het deed, dan was het om dramaturgische motieven. Onze tragedie is daarvan een sprekend voorbeeld.