DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

KONING OEDIPUS

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



KONING OEDIPUS

   Voor den mythologischen achtergrond van deze tragedie — Oedipus, koning van Thebe, stelt op bevel van Apollo een onderzoek in naar den moordenaar van Laïus, zijn voorganger op den Thebaansen troon, en ontdekt dat hij zelf Laïus, die zijn eigen vader blijkt te zijn, heeft gedood en dat hij met zijn eigen moeder, Iocaste, de weduwe van Laïus, is gehuwd — leze men onze inleiding op Aeschylus' „De Zeven tegen Thebe". Het stuk speelt te Thebe voor het paleis van koning Oedipus. Het koor wordt gevormd door aanzienlijke Thebaanse grijsaards. De acht personen zijn: Oedipus (protagonist); Creon (broeder van Iocaste, zwager van Oedipus), Tiresias (de blinde Thebaanse ziener), een bode uit Corinthe (antagonist); Iocaste, een priester van Zeus, een herder (eertijds in dienst van Laïus), een dienaar van Oedipus' paleis (tritagonist). Verder Thebaanse knapen en priesters, een geleider van den blinden Tiresias, Antigone en Ismene, dochters van Oedipus en Iocaste (zwijgende rollen, figuranten).
   Priesters en knapen drommen samen rond de in de orchestra voor het paleis van Oedipus opgestelde altaren; zij dragen, als smekelingen, met wol omwonden olijftakken en bidden de goden vurig om redding en uitkomst. Na enige ogenblikken treedt Oedipus uit het paleis naar buiten, en vraagt den priester van Zeus, den oudsten en meest eerbiedwaardigen der aanwezige priesters, naar de reden van hun bekommernis. Deze vertelt hem dan van de rampen die de stad teisteren en heel de bevolking naar de tempels der goden doen stromen om hen te smeken om hun hulp: de vruchten op de velden kwijnen weg, de veestapel wordt door ziekten geteisterd, de vrouwen zijn geslagen met onvruchtbaarheid, de burgerij sterft uit: pest en hongersnood bedreigen Thebe met ondergang en vernietiging! Hij smeekt Oedipus, die Thebe immers reeds eens van het monster van de Sphinx heeft kunnen verlossen, ook nu de stad weer te redden! Zuchtend antwoordt Oedipus dat de ellende der ongelukkige stad hem maar al te zeer bekend is: niemand kan daar meer leed van ondervinden dan juist hij, die met de zorg voor aller welzijn is belast. Reeds lang heeft hij alle mogelijke hulpmiddelen overwogen en — tevergeefs — beproefd. Ten einde raad heeft hij zijn zwager Creon, den zoon van Menoeceus, naar het orakel van Apollo te Delphi gezonden. Hij had hem reeds lang terugverwacht en vroeg zich niet zonder ongerustheid af, wat wel de oorzaak van zijn vertraagde thuiskomst kon zijn. Juist op dit ogenblik echter ziet de priester Creon in de verte naderen: hij brengt blijk baar gunstig nieuws, want hij heeft het hoofd met laurier omkranst! En inderdaad, als Creon het toneel heeft betreden, bevestigt hij dat hij betrekkelijk goed nieuws medebrengt; hij weet echter niet, zegt hij, of het niet beter is het Oedipus onder vier ogen mede te delen. Maar Oedipus verzoekt hem te spreken in aller aanwezigheid en dan vertelt Creon, dat Apollo heeft bevolen Laïus' moordenaar, die nog steeds te Thebe woont, te doden of te verbannen: zijn bezoedelende aanwezigheid is immers de oorzaak van de rampen waardoor Thebe wordt geteisterd. Oedipus vraagt en krijgt nu nadere inlichtingen over de omstandigheden van den moord op Laïus: met klein gevolg op weg naar Delphi was hij onderweg door een troep rovers overvallen en gedood; slechts één zijner mannen had kunnen ontkomen en aan hem dankte men deze spaarzame gegevens. Men had indertijd echter geen gelegenheid gehad de zaak nader te onderzoeken, omdat de door de Sphinx veroorzaakte ellende alle aandacht opeiste. Oedipus verzekert daarop dat hij terstond alles in het werk zal stellen om den moordenaar op te sporen en te straffen en beveelt het Thebaanse volk (dat in deze tragedie door het koor wordt vertegenwoordigd) voor zijn paleis bijeen te roepen.

Oed. Gij, kinderen, staat op van d'outertreên
en neemt d'olijventwijgen mee vanhier!
Men roepe Cadmus' volk hier tot mij saam!
Ik ben bereid tot alles. Weldra blijkt,
of Phoebus redden dan verderven wil!
Pr. Verheft u, knapen! 't Doel van onze komst
is thans bereikt door 'tgeen de vorst belooft.
Moog' Phoebus, die deez' godspraak zond, de kwaal
doen wijken en ons redden uit den nood!


Vertaling (in vijfvoetige jamben) H. van Herwerden in De Tijdspiegel 1880, 3 pag. 194v1gg.

   Oedipus gaat het paleis weer binnen, alle anderen verlaten het toneel en nu betreedt het koor van aanzienlijke Thebaanse grijsaards de orchestra. Zij zingen van de onmetelijke ellende die alom in Thebe heerst en smeken de goden vurig om redding en uitkomst uit den nijpenden nood; zal het zoëven bekend geworden antwoord van Apollo's orakel aan het jammerlijk geteisterd land geluk en welvaart hergeven?
   Hierna treedt Oedipus wederom uit het paleis naar buiten en geeft zijn instructies:

