DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

ELECTRA

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



ELECTRA

   In deze tragedie behandelt Sophocles dezelfde stof als Aeschylus in zijn „De Offerplengsters": Orestes wreekt zijn vader Agamemnon door zijn moeder Clytaemnestra en haar minnaar Aegisthus te doden. Het stuk speelt, evenals „De Offerplengsters", voor het paleis van Agamemnon te Mycenae in Argos. Het koor wordt gevormd door aanzienlijke Myceense vrouwen, jeugdvriendinnen van Electra. De personen zijn: Electra (protagonist), Orestes, Clytaemnestra (antagonist), de opvoeder van Orestes, Chrysothemis (zuster van Electra en Orestes), Aegisthus (tritagonist). Verder Pylades, de vriend van Orestes, die hem gedurende heel het stuk, zonder ook maar één woord te spreken, trouw volgt en begeleidt, een dienstmaagd van Clytaemnestra en dienaren van Orestes (eveneens zwijgende rollen, figuranten).
   Het is nog vroeg in den morgen, maar reeds begint het prille licht van den naderenden dageraad het nachtelijk duister te verdrijven. Orestes, een jongeman van ongeveer twintig jaar, betreedt het toneel, geleid door zijn opvoeder, die hem indertijd, na den moord op Agamemnon, dank zij het doortastend optreden van Electra, bij Strophius, koning van Phocis, in veiligheid had kunnen brengen, en gevolgd door zijn vriend Pylades. Eerbiedig wijst de oude man zijn jongen beschermeling, die na lange jaren eindelijk het land zijner vaderen terugziet, op Argos' heiligdommen, die zich overal in het rond aan hun blikken vertonen. Daarna dringt hij er bij hem op aan snel zijn plannen bekend te maken: weldra zal de dag zijn aangebroken; de tijd van handelen is daar! Nadat Orestes allereerst zijn opvoeder zijn innigen dank heeft betuigd voor alles wat hij tot nu toe voor hem heeft gedaan, doet hij hem mededeling van een hem door Apollo te Delphi gegeven orakelspreuk, waarin deze hem beval, alléén en zonder de hulp van een gewapende macht, door middel van een list, zijn gerechte wraak uit te oefenen. Daarna ontvouwt hij het volgende plan: eerst moet de oude opvoeder, dien men na zoveel jaren stellig niet meer zal herkennen, voorgevend dat hij gestuurd wordt door Phanoteus, den in Phocis woonachtigen trouwen bondgenoot van Clytaemnestra en Aegisthus, aan hen onder ede gaan vertellen dat Orestes is omgekomen ten gevolge van een noodlottig ongeluk tijdens de paardenrennen bij de Pythische spelen; daarna zullen Orestes en Pylades zich, na eerst Agamemnon's graf met een plengoffer en een haarlok te hebben geëerd, met een urn naar het paleis begeven en zeggen, dat zij de as van den gestorven Orestes komen brengen. Als zij zich vervolgens snel van het toneel willen verwijderen, dringt vanuit het paleis het geluid van een klagende vrouwenstem tot hen door:

El. Wee mij arme, wee!
Opv. Stil! 't Leek mij dat ik aan den binnenkant der deur
Een der slavinnen zachtkens hoorde stenen, kind.
Or. Is het misschien armzaalge Electra? Als wij hier,
Wat denkt gij, bleven luistren naar haar jammerklacht?
Opv. Onmooglijk ! Laat ons trachten niets vooraf te doen
Aan Loxias' opdracht, doch haar stellen tot begin
Met de offers aan uw vader; want die dragen ons
Bij de onderneming, zeg ik, zege en overhand.


Vertaling P.C. Boutens, Elektra, Drama van Sofokles, in Nederlandschee verzen overgebracht. Amsterdam, Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, 1920.

Nauwelijks hebben zij het toneel verlaten, of Electra treedt uit het paleis naar buiten. In een smartelijke monodie beklaagt zij zich over haar ellendig leven, dat sinds Agamemnon's dood geen ogenblik vrij is geweest van rouw over haar zo smadelijk afgeslachten vader; vernederd en verguisd wordt zij door haar eigen moeder en haar lafhartigen minnaar, Aegisthus; miskend en verlaten wordt zij door allen die haar eens dierbaar waren; zij alleen waagt het nog de herinnering aan Agamemnon onverzwakt in ere te houden en nooit zal zij zich, door welk geweld ook, hiervan af laten schrikken. Maar toch, soms dreigt de last van leed haar wel eens te zwaar te worden en haar krachten te boven te gaan:

O huis van Hades en Persefone,
O ondergrondsche Hermes en ontzagbre Vloek
En godendochtren heilge Erinyen,
Die let op hen die door een snooden moord
Verdrongen werden uit hun bed,
Komt, staat ons bij en wreekt den dood
Van onzen vader,
En zendt mij toe mijn broeder;
Want ik alleen houd niet meer stand
Den last van leed in evenwicht te tillen.


Vertaling Boutens.