Wie uwer weet, door wiens hand Laius,
de zoon van Labdacus, gevallen is,
geev' onverwijld daar kennis van aan mij.
Ja, zelfs den dader houd' geen vrees terug
van zelfbeschuldiging: geen zwaarder straf
wacht hem dan veilig' aftocht uit dit land.
Maar wie een ander als den moordnaar kent,
hij zij vanhier of elders, zwijge niet;
ik zal met dank hem lomen en met goud!
Doch zwijgt men en veracht men dit bevel,
uit vrees voor zich of voor een ander, dan
verneemt, welk lot den overtreder wacht:
'k Verbied een ieder, die dit land bewoont,
waar ik den scepter zwaai, om zulk een mensch,
hij weze, wie hij wil, te herbergen;
van offers en gebeden zij hij ver;
ja, niemand mag hem groeten; ieder moet
hem drijven van zijn huis! Hij is de man
die vloek bracht over 't land, gelijk de god
van Delphi mij zoo even heeft verklaard!
   Vervloekt zij elk, die mijn bevel veracht!
Geen vruchten schenke hem der aarde schoot,
geen kinderen zijn vrouw! Een felle pest
als deez', of erger, sleepe hem in 't graf!
Vervloekt zij d' onbekende moordenaar!
Hem wensch ik, met zijn makkers (zijn er meer),
een jammervol bestaan, een wreeden dood!
Vervloekt zij ook ikzelve, zoo mijn huis
den dader herbergt en ikzelf dat weet!
   Wat zulk een daad verdient, hebt gij gehoord.
U andren, wien mijn koninklijk bevel
behaagt, u wensch ik 't Recht als bondgenoot
en aller goden besten zegen toe!


Vertaling van Herwerden.


   Namens de grijsaards van het koor verzekert de koorleider Oedipus, dat zij onschuldig zijn aan den moord op Laïus en niet weten wie de moordenaar is, en geeft hem dan in overweging Tiresias te raadplegen. Oedipus antwoordt dat hij hem op advies van Creon reeds heeft laten ontbieden en enige ogenblikken later betreedt de blinde ziener, door een knaap geleid, het toneel. Als hij echter van Oedipus verneemt waarom deze hem heeft laten ontbieden, weigert hij — hij doorziet immers de gehele toedracht — te antwoorden en wil hij zich verschrikt terugtrekken. Daarop ontsteekt Oedipus, omdat de ziener, die blijkbaar weet, niets wil zeggen, terwijl toch het welzijn van zijn eigen vaderstad daarvan afhangt, in een hevige drift en beticht hij Tiresias van medeplichtigheid aan den moord op Laïus: dáárom durft hij niets zeggen! Maar dan slingert Tiresias, die zich nu ook door zijn drift laat meeslepen, hem heel de verschrikkelijke waarheid in het gezicht: hij, Oedipus, is de moordenaar van Laïus en op grond van zijn eigen koninklijk decreet tot verbanning gedoemd; ja, nog erger: hij is gehuwd met zijn eigen moeder en weldra zal hij, de gevloekte, jammerend en weeklagend uit het land wegvluchten, geslagen met een blindheid waar hij nu Tiresias nog om beschimpt ! Maar volgens Oedipus zijn dit allemaal slechts lage verzinsels van den afgunstigen Creon, die zich blijkbaar van Tiresias bedient om hem, Oedipus, van den troon te stoten en zijn plaats in te nemen. Als Tiresias immers zo'n machtig en onfeilbaar ziener was, waarom had hij dan indertijd het raadsel van de Sphinx niet opgelost en zijn vaderstad van dien kwelgeest bevrijd? Fel verzet Tiresias zich tegen deze aantijgingen: hij bewijst geen hand- en spandiensten aan Creon, hij kent slechts één meester: Apollo. Nadrukkelijk en plechtig herhaalt hij zijn beschuldigingen en voorspellingen, maar dan vindt Oedipus dat het genoeg is en jaagt hij den ziener smadelijk weg. Deze verlaat het toneel, maar niet zonder Oedipus nog eenmaal zijn verschrikkelijken toestand en toekomst voor ogen te hebben gesteld:

Ik ga, doch niet eer 't woord, waarom ik kwam,
gesproken is. Uw macht bereikt mij niet
en 'k zeg u zonder vrees: de moordenaar
van Laïus, dien gij zoolang reeds zoekt
en dreigt met zware straf, die man is hier,
in naam een vreemd'ling, maar dra blijkt dat hij
Thebaan van afkomst is. Niet tot zijn vreugd
zal hij 't bemerken! Want van ziende blind
en arm van rijk, zal hij naar 't vreemd gewest
zich voorwaarts sleepen, tastend met zijn staf,
als 't is gebleken dat hij van zijn kroost
én broeder is én vader, tevens zoon
en echtvriend zijner moeder, die de koets
des vaders, dien hij moordde, met hem deelt!
Bepeins die woorden: blijkt het dat ik lieg,
zeg dan dat mij de wichelkunst niets leert.


Vertaling van Herwerden. 

   Zo eindigt dit eerste epeisodion, waarin het naderend onheil zich voor het eerst dreigend heeft aangekondigd. Oedipus trekt zich in het paleis terug en in het nu volgend eerste stasimon vraagt het koor zich af, wie toch wel Laïus' moordenaar zal blijken te zijn; het geeft uiting aan zijn ontzag voor den wijzen ziener Tiresias, maar houdt niettemin onwrikbaar aan Oedipus' onschuld vast.
   Hierna komt Creon het toneel opgesneld. Hij heeft vernomen waarvan Oedipus hem beticht en wil zich nu naar het paleis begeven om zich persoonlijk tegenover zijn koning te verantwoorden. Maar terwijl hij hiervan mededeling doet aan het koor, dat zich intussen alle moeite geeft de woorden van Oedipus zoveel mogelijk te verzachten en te vergoelijken, komt Oedipus reeds naar buiten en verwijt hem in heftige bewoordingen zijn (vermeend) verraad. Waar haalt hij, zo vraagt hij, de vermetelheid vandaan zich nog onder zijn ogen te vertonen? Creon poogt Oedipus op de onredelijkheid van zijn aantijgingen te wijzen: hij, Creon, neemt in het land een vooraanstaande positie in, bij allen gezien, door ieder geacht; hij wordt door Oedipus en Iocaste op voet van gelijkheid behandeld, er bestaat voor hem niet de geringste aanleiding om Oedipus van den troon te willen verdringen; hij schrikt trouwens voor de lasten en voor de verantwoordelijkheid van het koningschap terug. Maar Oedipus is voor geen rede vatbaar: deze doortrapte aanslag eist een onmiddellijk optreden, dit verzet tegen zijn koninklijk gezag moet in de kiem worden gesmoord; Creon is voor zijn gemeen verraad des doods schuldig! Nu laat ook Creon, die zich niet, langer kan beheersen, zich enige harde woorden ontvallen, maar op het ogenblik dat hun twistgesprek een noodlottige wending dreigt te nemen treedt Iocaste, de echtgenote van Oedipus en de zuster van Creon, uit het paleis naar buiten en samen met het koor weet zij Oedipus te bewegen Creon ongedeerd in vrijheid heen te laten gaan.
   Als deze echter het toneel heeft verlaten, wil Iocaste zich niet in het paleis terugtrekken, voordat zij van de aanleiding tot den twist tussen Oedipus en Creon op de hoogte is gesteld. Als zij dan verneemt dat de aanleiding deze was, dat Creon, op grond en door middel van Tiresias' openbaringen, Oedipus van den moord op Laïus had beticht, vertelt zij Oedipus, om hem te overtuigen van de waardeloosheid van al die zienerskunsten en orakel-spreuken, het volgende voorval uit haar eigen leven:

Laat alle zorg daaromtrent varen, vriend,
en leer van mij dat alle wichelkunst
der menschen ijdel, niets dan onzin is.
   Eens werd aan koning Laïus voorspeld,
'k zeg niet door Phoebus zelven — merk dit wel
maar door zijn dienaars, dat zijn eigen zoon,
indien ik hem een schonk, hem dooden zou.
Hem hebben vreemde roovers, zooals 't heet,
eens aan een driesprong afgemaakt — en 't kind
was nauw drie dagen oud, of Laïus
liet met gebonden voeten 't arme wicht
neerleggen op het woest gebergt', en dus
heeft Phoebus noch den knaap tot moordenaar
gemaakt zijns vaders, noch ook Laïus
doen lijden, wat hij vreesde van zijn zoon.
   Zoo ijdel is, mijn vriend, der zieners taal!
Stoor u er niet aan! God zal, wat hij wil,
wel openbaren zonder hunne hulp!

Vertaling van Herwerden.

   Maar deze woorden, bedoeld om Oedipus gerust te stellen, hebben een geheel tegenovergestelde uitwerking. Juist de vermelding van dien driesprong immers herinnert hem er aan, dat ook hij eens, lang geleden, bij een driesprong een man heeft gedood! Ongerust en gejaagd vraagt hij Iocaste om bijzonderheden en zij vertelt: Laïus was gedood in Phocis, daar waar de weg zich splitst in de richting van Delphi en Daulia; het was gebeurd kort voordat Oedipus den troon van Thebe besteeg; Laïus was groot van gestalte, had ongeveer het uiterlijk van Oedipus, rond zijn slapen vertoonden zich de eerste grijze haren; hij had slechts een klein gevolg van vijf man, waaronder een heraut, bij zich, er was slechts één wagen, die van Laïus.... Het klopt allemaal precies ! Zou hij, Oedipus, dan toch de moordenaar van Laïus kunnen zijn?

Oed. O wee, dat is reeds duidlijk! Maar wie heeft
die dingen later u verhaald, o vrouw?
Ioc. Een slaaf; hij kwam alleen behouden weer.
Oed. Bevindt hij zich nog thans in het paleis?
Ioc. Neen; want toen gij den troon van Laïus
bestegen hadt, verzocht hij dringend mij
het vee te mogen weiden op het land,
om zoover mooglijk van de stad te zijn.
Ik liet hem gaan: want als een trouwe slaaf
had hij die kleine weldaad ruim verdiend.
Oed. Hij kome zoodra mogelijk terug!


Vertaling van Herwerden.

   Voordat Iocaste hem echter wil laten ontbieden, verlangt zij van Oedipus een verklaring van zijn plotselinge ongerustheid. Deze vertelt dan dat hij zijn jeugd had doorgebracht in Corinthe, als zoon van koning Polybus en koningin Merope. Eens echter had tijdens een maaltijd iemand hem in dronkenschap honend toegeroepen, dat hij slechts een ondergeschoven zoon van Polybus was! Met verontwaardiging hadden zijn vader en moeder deze verdachtmaking van de hand gewezen, maar toch had hij zich korten tijd daarna, door onzekerheid gekweld, naar het orakel van Delphi begeven; over zijn afkomst had Phoebus hem geen uitsluitsel gegeven, maar hem wel vele verschrikkelijke voorspellingen gedaan: hij zou zijn eigen vader doden, met zijn eigen moeder huwen en bij haar kinderen verwekken! Sindsdien had hij niet meer naar Corinthe, waar immers zijn vader en moeder woonden, durven terugkeren, maar overal als balling rondgezworven.

Dus dwalend vond ik mij op de eigen plaats gekomen,
Waar gij den vorst verhaalt het licht te zijn benomen.
En (ik verbloem, mijn gade, u de echte waarheid niet)
Juist op dien dubblen weg in 't Phocische gebied
Ontmoette ik een' heraut, geleidende den wagen
Eens grijsaarts, Laius' beeld, door u mij voorgedragen,
Volmaakt gelijk, en ook van dienaars vergezeld.
De leidsman, en hij zelf, bestond mij met geweld
Te hindren in mijn' tocht en uit het spoor te dringen.
Ik kon mijn' heeten moed in 't gisten niet bedwingen,
Maar trof, die mij weêrstond, met één' gewissen slag.
De grijsaart, als hij mij den wagen naadren zag,
Zocht, schoon zijn stramme vuist zich'yeigerde aan zijn' toren,
Tot tweewerv' toe mij 't hoofd te pletten met zijn sporen,
Maar stortte, op 't onvoorzienst getroffen door mijn' staf,
Zieltogend uitgestrekt van zijne zitplaatse af.
'k Drong voorts op de andren aan, die voor mijn slagen vielen.