   Op dit ogenblik betreedt het koor van Myceense vrouwen de orchestra. Zij hebben nog juist Electra's laatste woorden opgevangen en sporen haar nu in welmenende en goedbedoelde bewoordingen aan, zich voortaan in haar smart en rouw om haar vader, al is hij dan inderdaad op smadelijke wijze door zijn eigen vrouw, háár moeder, gedood, zoveel mogelijk te matigen. Zij richt zichzelve daarmee immers slechts te gronde en met al haar weeklachten en rouwmisbaar zal zij haar betreurden vader toch niet meer ten leven kunnen wekken. Zij moest liever, vertrouwend op de hulp en bescherming der goden, geduldig wachten op Orestes' terugkeer en zich middelerwijl minder onhandelbaar tonen tegenover Clytaemnestra en Aegisthus. Met haar onbuigzame weerbarstigheid maakte zij haar toch reeds zo ongelukkig leven onnodig nog zoveel zwaarder. Maar neen, Electra wil van haar goede raadgevingen niets weten. Vriendelijk zijn tegenover degenen die haar zoveel leed hebben aangedaan en tot zo'n leven van smaad en vernedering hebben veroordeeld? Ze zou het niet kunnen! Zich in haar smart en rouw om haar vader matigen? Dat zou het grootste verraad en de ergerlijkste ondankbaarheid zijn die zij hem zou kunnen aandoen! Geduldig wachten op Orestes' terugkeer? Ach, reeds zo dikwijls heeft hij beloofd te komen, maar steeds opnieuw heeft hij haar in haar verwachtingen teleurgesteld . . .
   De vrouwen van het koor verzekeren Electra, dat zij met haar misschien ietwat te verstandelijke raadgevingen in de eerste plaats Electra's eigen welzijn op het oog hebben. Ach ja, antwoordt Electra, ik begrijp dat mijn houding u wel eens al te heftig, al te onbeheerst moet toeschijnen. Maar welke vrouw, die zichzelve respecteert, zou het kunnen verdragen de moordenaars van haar vader te zien leven in geluk en voorspoed, ja in het aan hém ontroofde huis met hen samen te leven, overgeleverd aan hun hooghartigheid en wreedheid? Wat denkt gij wel dat er in mij omgaat, als ik Aegisthus in vaders zetel zie zitten, hem plengoffers zie brengen op de plaats waar hij vader neersloeg, hem de slaapkamer zie delen met mijn moeder? Mijn moeder! Mag ik haar nog „moeder" noemen? Iedere maand, op den dag waarop zij vader het leven ontnam, brengt zij dankoffers aan de goden en stelt zij feestelijke reidansen in! En mij, die mijn rouw en smart om vader niet verhelen wil, niet verhelen kán, mij haat ze, tegen mij raast en tiert ze:

O godgehaat verfoeisel, is voor u alleen
Uw vader dood? Geen ander stervling is in rouw?
Kom om ellendig, mogen de onderaardsche goôn
U nooit verlossen uit dit jammeren van nu!"
Zoo scheldt zij, maar nog erger, als men tegen haar
Rept van Orestes' komen; dan in razernij
Staat zij voor mij te schreeuwen: „Is dit niet úw schuld?
Is dit niet úw werk, die mij uit mijn handen stal
Orestes en hem ergens sluiks hebt uitbesteed?
Maar weet wel, boeten zult gij 't met 't verdiende loon!"
Zoo huilt zij. Naast haar, tegen haar gedrongen, doet
Haar roemruchte echtvriend met haar mede en zet haar aan,
Die zuivre lafling, die volslagen schadepost,
Die met behulp van vrouwen zijn veldslagen voert.
En ik wacht aldoor op Orestes, dat hij komt
En hieraan eind maakt, en ga zoo te gronde in leed.
Door nooit iets doen dan dralen heeft hij al mijn hoop
Vernietigd, alle aanwezige en toekomende.
In zulk een toestand, lieven, is geen mooglijkheid
Tot kalmte of tot berusting. Die bij boozen is,
Moet alnoodzaaklijk aan hun boosheid mededoen.
Ko. Zeg me, is Aegisthus ergens in de buurt? Of ging
Van huis hij, dat ge ons deze dingen zeggen durft?
El. Zeker. Geloof niet dat 'k naar buiten komen zou,
Wanneer hij thuis was. Hij is voor vandaag op 't land.
Ko. Dan kan ook ik met grootere vrijmoedigheid
Mij tot u richten om bescheid, als dat zoo is.
El. Hij is voorshands afwezig. Vraag wat gij begeert.
Ko. Welnu, ik vraag u. Hebt gij van uw broeder nieuws?
Talmt hij ? Staat hij op komen? Zeg mij wat gij weet.
El. Hij zegt zoo . . . . zegt zoo, en doet niets van wat hij zegt.
Ko. Ja, graag draalt elk man die een groot werk onderneemt.
El. En toch, niet door mijn dralen heb ik hem gered!
Ko. Houd moed : zijn aard is edel: hij beschaamt u niet.
El. 'k Vertrouw! 'k Had anders niet zo lang geleefd als nu!


Vertaling Boutens.