Vertaling W. Bilderdijk, Edipus, Koning van Thebe. Amsterdam 1779. 

   Als deze man werkelijk Laïus was geweest, wie was dan ongelukkiger dan Oedipus? Dan zou hij al die jaren gehuwd zijn geweest met de weduwe van zijn slachtoffer, dan zou hij nu door zijn eigen decreet zichzelf vervloekt en uit Thebe verbannen hebben, zonder dat hij zou kunnen terugkeren naar zijn geboorteland, waar immers zijn vader en moeder nog woonden!

O heil'ge goden, geeft mij dat ik nooit
dien gruwelstond mag zien! Veel liever dood
en weggerukt naar 't somber schimmenrijk
dan leven om dien vloek vervuld te zien!


Vertaling van Herwerden.

   Er rest Oedipus nu nog één hoop: dat de enige overlevende van den aanslag op Laïus zijn vroegere mededeling, dat deze door een troep rovers en niet door één man was geschied, bevestigt. Terstond laat Iocaste hem nu ontbieden: hij zal immers ongetwijfeld zijn in het openbaar afgelegde verklaringen handhaven; maar — voegt zij er halsstarrig aan toe —:

En zoo hij ook iets afwijk' van zijn vroegre taal,
Toch maakt hij nimmer, vorst en heer, 't orakel waar
Van Loxias die de uitspraak deed dat Laïus
Gedood zou worden door een kind uit mijnen schoot.
Voorzeker heeft die onheilszoon zijn vader nooit
Verslagen, maar hijzelf kwam lang te voren om.
Daarom zie ik om zienerskunst, wat deze ook meld',
Naar dien kant uit noch dezen, nu noch in 't vervolg.


Vertaling Burgersdijk.

   Oedipus en Iocaste trekken zich in het paleis terug, het koor geeft uiting aan zijn vrees voor mogelijke kwade gevolgen van de overmoedige taal van Iocaste en maant zichzelf tot gehoorzaamheid en onderwerping aan de door de goden gegeven wetten en beschikkingen. 
   Hierna betreedt Iocaste onverwacht opnieuw de scène: Oedipus, zo deelt zij het koor mede, is buiten zichzelf van angst en niet te kalmeren; ten einde raad heeft zij besloten zich met offeranden naar de tempels der goden te begeven en allereerst smeekt zij nu Apollo, wiens altaar in de orchestra staat opgesteld, om hulp en uitkomst. Juist op dit ogenblik echter arriveert een bode uit Corinthe en meldt dat Polybus, de koning van Corinthe, is gestorven en dat de bevolking Oedipus tot zijn opvolger wil uitroepen! Verheugd laat Iocaste, die in haar opgewondenheid niet opmerkt dat de bode niet van Polybus als van Oedipus' vader spreekt, Oedipus snel naar buiten roepen en triomfantelijk spot zij met Apollo's waardeloze orakelspreuk:

Ga aanstonds tot uw heer, slavin, en zeg,
men wil hem spreken. Ha, orakels, waar,
waar zijt ge thans? Uit vrees, dat hij dien man
vermoorden zou, vlood Oedipus — en ziet,
nu is hij dood, maar niet door zijne hand!


Vertaling van Herwerden.

   Oedipus treedt naar buiten, verneemt op zijn beurt de tijding van Polybus' natuurlijken, niet gewelddadigen dood, merkt evenmin op dat de man niet van Polybus als van zijn vader spreekt en hoont nu met Iocaste de ijdele voorzeggingen:

Oed. Welk stervling zal dan langer nog, o vrouw,
aan Pytho's godspraak of aan 't schor gekras
der vogelen iets hechten? Zou ik niet
mijn vader dooden? Zie, hij is niet meer
en d'aarde dekt hem, zonder dat mijn hand
een zwaard gevoerd heeft, — of 't moest zijn dat hij
uit wensch naar mij verkwijnd' en dit de zin
der godspraak was! Hoe 't zij, hij nam haar mee
naar Hades' woning als een ijdel woord!
Ioc. Maar heb ik u dat niet reeds lang gezegd?
Oed. Dat is zoo, maar de vrees bracht mij van 't spoor.
Ioc. Wees nu dan kalm en denk er niet meer aan.


Vertaling van Herwerden.

   Toch is er nog één ding dat Oedipus verontrust en waarom hij Corinthe niet zou durven betreden: zijn moeder Merope, met wie hij volgens de voorspellingen eens zou huwen, leeft nog! Maar ook van deze vrees kan de ijverige bode, die gaarne in de gunst wil komen van den toekomstigen heerser van zijn land, hem bevrijden: Polybus was Oedipus' vader niet, noch is Merope zijn moeder! Hij, de bode zelf, had indertijd, toen hij in het Cithaeron-gebergte de kudden van zijn meester weidde, Oedipus als pasgeboren kind, met doorboorde en samengesnoerde enkels, uit de handen van een van Laïus' herders aangenomen en naar Polybus en Merope gebracht, die — zij waren zelf kinderloos — hem liefderijk hadden opgenomen en grootgebracht. Terstond wil Oedipus dezen herder spreken:

Spreekt, is er onder u, die bij mij staat,
Wellicht ook iemand die dien herder kent?
Zag iemand hem op 't land of in de stad?
Dat men hem vindt, is van het grootst gewicht!

Vertaling van Herwerden.