   Op dit ogenblik wordt de dialoog tussen Electra en het koor onderbroken doordat Chrysothemis, de zuster van Electra en Orestes, uit het paleis naar buiten treedt. Zij vormt met Electra in heel haar houding en levensopvatting wel een fel contrast! Zeker, ook zij ergert zich aan het gedrag van Clytaemnestra en Aegisthus en, had zij daartoe de mogelijkheid, zij zou het stellig niet verheimelijken! Wat kan zij in de gegeven omstandigheden echter anders doen dan zich bij de overmacht neerleggen? Als zij echter ook Electra tot het aannemen van een dergelijke houding wil overhalen, overlaadt deze haar met bittere verwijten, omdat zij zich zo weinig een dochter van haar groten vader toont. Nog probeert Chrysothemis Electra schrik aan te jagen door haar te vertellen, dat zij gehoord heeft, dat Clytaemnestra en Aegisthus, die zich van haar willen ontdoen, besloten hebben haar ergens ver weg in een ondergrondsen kerker te doen opsluiten, maar als Electra zelfs daardoor niet in het minst geïntimideerd blijkt, geeft zij haar pogingen op en maakt zij aanstalten het toneel te verlaten om de haar opgedragen taak ten uitvoer te brengen. Als Electra haar dan nieuwsgierig vraagt, welke die taak is, antwoordt zij, dat Clytaemnestra, door een vreemden droom verontrust — Agamemnon was op de aarde weergekeerd, had zijn scepter bij den haard in den grond geplant en daaruit was welig loof ontsproten, dat heel Mycenae overschaduwde — haar had bevolen een plengoffer op Agamemnon's graf te brengen. Het vernemen van dezen droom ontsteekt in Electra's hart een nieuwen glimp van hoop en dringend smeekt zij haar zuster het haar door Clytaemnestra meegegeven plengoffer niet op Agamemnon's graf, maar veeleer ergens lukraak uit te storten en vaders graf liever te eren met haar beider haarlokken en haar, Electra's, gordel:

En kniel aan 't graf en smeek hem dat hij ons herrijz',
Genadig helper tegen zijne hateren.
En dat zijn zoon Orestes leve om, zegerijk
Van hand, den voet te zetten op zijn vijanden.
Ik meen, ik meen het zeker dat ook vader zorgt
Om haar het schrikbeeld toe te zenden van dees droom;
Maar toch bewijs, o zuster, dezen dienst aan u
En help mij en den meest beminden sterveling,
Onzen gemeenen vader die bij Hades rust.


Vertaling Boutens.

   Na een korte aarzeling stemt Chrysothemis toe. Zij verlaat het toneel en terwijl Electra, in diep gepeins verzonken, op het toneel blijft toeven, zingt het koor, door het bericht van Clytaemnestra's onheilspellenden droom met nieuwe hoop vervuld, van de gerechte vergelding, die nu misschien wel binnenkort Agamemnon's moordenaars zal treffen. Plotseling echter komt Clytaemnestra uit het paleis naar buiten getreden. Nauwelijks heeft zij Electra ontwaard, of zij giet een stortvloed van krenkende en vernederende woorden over haar uit en smaalt haar om haar gehechtheid aan haar vader, den moordenaar van zijn eigen dochter en háár zuster, Iphigenia! Had zij niet het volste recht gehad hem daarvoor te straffen en te doden? Maar Electra blijft haar het antwoord geenszins schuldig: neen, zij had hoegenaamd geen recht gehad haar echtgenoot, Agamemnon, te doden wegens het offer van Iphigenia, dat immers door de godin Artemis was geëist! Trouwens, dat was slechts een voorwendsel van haar geweest; de waarheid was, dat Agamemnon uit den weg moest worden geruimd, opdat zij vrij spel zou hebben met haar minnaar, Aegisthus! Steeds driftiger en verbitterder wordt de woordenstrijd tussen moeder en dochter, maar tenslotte beveelt Clytaemnestra Electra te zwijgen: zij is immers niet naar buiten gekomen om met haar te redetwisten, maar om Apollo te smeken haar te bevrijden van de vrees die haar verontrust:

Wil nu aanhooren, Phoebus, die de deurpost hoedt,
Dit mijn verstolen fluistren; want ik spreek mijn woord
Niet onder vrienden, noch ontvouwen aan het licht
Mag 'k alles, zoolang deze in de nabijheid is,
Dat zij niet met haar haatlijk veelgetongd geschreeuw
Zinlooze praatjes uitzaai' in de gansche stad.
Doch hoor mij zóó aan; want ook ik zeg 't u wel zóó.
De spookgezichten die 'k aanschouwde in dezen nacht
Van dubbelzinnige droomen, god Lycaeus, maak
Vervullingdragend, als zij gunstig zijn, voor mij;
Doch zoo vijandig, keer hen op mijn vijanden.
En wanneer enklen overwegen mij met list
Uit dees mijn rijkdom uit te werpen, laat 't niet toe,
Maar gun mij zoo steeds voort te leven onverlet
En Atreus' huis te stieren en dees koningsstaf,
Saam met de welbeminden waar ik nu meê leef,
In daaglijksch welzijn, en mijn kinderen die mij
Geen boosgezindheid aandoen en geen bittren last.
Dees woorden, god Apollo, hoor genadig aan
En zooals wij u smeeken, zóó ons allen doe.
En al het andere, of ook ik erover zwijg,
Geloof ik dat gij, die een god zijt, weten moet;
Want reedlijk is het dat Zeus' kindren alles zien.