   Tevergeefs poogt Iocaste, tot wie de vreselijke waarheid allengs begint door te dringen, Oedipus van verdere onderzoekingen af te houden. Als zij echter beseft dat haar pogingen ijdel zijn, ijlt zij, een schrillen angstkreet slakend, weg, het paleis in. Het koor is ongerust over de gedragingen van Iocaste, maar Oedipus, nog steeds volslagen blind voor de werkelijkheid, veronderstelt dat zij blijkbaar bevreesd is dat nu weldra zal blijken dat hij, Oedipus, haar echtgenoot, van zeer onaanzienlijke afkomst, misschien wel de zoon van een van haar eigen slavinnen is. Hij, Oedipus, zal zich echter voor zijn afkomst, hoe nederig ook, niet schamen; want wat ook te voorschijn moge komen, hij blijft wat hij is: een zoon van het Geluk! Meegesleept door zijn enthousiasme fantaseert het koor in het derde stasimon over de nu nog onbekende, maar ongetwijfeld voorname, misschien wel goddelijke afkomst van Oedipus!
   Het nu volgend vierde epeisodion brengt echter de katastrophe. De langverbeide herder van Laïus verschijnt ten tonele, wordt door het koor en door den bode uit Corinthe herkend, probeert zich, als hij de noodlottige gevolgen van zijn daad overziet, aan alle verklaringen te onttrekken, maar wordt tenslotte gedwongen de waarheid te erkennen: Oedipus is de zoon van Laïus en Iocaste!

Oed. Als ik, die nooit den man nog heb ontmoet,
mij niet vergis, komt daar de herder, dien
we lang reeds zoeken. Zijn gebogen rug
en grijze haar verraadt den ouden man
en daarenboven, die hem brengen, zijn
mijn eigen slaven. Maar gij, die weleer
den herder kendet, weet g', of hij het is?
Ko. Voorzeker, 't is de slaaf van Laïus,
een herder, trouw, zooals er weinig zijn.
Oed. U, vreemdling uit Corinthe, vraag ik eerst:
Bedoelt ge dezen man?
Bo.                             Geen ander, vorst!
Oed. Gij, zie mij in 't gelaat en antwoord mij
op wat ik vraag. Was Laïus uw heer?
He. Ik was zijn slaaf, geboren in zijn huis.
Oed. Wat deedt ge voor den kost; wat was uw werk?
He. Het grootste deel mijns levens weidd' ik vee.
Oed. Waar hieldt ge u al zoo voornaamlijk op?
He. Op den Cithaeron of nabij dien berg.
Oed. Herkent ge dezen man van dat verblijf?
He. Van dat verblijf? Hoe zoo? Wien meent ge toch?
Oed. Die voor u staat! Ge hebt hem nooit ontmoet?
He. Niet dat ik mij zoo snel herinn'ren kan.
Bo. Geen wonder, koning; maar ik zal 't hem ras
te binnen brengen. Want gewis herdenkt
hij wel den tijd, dat wij tot driemaal toe,
hij met twee kudden, ik met één, aldaar,
zes maanden lang, van 't voorjaar tot den herfst,
te zaam verkeerden. Als het najaar kwam,
dreef ik mijn vee naar onzen stal terug
en hij het zijn' naar dien van Laïus.
Heeft, wat ik zeg, niet werklijk plaats gehad?
He. Ge spreekt de waarheid, maar 't is lang geleên.
Bo. Welnu, ge weet wel dat ge mij een kind
eens gaaft, om groot te brengen voor mij zelf?
He. Wat meent ge? Waartoe doet ge mij die vraag?
Bo. Dat kind, mijn vriend, het is .. de koning hier!
He. Dat u de pest ...! In godsnaam, houd uw mond!
Oed. Laat hem met rust ! Wat gij daar zegt, verdient
veel eerder straf dan wat die man daar sprak.
He. Mijn beste meester, wat misdeed ik dan?
Oed. Het kind, waarnaar hij vraagt, verloochent ge.
He. Hij droomt, hij zwetst, geloof hem niet, mijn vorst.
Oed. Beken 't gewillig, anders dwing ik u!
He. Mishandel niet den grijsaard, bij de goon!
Oed. Men binde hem de handen op den rug.
He. Waarom? Wat wilt ge weten? Zeg het dan!
Oed. Of gij dat pasgeboren wicht hem gaaft.
He. Ja! Ach, waar' dat mijn laatste stond geweest!
Oed. Die stonde naakt, als gij geen waarheid spreekt!
He. Veel eerder nog, indien ik wel dat doe.
Oed. Uitvluchten zoekt de schurk, zooals het schijnt.
He. Maar zeid' ik niet reeds lang, dat ik 't hem gaf?
Oed. Was 't uw kind of een vreemd? Wie gaf het u?
He. Men gaf het mij, mijn eigen was het niet.
Oed. Van wien der burgers? Uit welk huis? Spreek op!
He. Ach, bij de goden, meester, vraag niet meer!
Oed. Zoo 'k nóg eens vragen moet, zijt gij des doods!
He. Welnu, het was uit 't huis van Laïus.
Oed. Een slavenkind — of van zijn eigen bloed?
He. Hoe vreeslijk uit te spreken, ach, dat woord!
Oed. Nog vreeslijker te hooren! Maar 't moet zijn!
He. Men noemde het zijn kind. Het allerbest
verklaart uw vrouw de toedracht van die zaak.
Oed. Gaf zij u 't wicht?
He.                            Zij gaf het mij, o vorst.
Oed. En met wat doel?
He.                           
Dat ik het dooden zou.
Oed. Haar eigen kind?
He.                           Uit vrees voor Phoebus' woord.
Oed. Welk woord?
He.                     Dat het zijn vader dooden zou.
Oed. En waarom gaaft ge 't aan deez' ouden man?
He. Uit deernis, meester, in de hoop dat hij
't naar elders brengen zou. Maar juist de dood
had het bewaard voor lijden, want, zoo gij
dat kind zijt, is uw onheil grenzenloos!
Oed. Wee, wee, zoo was dan alles, alles waar!
O zon, moog' ik voor 't laatst uw stralen zien,
ik, die het licht zag van wie 't niet mocht zijn,
die omgang had met wie het niet mocht zijn,
die 't bloed vergoot van wie het niet mocht zijn!


Vertaling van Herwerden.

   Verbijsterd vlucht Oedipus het paleis binnen. De bode uit Corinthe en de herder verlaten het toneel. Het koor treurt in het vierde stasimon over het vreselijk lot van den man, die eens hun machtige en vereerde koning was; is er iets, zo klagen de Thebaanse grijsaards, vergankelijker en bedrieglijker dan het menselijk geluk?
   Hierna neemt de exodos een aanvang. Een dienaar komt uit het paleis gesneld en vertelt aan het koor, hoe Iocaste zich heeft verhangen en Oedipus zich met de spangen van haar gewaad de ogen heeft uitgestoken:

Die. O mannen, welke gruwelijke daan
zal dra uw oor vernemen, zien uw oog!
Hoe zal 't bericht u schokken, die vanouds
bevriend zijt met het huis van Labdacus!
Geen Istrus en geen Phasis zijn in staat
't paleis te reinigen van al dien vloek.
Want nieuwe gruwlen zag het: nu geen kroost
van 't blinde noodlot, neen, van vrijen wil;
en zulk vrijwillig kwaad baart 't meeste leed.
Ko. Hoe? Is de maat des jammers nog niet vol?
't Was waarlijk reeds genoeg! Wat brengt ge meer?
Die. Het snelst gezegd is ook het snelst gehoord:
de koningin van Thebe leeft niet meer.
Ko. Rampzaal'ge vrouw! Wat was haar einde? Spreek!
Die. Ze stierf door eigen hand. Het ergste bleef
aan u bespaard, die niet zaagt wat ik zag.
Toch zult ge 't leed der arme vrouw, zoover
ik 't mij herinner, hooren uit mijn mond.
Hartstochtlijk, als ge weet, in huis gesneld,
ijlt z'in het slaapvertrek, het grijzend haar
met beide handen rukkend uit het hoofd,
op d'echtkoets toe en roept met luider stem
den naam des langgestorvenen gemaals,
d'omarming vloekend die hemzelf den dood
gebaard had en zijn vrouw in d'armen wierp
van d'eigen zoon. Met bittre jammerklacht
beweent ze 't bed, alwaar heur man een man
haar had verwekt en kinderen heur kind!
Hoe zij den dood dan vond, ik zag het niet.
Want eensklaps stormt de koning in 't paleis
en wendt door zijne dolle razernij
onz' aandacht af van 't lot der arme vrouw.
„Reikt mij een zwaard," roept hij ontzind ons toe,
„en zegt waar ik mijn vrouw, wat? vrouw? — den schoot,
den moederschoot van mij en van mijn kroost
kan treffen !" Niemand onzer, neen, een geest,
een booze daemon wijst den razende
den weg, die met een ijselijk gehuil,
zijn leiding volgend, losspringt op de deur,
door haar gesloten, en, met reuzenkracht
die uit heur hengsels rukkend, binnenstormt.
Hem volgend zien wij Iocaste's lijk
daar hangen in een strik. Nauw ziet hij haar,
of, brullend als een stier, snijdt hij dien los —
en toen het lijk ter aard lag, greep iets plaats,
dat bij 't herdenken nog mij ijzen doet.
D'uit goud gedreven spangen van haar kleed
rukt d'ongelukkig' af en steekt daarmee
met woesten stoot zich bei zijn ogen uit,
terwijl hij krijscht: „Wijl, wat ik leed of deed,
u duister bleef en gij degene die
ge niet moest zien gezien, maar die ge moest
herkennen niet herkend hebt, daarom zij
het verder voor u nacht!" Bij zulk een taal
trof keer op keer hij 't wijdgeopend oog,
zoodat uit d'oogenholten donker bloed
neerstroomde langs zijn beide wangen, niet
in droppels, maar een onweersbui gelijk ...
   Groot was weleer de voorspoed van dit huis,
maar heden zijn daar alle gruwelen,
die d'aarde kent, als gasten ingekeerd:
schuld, jammer, schande, dood! Neen, niets ontbreekt!
Ko. En nu — is d'arme man nu kalmer? Spreek!
Die. „Ontsluit de deuren," roept hij, „van 't paleis,
dat iedereen den vadermoorder zie
en die zijn moeder .. .." Neen, 'k herhaal het niet,
dat vreeslijk woord! „Ik ga als balling straks
vanhier, omdat mijn eigen vloek mij treft!"
Doch hoe zal, blind en hulploos als hij is,
hij zonder gids en zonder hulpe gaan?
Maar ziet, daar openen de deuren zich:
hij komt, een schouwspel zoo ontzettend, dat
zijn ergste vijand deernis voelen zou!


Vertaling van Herwerden.

   Verminkt en bebloed strompelt Oedipus naar buiten, een afgrijselijk schouwspel! In een heftige kommos geven de Thebaanse grijsaards, al schrikken zij voor zijn huiveringwekkenden aanblik terug, uiting aan hun diepe deernis met den rampzaligen Oedipus en vervloekt deze, vernietigd door smart over zijn bezoedeld leven, zijn jammerlijk lot, vervloekt hij den man die hem eens in het Cithaeron-gebergte aan een wissen dood heeft ontrukt. Als de koorleider hem vraagt, of het niet beter ware geweest zich te doden dan zich te verblinden, antwoordt hij dat hem geen andere uitweg openstond. Of met wat voor ogen, zo roept hij uit, had hij, na in den Hades te zijn afgedaald, zijn vader en moeder moeten aanschouwen? Maar ook de aanblik van zijn kinderen, de aanblik van de stad waaruit hij zichzelf verbannen had zou onverdraaglijk voor hem zijn. Neen, neen, hij had nu nog slechts één verlangen: zo snel mogelijk weg uit dit land zijner schande.
   Op dit ogenblik betreedt Creon, op wien nu het bestuur over Thebe is overgegaan, het toneel. Hij is allen twist en onmin van zoëven vergeten en slechts van gevoelens van medelijden met den rampzaligen Oedipus vervuld. Aan diens wens, hem zo spoedig mogelijk uit het land te verwijderen, wil hij echter niet voldoen, voordat hij de godheid daarover heeft geraadpleegd. Oedipus moet hierin berusten; hij verzoekt Creon voor de begrafenis van locaste zorg te willen dragen; hij verzekert hem dat hij zich over de toekomst van zijn zoons, Eteocles en Polynices, niet behoeft te bekommeren: zij zullen hun weg wel weten te vinden, maar smeekt hem met des te groter aandrang zijn beide dochtertjes, Antigone en Ismene, in bescherming te willen nemen, ja hij vraagt Creon ze nog eenmaal in zijn armen te mogen sluiten om samen met haar hun ongeluk te bewenen.