Vertaling Boutens.

Nauwelijks heeft zij haar gebed beëindigd, of Orestes' opvoeder verschijnt ten tonele en doet zijn verhaal, dat, ook al weet de toeschouwer dat het verzonnen is, hem toch onwillekeurig met sympathie en bewondering voor den jongen Orestes vervult.

Opv. 'k Zou gaarne weten, vrouwen, of dit hier
't paleis is van Aegisthus, uwen vorst.
Ko. Ja; uw vermoeden, vreemdeling, is juist.
Opv. Is deze vrouw, zoo koninklijk van leest,
zijn gade? Treft deez' gissing ook het doel?
Ko. Volkomen. Ze staat voor u, de vorstin.
Opv. Ik groet u, eedle vrouw ! Gelukkig nieuws
breng ik u beiden van een goeden vriend.
Cly. Ik neem dat woord als gunstig teeken aan.
Maar zeg, wie is het die u tot ons zendt?
Opv. Phanoteus uit Phocis, met gewichtig nieuws!
Cly. Wat is dat, vreemdeling? Want van een vriend
brengt gij ons zeker niets onaangenaams!
Opv. Beknopt gezegd: Orestes is niet meer.
El. Wee mij! wee mij! Die tijding is mijn dood!
Cly. Wat zegt, wat zegt gij? Luister niet naar haar!
Opv. Orestes, ik herhaal het, leeft niet meer.
El. Ach, ik besterf het! 't Is gedaan met mij!
Cly. Bemoei u met uw zaken! Gij, verhaal
mij, vreemdeling, naar waarheid, hoe hij stierf.
Opv. Daartoe werd ik gezonden. Hoor mij dan:
Naar Delphi opgegaan tot 't heerlijk feest,
om aan den wedstrijd deel te nemen, komt
Orestes, als hij den heraut met luider stem
hoort roepen: „Wie neemt aan den wedren deel?"
— 't was 't eerste kampspel — in de baan, alwaar
zijn rappe leest elks oogen tot zich trekt.
Met bliksemsnelheid legt hij d'afstand van
de meet tot d'eindpaal af en wint den prijs.
Om veel te zeggen met een enkel woord,
nooit kampte of overwon een mensch als hij!
Want alle prijzen, die de rechters maar
voor loop en dubbelloop door den heraut
verkondden, droeg hij weg, door elk benijd.
„De man uit Argos, Agamemnon's zoon,
des grooten veldheers, die voor Troje streed,
Orestes, heeft gewonnen!" klonk het steeds.
Zoo ging het eerst, maar, ach, de sterkste man
ontkomt niet, als een god zijn onheil wil!
Want 's andren daags bij 't opgaan van de zon
verscheen hij, daar er wagenrenspel was,
met vele wagenmenners in de baan,
één van Achaea, één uit Sparta, twee
uit Libye gekomen met hun span;
hij was met paarden van Thessalisch ras
de vijfde; dan kwam een Aetoliër
met vossen, een Magnesiër, daarop
een Aenianer met een schimmelspan;
den negende zond Pallas' heil'ge stad
en een Boeotiër maakte 't tiental vol.
Ziet, van de plaatsen, door de rechters hun
bij loting toegewezen, vliegen alle tien
met hunne karren bij trompetgeschal
voorwaarts, de teugels schuddend en daarbij
hun paarden hitsend! Gansch de hippodroom
was vol van 't kargeratel en van stof
dat opwaarts vloog! Eerst allen dicht op één
gedrongen zijnde, spaarde geen de zweep,
om 's voormans brieschend span en kar voorbij
te snellen, rug en wielen met het schuim
van eigen snuivend ros bespattend. Hij
dreef steeds zijn strijdkar raaklings om den paal
zoo zwenkend, dat hij aan het rechter paard
den teugel vierde en 't linker inhield. Eerst
ging alles wel, maar eensklaps gaat het span
des Aenianers op den hol en bij een rit
— de zesde was het of de zevende —
slaan plots hun koppen, als zij om den paal
rondzwenkten, tegen die van Barce's span.
Dan tuimelt ros op ros en kar op kar
en Crisa's gansche renbaan werd als 't waar
met wrakken van dien wagenbreuk gevuld.
De Athener, die het zag, verstond zijn werk:
vér haalt hij uit, bedwingt zijn kar en laat
den storrem, die in 't midden druist, voorbij.
Zoodra Orestes, die zijn paarden eerst,
op 't eind vertrouwend, achter de andren dreef,
bemerkt dat geene alleen nog over was,
zet hij, vervaarlijk klappend met de zweep,
zijn paarden aan en jaagt hem achterna.
Dra is hij hem op zij en beurtelings
zijn nu van 't één dan weer van 't andre span
de koppen voor. Recht opstaand in zijn kar,
die zelf niet kantelt, rijdt hij ongedeerd
dus menig rit, totdat hij eens zijn paard,
het linker, bij het zwenken al te vlug
vrij laat, zoodat de wagen, eer hij 't merkt,
den paal raakt en zijn as doormidden breekt.
Hij buitelt uit den wagenbak, verward
in 't leidsel, en de paarden, als hij valt,
gaan door en hollen met hem door de baan.
Een luid gejammer om het droevig lot
des jonglings, die zoo groote dingen deed,
verheft zich onder 't volk, als 't ziet hoe hij
gesleurd wordt langs den grond, nu 't hoofd omhoog,
dan weer de beenen, totdat eindelijk
der mannen vuist der paarden loop bedwingt
en hem verlost, maar zoo bemorst met bloed,
dat geen der zijnen hem meer had gekend!
Phocensers hebben, met die taak belast,
't rampzalig lichaam dan tot asch verbrand
en brengen u die in een bronzen urn,
om bij te zetten in zijn vaderland.
   Nu weet ge wat geschied is, smartelijk
om aan te hooren, erger om te zien.
Zoo gruwelijk een ramp zag nooit mijn oog!