Oed. Wat hoor ik? Zijn 't mijn lievelingen niet,
die snikkend naderen? Voert Creon mij
mijn teerbeminde kroost uit deernis toe?
Of dwaal ik?
Cr.              Het is zoo: ik bereidd' u dit genot,
Zoodra ik uwen hartewensch vernam.
Oed. Der goden zegen, Creon, voor die daad
en beetre hoede, dan mij werd ten deel!
   Waar blijft ge, kindren? Snel, komt, legt uw hand
in deze broederhand. Zij is het die
gemaakt heeft dat uws vaders helder oog
niet meer den glans van vroeger dagen heeft,
omdat hij eens dat licht niet heeft gebruikt
en daar gezaaid heeft waar hijzelf ontsproot.
Met tranen vult zich nu dat duister oog,
wanneer ik aan de donk're toekomst denk,
als, ach, welk lot u van de menschen wacht!
Wen andre maagden deelen in 't genot
der feesten, zich vermeiend aan hun glans,
keert, armen, gij betraand naar huis terug ...
u wacht geen echtlijk heil, geen moedervreugd.
Want wie zal 't wagen, zich een echtvriendin
te nemen, die als bruidschat schande brengt?
„Uw vader is zijns vaders moordenaar
en echtgenoot der moeder die hemzelf
het licht schonk; en die man: heeft u verwekt
bij haar, uit wie hijzelf ontsproten is!"
Dat zal men u verwijten. Neen, geen man
begeert u: ongehuwd en kinderloos
te leven en te sterven, is uw lot!
   Zoon van Menoeceus, gij, gij zijt voortaan
haar vader; want haar ouders zijn niet meer.
Laat gij niet toe dat deze meisjes ooit,
verstoken als ze zijn van mannensteun
en zonder hulp van een vermaagschapt huis,
als beedlaressen zwerven door het land
en maak haar niet rampzalig, zooals ik!
Maar, ach, ontferm u over haar, zoo jong,
zoo gansch verlaten zonder uwe hulp!
Geef mij een handdruk tot bewijs dat gij
't zult doen. — Geen raad, mijn kindren — gij zijt nog
te jong — verzell' u uit mijn mond, slechts deze wensch:
de goden mogen u een beter lot
vergunnen dan het lot uws vaders was!


Vertaling van Herwerden.
 
   Dan gaat Oedipus, door Creon geleid, het paleis binnen. Ook het koor verlaat de orchestra, op de sombere maten van het slotlied:

Ziet hier, Thebe's burgers, ziet hier Oedipus, den armen mensch,
die, de orakelspreuk verklarend, eenmaal machtig was en groot,
zoodat ieder hem bewondrend huld' en eer in Thebe bood.
Ziet, in welke zee van jammer zijn gelukster onderging!
Daarom prijst geen wezen zalig, dat een sterflijk lot ontving,
eer gij, wat aan hem beschikt is voor zijn laatste dagen, weet.
Prijst eerst hem, die 's levens eindpaal mocht bereiken zonder leed! 


Vertaling van Herwerden. De maat is de trochaeïsche tetrameter.