Vertaling (in vijfvoetige jamben) dr H. van Herwerden, Drie treurspelen van Sophokles, in Nederlandsche dichtmaat overgebracht. Utrecht, Dannenfelser & Co. (G. Metzelaar), 1881.

Clytaemnestra, enerzijds verheugd over dit gezegend nieuws dat haar voortaan van alle vrees bevrijdt — het moet haar zijn alsof Apollo haar gebed terstond in vervulling heeft doen gaan — anderzijds toch ook weer enigszins ontdaan over het onverwachte bericht van den tragischen dood van haar reeds zovele jaren verbannen zoon, heeft zich niet terstond in haar macht en weet zich niet direct de juiste houding te geven. Orestes' opvoeder veinst teleurstelling over het niet bijster gunstig onthaal van zijn mededelingen en maakt aanstalten om zich van het toneel te verwijderen, maar Clytaemnestra, die inmiddels haar zelfbeheersing weer heeft herwonnen, legt hem kort de oorzaak van haar verwarring uit en noodt hem, met een nauwverholen glimlach van vreugde en triomf op de lippen, in het paleis voor een gastvrij onthaal. Weeklagend blijft Electra, in de diepste wanhoop verzonken, op het toneel achter en bejammert in een heftige kommos met het koor, dat haar tevergeefs poogt te troosten, Orestes' rampzaligen dood: nu is al haar hoop voorgoed gevloden ....
   Maar daar komt plotseling Chrysothemis het toneel opgesneld. Ze is vreselijk opgewonden, heeft al haar omzichtigheid laten varen en merkt niets van de verslagenheid en wanhoop, waaraan Electra en het koor ten prooi zijn.

Chr. Door vreugde voortgedreven (in mijn haast vergat
Al voegzaamheid ik) snel ik, liefste, naar u toe.
Want vreugden breng ik en verademing van nood
En leed waaronder gij tot nu toe hebt gesteend.
El. Vanwaar zoudt gij heul halen voor de pijnen mijn,
Waarvoor geen uitzicht op genezing overblijft?
Chr. Orestes is hier, weet dit zeker uit mijn mond,
Even klaarblijklijk als gij mijzelf voor u ziet.
El. Maar zijt gij dan krankzinnig, o armzaalge, dat
Gij met uw eigen rampen en de mijne lacht?
Chr. Bij vaders haardsteê, niet uit spotzucht zeg ik dit,
Maar ik betuig u dat hij hier aanwezig is.
El. Wee mij armzaalge! En van wat stervling hebt gij dan
Dit woord vernomen, waar gij zoozeer op vertrouwt?
Chr. Van niemand dan mijzelve. Als 'k in dit woord geloof,
Is 't omdat ik bewijzen onweêrlegbaar zag.
El. Wat waarborg, arme, zaagt gij ? Wat voor aanblik wel
Doet u zoo ongeneeslijk gloeien van zijn koorts?
Chr. Dan, bij de goden, luister. Hoor mij aan en maak
Uit voor de toekomst, of 'k verstandig ben of dwaas.
El. Spreek op dan, als u 't spreken eenge vreugde geeft.


Vertaling Boutens.

    Daarop vertelt Chrysothemis hoe zij, toen zij vaders grafheuvel bereikte, had bemerkt dat daar zoëven een plengoffer was gebracht en dat de tombe in het rond met een keur van bloemen was opgesmukt! Na zich te hebben vergewist dat niemand haar gadesloeg, was zij naderbij getreden en had toen op het graf een pas afgesneden haarlok zien liggen. Tranen van ontroering waren haar in de ogen gesprongen; want van wien kon dat alles anders afkomstig zijn dan van Orestes? Eindelijk was hij dan toch teruggekeerd! Deze dag zou het einde betekenen van alle ellende en het begin van een nieuw, groot geluk!
   Met een sober woord doet Electra Chrysothemis nu mededeling van Orestes' doodstijding; die offergaven op Agamemnon's graf zullen wel afkomstig zijn van iemand die daarmee den gestorven Orestes heeft willen herdenken .... De karakterzwakke Chrysothemis, zoëven nog „himmelhoch jauchzend", is nu plots weer „zum Tode betriibt" en volkomen ontmoedigd. Electra daarentegen, inmiddels enigszins bekomen van den eersten, verbijsterenden schrik en ontsteltenis, verheft zich allengs tot nieuwe kracht en poogt nu haar zuster, eerst omzichtig en voorzichtig, daarna met gebruikmaking van al haar overredingskracht, er toe over te halen om, daar de hoop op Orestes' terugkeer en wraak immers voor altijd verijdeld is, samen met haar Aegisthus te doden! Maar Chrysothemis put zich uit in het opsommen van de ontelbare moeilijkheden en gevaren, aan een dergelijke vermetele onderneming verbonden, en bidt en smeekt Electra daar in 's hemelsnaam van af te zien. Maar Electra blijft bij haar voornemen — zij zal de daad nu geheel alleen ten uitvoer brengen — en zo gaan de beide zusters, die elkaar één ogenblik zo dicht genaderd schenen, wederom in onmin uiteen. Chrysothemis gaat het paleis binnen, Electra blijft wederom op het toneel, terwijl het koor haar, van aller hulp en steun verstoken, bitter beklaagt, maar haar prijst om haar onwankelbare, alles opofferende vaderliefde: mogen de almachtige goden, moge Agamemnon's schim haar genadig zijn en haar eens de zege schenken over haar vijanden!
   Op dit ogenblik betreedt Orestes het toneel, begeleid door Pylades en gevolgd door twee dienaren die een bronzen urn dragen.

Or. Zijn we ingelicht, o vrouwen, als 't behoort
en voert deez' weg naar 't doel van onze reis?
Ko. Wat vraagt gij en wat wilt gij, vreemdeling?
Or. Ik vraag reeds lang, waar vorst Aegisthus woont.
Ko. Gij zijt terecht; men heeft u niet misleid.
Or. We worden hier verwacht; dat iemand dus
van u onze aankomst melde in gindsch paleis.
Ko. Laat zij het doen die bij de slotpoort staat!
Or. Ga binnen, vrouw, en zeg Aegisthus dat
Phocensers hier zijn, die hem willen zien.
El. O wee! toch niet die komen met 't bewijs
der tijding die ons pas ter oore kwam?
Or. 'k Weet niet wat nieuws ge meent; Orestes geldt
't bericht dat Strophius ons opdroeg, vrouw.
El. Wat is dat, vreemdeling? Want, ach, ik vrees!
Or. We brengen in een kleine urne hier
de weinige overblijfsels van zijn lijk.
El. O wee, mij arme! 't Is dan waar! Helaas!
ik zie den last daar voor me dien men draagt!
Or. Als ge inderdaad Orestes' lot betreurt,
zoo weet, deze urne hier bevat zijn asch.
El. O vreemdling, bij de goden, laat mij haar
in de armen sluiten, dat ik op die asch
mijn tranen plenge, weenend over mij
en over 't lot van mijn geheel geslacht.
Or. Komt, geeft ze haar; ze doet ons dit verzoek
niet als een vijandin; voorzeker is
ze een van zijn vrienden of een bloedverwant.
El. O eenig teeken dat er overbleef
van mijn Orestes, van mijn besten vriend!
Hoe anders hoopte ik eenmaal, toen ik u
naar 't vreemde land liet brengen, weer te zien!
Wat zijt ge thans? Een handvol ziellooze asch!
Wat waart ge toen? Een bloeiend, hoopvol kind!
O mocht ik maar gestorven zijn, voordat
ik u met deze handen aan den moord
ontkomen deed en zond naar 't vreemd gewest;
dan hadt ge, op d'eigen stond door hen gedood,
ten minste in 't graf uws vaders thans gerust!
Maar nu vondt ge als een balling ver van huis,
ver van uw zuster, jammerlijk uw eind!
Mij was het niet vergund met teedre hand
uw lijk te wasschen noch zijn droeve rest
te saamlen, die de vlam niet heeft verteerd;
dat deed een vreemde hand ! Daar zijt ge nu,
de nietige inhoud van zoo klein een urn!
Helaas, hoe nutloos was de teedre zorg
die ik weleer — wat was die moeite zoet ! —
zoo vaak aan uw verpleging heb besteed!
Zíj was uw moeder niet; míjn kind waart gij!
Ik zelve was uw voedster, geen slavin!
En nu gaat alles in een enklen dag
te loor door uwen dood, die als een storm
geen deernis kent, maar alles met zich sleept!
Mijn vader stierf! Ook gij! Leef ik nog wel?
De vijand spot en dol van blijdschap is
zij die den moedernaam te schande maakt!
Gij zoudt verschijnen — vaak hebt gij 't beloofd —
om hen te straffen, maar ons noodlot, ach,
dat mij in stede van de heldenleest
des dierbren vriends zijn nietige assche zendt,
heeft u 't vervullen van uw woord belet!
Mij arme!
Hartbrekend gezicht! wee, wee!
O treurige komst in Argos!
Mijn dierbre broeder, hoe rampzalig, ach,
hoe diep rampzalig hebt ge mij gemaakt!
O laat mijn asch bij de uwe rusten, niets
bij niets, opdat ik in 't vervolg met u
moog' wonen daarbeneden! Deelde ik niet
hierboven in uw lot? Zoo wil ik thans
ook, veelgeliefde, deelen in uw dood!
Alleen de dooden kennen geene smart!
Ko. Uw vader en uw broeder waren, kind,
van sterfelijk geslacht. Ween niet te zeer!
Or. Helaas, wat zal ik zeggen? Vruchteloos
bedwing ik mij! Neen, langer kan ik 't niet!
El. Wat deert u toch? Wat wilt ge met die taal?
Or. Zijt gij het koningskind Electra? Spreek!
El. Die ben ik, maar in jammerlijken staat!
Or. O grondelooze diepte van ellend'!
El. Die uitroep geldt toch mij niet, vreemdeling?
Or. O beeld van jammer! Zoo door god verzaakt!
El. Die snoode woorden passen slechts op mij!
Or. Zoo wreed verkwijnen, zonder echtgenoot!
El. Wat slaat ge mij zoo jamm'rend gade, man?
Or. Hoe weinig kende ik dan uw ongeluk!
El. Hoe weet ge dat ik ongelukkig ben?
Or. Wie zou daaraan nog twijnen, die u ziet?
El. Toch ziet ge nog maar weinig van mijn leed!
Or. Hoe kan men nog iets ergers zien dan dit?
El. Weet dan dat ik met moordenaren leef!
Or. Van wien? Wat meent ge met die woorden, vrouw?
El. Van mijnen vader! Ik ben hun slavin!
Or. Maar wie ter wereld dwingt u tot dat lot?
El. Een moeder, maar een moeder slechts in naam!
Or. Door slagen, of door honger en gebrek?
El. Door alles wat mishandling heeten mag!
Or. En is er niemand die u helpen kan?
El. Van hem die dat zou doen brengt gij mij de asch!
Or. Hoe diep beklaag ik u, o arme vrouw!
El. Dat doet geen sterveling behalve gij!
Or. Omdat geen ander smart voelt om uw leed.
El. Gij zijt toch wel geen bloedverwant van mij?
Or. Zijn dezen u welgezind? Dan zeg ik 't u.
El. Zoo wel, dat gij haar gansch vertrouwen kunt.
Or. Dan zult ge 't hooren. Geef die urne hier!
El. Bij god, ik bid u, vreemdling, laat mij die!
Or. Doe als ik zeg, want dat berouwt u nooit!
El. Ontneem mij, ach, dat dierbaar voorwerp niet!
Or. Dat moet ik!
                        El. Ach, Orestes, mag ik dan
zelfs niet uw asch begraven? Vreeselijk!
Or. Spreek niet zoo zondig! IJdel is uw klacht!
El. Hoe? ijdel? geldt die niet mijns broeders dood?
Or. Zoo tot uw broeder spreken voegt u niet!
El. Hoe? word ik door den doode zoo versmaad?
Or. Hij acht u hoog; toch moogt ge dat niet doen!
El. En dat, hoewel ik hier zijn assche draag?
Or. Zoo heet het, ja, maar 't is zijn assche niet!
El. Waar is het graf mijns armen broeders dan?
Or. 't Bestaat niet ! Men begraaft geen levenden!
El. Hoe zegt ge, vriend?
Or.                               De volle waarheid, vrouw!
El. Zijt gij die man?
Or.                         Beschouw deez' zegelring
mijns vaders, zusterlief, en oordeel dan!
El. O schoone stonde!
Or.                            Schoone stond voorwaar!
El. Gij, broeder, hier!
Or.                           Zelf bode van mijn komst!
El. Hier in mijn armen!
Or.                             Moog 't voor immer zijn!
El. O ziet, vriendinnen, hier uw stadgenoot,
Orestes, die gered is door de list
die allen in den waan bracht van zijn dood!
Ko. Wij zien hem en dit onverhoopt geluk
lokt vreugdetranen uit onze oogen, kind!