*

   Wij hopen dat de lezer van deze fragmenten iets heeft gevoeld van de spanning die zich destijds van het Atheense publiek moet hebben meester gemaakt. Zeker, het stuk bevat enige min of meer storende onwaarschijnlijkheden en toevalligheden. Het is onwaarschijnlijk dat Oedipus, na reeds zo lang met Iocaste getrouwd te zijn geweest, zich pas nu door haar over het oude orakel van Apollo en den dood van Laïus, zijn voorganger op den troon, laat inlichten en dat hij pas nu aan haar mededelingen doet over zijn jeugd en vroeger leven. Het is toevallig dat niet alleen de oude dienaar van Laïus die Oedipus eens te vondeling legde en later als enige aan den moordaanslag op Laïus en zijn metgezellen ontkwam een en dezelfde persoon is, maar dat dit ook met den herder die Oedipus naar Corinthe bracht en later Polybus' dood in Thebe meldt het geval is. Dit neemt echter niet weg dat Sophocles er in is geslaagd het stuk meesterlijk op te bouwen en er een spanning in te leggen die van scène tot scène beklemmender wordt. Op waarlijk magistrale wijze heeft hij zich bediend van den derden acteur in de driehoeksscène tussen Oedipus, Creon en Iocaste in het tweede epeisodion, tussen Oedipus, Iocaste en den bode uit Corinthe in het derde epeisodion en met name in die tussen Oedipus, den bode uit Corinthe en den ouden dienaar van Laïus in het vierde epeisodion. Vooral echter lette men op het volgende. Terwijl Oedipus' aandacht en speurzin zich in het eerste gedeelte van het stuk geheel concentreren op het ontdekken van den moordenaar van Laïus, terwijl het onderzoek naar zijn ouders geheel op den achtergrond wordt gedrongen, neemt het stuk daarna allengs een zodanige  wending dat de vreselijke werkelijkheid van Oedipus' afkomst de daarin opgesloten ontdekking van Laïus' moordenaar tot een gebeurtenis van secundaire betekenis maakt. Vooral hierdoor heeft Sophocles een benauwenden climax van ontzetting en verbijstering weten te bereiken.
   Maar Sophocles' „Koning Oedipus" is nog wel iets meer dan een geraffineerd geschreven detective-verhaal of meesterlijk gecomponeerde speurdersroman! Zeer oud reeds is de strijd of men in deze tragedie een voorbeeld, ja het type heeft te zien van een noodlotstragedie, dat wil zeggen van een tragedie waarin ons voor ogen wordt gehouden, hoe de mens een speelbal is van het noodlot en op geen enkele wijze kan ontkomen aan dat wat het noodlot over hem heeft beschikt. Oedipus is immers, zo zegt men, volkomen onschuldig aan de onwillens en onwetens door hem bedreven vadermoord en bloedschande. Hij is het slachtoffer van een noodlottigen samenloop van omstandigheden en slechts daardoor gekomen tot de daden die zijn ondergang ten gevolge hebben. Anderen echter verzetten zich tegen deze opvatting. Zij betogen dat Oedipus wel degelijk zelf de oorzaak is van zijn ongeluk, doordat hij zich zonder zichtbare noodzaak in drift en uit louter opvliegendheid heeft vergrepen aan het leven van een ouden man, die niet terstond vrij baan voor hem wilde maken. Met andere woorden: in Oedipus' karakter zoeken zij de oorzaak van zijn val en zij wijzen er op dat de karakterfout, die hem eens tot zijn manslag dreef, zich door heel de tragedie heen, als om zijn beginschuld te herhalen en te verzwaren, steeds opnieuw in allerlei vormen manifesteert: in voorbarigheid, eigengereidheid, eigenzinnigheid, halsstarrigheid, hooghartigheid, enzovoort.
   Wij zullen ons niet in dezen strijd mengen, te meer waar deze, menen wij, de kern van het stuk niet raakt. Sophocles — wij wezen er reeds op — was niet gewoon zich, zoals Aeschylus, te verdiepen in de problematiek van schuld en boete. Wij weten van de aeschyleïsche Oedipus-figuur weinig af. Van zijn Thebaanse trilogie is immers alleen het derde stuk, „De Zeven tegen Thebe", bewaard gebleven. Men kan er echter wel zeker van zijn dat in het tweede stuk van deze trilogie, de „Oedipus", zijn aandacht vóór alles is uitgegaan naar het voortwerken van den Labdaciden-vloek in den persoon van Oedipus. Voor hem draaide alles om den erfvloek in het geslacht der Labdaciden. Bij Sophocles wordt daar nauwelijks van gerept. Voor Aeschylus was Oedipus slechts een schakel in het geheel, voor Sophocles een zelfstandige grootheid. Voor Aeschylus was de ontdekking van Oedipus' vergrijpen als zodanig met de oorzaak en gevolgen daarvan belangrijker dan de wijze waarop en de omstandigheden waaronder ze werden ontdekt. Maar juist dit was het wat den dramaturg Sophocles boeide en tot zijn „Koning Oedipus" inspireerde. Alles wat vooraf was gegaan en nog zou gebeuren was voor hem daarbij bijzaak. Voor hem was het schokkend schouwspel van de ineenstorting van dezen ongelukkigen mens boeiender en belangrijker dan de problematiek van zijn schuld.
   Wij zeiden reeds dat Sophocles alleen dan veranderingen aanbracht in de mythologische overlevering, als dit hem dramaturgische winst opleverde. Welnu, in de vóór Sophocles gangbare versies van het Oedipus-verhaal kwam Oedipus door bepaalde min of meer toevallige uiterlijke kentekenen en aanwijzingen achter de ware toedracht der feiten. Zo toont hij bijvoorbeeld na zijn huwelijk met Laïus' weduwe aan haar den gordel dien hij destijds aan Laïus had ontnomen. Dit is dan voor haar het bewijs dat zij is gehuwd met den moordenaar van haar eersten man. Elders weer wordt Oedipus aan zijn verminkte voeten als zoon van Laïus herkend. Sophocles' geniale vondst is het dat hij Oedipus zélf het onderzoek naar den moordenaar van Laïus laat instellen en hem door dit onderzoek zélf aan het licht laat brengen, welke wandaden hij heeft begaan. En juist daardoor wordt Oedipus tot een diep tragische persoonlijkheid. Energiek zet hij zich, zodra Creon met Apollo's antwoord uit Delphi is teruggekeerd, aan het onderzoek naar Laïus' moordenaar. Hij neemt terstond de nodige maatregelen, of liever: als men hem op een of anderen nuttigen maatregel attent maakt, blijkt hij dezen reeds getroffen te hebben. Hij hééft Creon reeds naar Delphi gezonden! Hij hééft Tiresias reeds ontboden. Hij handelt doelbewust en doortastend, dat wil zeggen: hij waant te handelen, maar in werkelijkheid wordt er met hem gehandeld. Hij is scherpzinnig, ongetwijfeld, maar hoe dichter hij de vreselijke oplossing van het raadsel nadert, hoe meer zijn scherpzinnigheid wordt tot een schier onbegrijpelijke kortzichtigheid. Door dit alles wordt de figuur van Oedipus verstrikt in een warnet van tragische ironie. Als hij Corinthe mijdt om zich aan de uitwerking van het orakel te onttrekken, gaat hij juist zijn ongeluk tegemoet. Als hij met het volle gezag van zijn koninklijke waardigheid Laïus' moordenaar vervloekt, vervloekt hij zichzelf. Als hij den Thebanen verzekert dat niemand van hen zo lijdt onder Thebe's rampspoed als hij, dat hij Laïus zal wreken „als was het mijn eigen vader", aan wien kan de tragische ironie van deze woorden dan ontgaan? Hij zoekt, of liever: hij waant te zoeken naar den moordenaar van Laïus, maar het resultaat van zijn onderzoek is dat hij ontdekt de moordenaar van zijn vader, de echtgenoot van zijn moeder en de vader van de bij haar verwekte kinderen te zijn.
   Zo menen wij de tragiek van Sophocles' Oedipus te moeten zien. En déze tragiek is het die de figuur van Oedipus, ondanks het verschil in tijd en omstandigheden, als het ware tot een der onzen maakt en onze deernis met Oedipus gepaard doet gaan aan een gevoel van bezorgdheid voor wat ook óns eens kan treffen. Ook wij zijn, evenals Oedipus, nooit zeker van ons geluk, hoe hecht wij het ook gegrondvest wanen, hoe vrij wij ons ook weten van elke schuld. Oedipus' val doet ons beseffen dat ook óns geluk broos en vergankelijk is. En dit is het ook wat de dichter ons voorhoudt met de woorden waarmee hij het koor het treurspel laat besluiten.