Vertaling van Herwerden.

   Na deze meesterlijk door Sophocles gecomponeerde herkenningsscène jubelt Electra in een hartstochtelijke kommos met Orestes haar vreugde over zijn terugkomst uit. Steeds opnieuw maant Orestes, bevreesd dat men anders in het paleis zijn aanwezigheid voortijdig zal opmerken en tegenmaatregelen zal kunnen treffen, haar tot matiging en zelfbeheersing aan. Maar zij kán zich niet inhouden, zij móét uiting geven aan haar onmetelijk geluk! Eindelijk echter weet hij haar er toe te brengen hem de voor het welslagen van zijn plan onontbeerlijke inlichtingen te verstrekken. Vóór alles drukt hij haar op het hart er voor te zorgen, dat zij zichzelve en Orestes niet door haar van blijdschap stralend gelaat aan Clytaemnestra verraadt; zij moet nog even de wanhopig bedroefde spelen; later zal zij zich naar hartelust aan haar vreugde te goed kunnen doen! Electra stelt hem gerust — zij zal, zegt zij, haar rol wel weten te spelen — en deelt hem dan mede, dat Clytaemnestra zich in het paleis bevindt, maar dat Aegisthus juist vandaag toevallig afwezig is. Op dit ogenblik treedt onverwacht Orestes' opvoeder uit het paleis naar buiten; hij verwijt Orestes en Electra hun gevaarlijke uitbundigheid en onverantwoordelijk talmen: als hij niet reeds geruimen tijd achter de paleispoort op wacht had gestaan, zou hun toeleg misschien reeds lang mislukt zijn! Het ogenblik is gunstig, alle omstandigheden werken mede: er moet terstond tot de daad worden overgegaan! Verbaasd vraagt Electra aan Orestes, wie die grijsaard toch eigenlijk is, maar als zij dan verneemt dat dit de man is aan wien zij het leven en de toekomst van den jongen Orestes eens heeft toevertrouwd, dankt zij hem innig voor zijn trouw en toewijding:

O licht meest dierbaar, o van Agamemnons huis
De eenige redder! Zie 'k u hier? Zijt gij die man
Die hebt uit vele nooden hem en mij gered?
O meest beminde handen! o wiens voeten mij
Den zoetsten dienst bewezen, waart gij zoo lang hier
En liet me onwetend en bracht met uw woorden me om,
Terwijl gij mij de heuchelijkste daden deedt?
Welkom, o vader ! want het is me of 'k vader zag.
Welkom — weet dat ik meest van alle menschen u
Gehaat heb en weêr liefkreeg op denzelfden dag!

Vertaling Boutens.

   Met een kort, zij het vriendelijk woord legt de oude man haar verder het zwijgen op en dan treden allen, na een vurig gebed tot Apollo om hulp en bijstand, het paleis binnen. Het koor blijft in de hoogste spanning achter en zingt in een kort, nerveus lied van de straf der wrake, die zich nu onafwendbaar op de moordenares gaat storten. Na enige ogenblikken komt Electra weer uit het paleis naar buiten gesneld; de mannen, zo roept zij zenuwachtig en gejaagd uit, staan op het punt de daad te voltrekken; zij is naar buiten geijld om te voorkomen dat Aegisthus hen misschien verrast — en weldra klinken Clytaemnestra's doodskreten naar buiten door ....
   Spoedig daarop treden Orestes en Pylades uit het paleis naar buiten, maar nauwelijks hebben zij zich vertoond, of de koorleidster roept uit, dat zij in de verte Aegisthus ziet naderen! Orestes en Pylades trekken zich ijlings terug en als Aegisthus, alleen en ongewapend, want zich van geen gevaar bewust, het toneel betreedt en met wreed cynisme juist aan Electra vraagt, waar hij die vreemdelingen uit Phocis kan vinden, die het bericht van Orestes' dood hebben gebracht, verwijst zij hem gedwee en onderdanig naar binnen. Als zij dan op zijn bevel de paleispoort wijd openzet — „opdat eenieder," aldus Aegisthus, „die tot nu toe nog op Orestes' terugkeer en wraak heeft gehoopt, zich voortaan aan mijn heerschappij lere onderwerpen!" — en het inwendige van het paleis zichtbaar wordt, ontwaart hij twee hem onbekende jongelingen en naast hen een draagbaar, waarop een met een kleed bedekt lijk....

Aeg. O Zeus, een vorm zie 'k, niet geveld dan met den nijd
Der goden.. . . Zeg 'k iets zondigs, 't gelde als niet gezegd.
Laat alle omhulsel van zijn oogen neêr, opdat
Van mij ook het verwant bloed zijn doodsklage erlang'.
Or. Beur gij het zelf op. Niet mijn plicht is 't, maar van u,
Te zien dat en 't te groeten met bevriend vaarwel.
Aeg. Gij maant terecht mij, naar uw woord zal 'k doen;
                         (tot Electra) doch gij,
Zoek Clytaemnestra op in huis en roep haar hier.
Or. Die is vlak bij u. Zie niet elders naar haar uit.
Aeg. Wee, wat zie 'k?
Or.                            Voor wie vreest ge? Wie herkent ge niet?
Aeg. Midden in 't net van wat voor mannen ben 'k gestort?
O ik rampzaalge?
Or.                     Merkt gij niet dat gij allang
Met levenden gesprek voert of het dooden zijn?
Aeg. Aai mij, dat woord verstond ik. Want daar is geen kans
Dat deze die mij toespreekt niet Orestes is.
Or. Als zoo goed ziener kwaamt ellendig gij ten val?
Aeg. Verloren ben 'k, armzaalge. Doch vergun me een kort
Woord nog te spreken.


Vertaling Boutens.

   Maar ijlings snijdt Electra hem het woord af. Zij smeekt Orestes zijn terechtstelling geen ogenblik uit te stellen en dan drijft deze hem het paleis binnen om hem te doden, daar waar hij eens zijn vader heeft omgebracht. Met hen gaan ook de anderen het paleis binnen en het koor verlaat de orchestra, terwijl het zingt:

O Atreus' zaad, na hoeveel leed
Zijt gij eindlijk door uw vrijheidsdrang
Daaruit verlost en nu bij dees
Aanslag voorgoed bevestigd!


Vertaling Boutens.

*
 
   Sophocles' „Electra" handelt over dezelfde stof als Aeschylus' „De Offer-plengsters" en volgt in grote trekken hetzelfde plan. Toch zijn er tussen beide tragedies enige markante verschillen te constateren. Anders dan bij Aeschylus speelt het koor in Sophocles' stuk een geheel ondergeschikte rol. Parodos en tweede stasimon zijn vervangen door kommoi, wisselzangen met acteurs, i.c. Electra. Dat wil zeggen: ook de lyriek wordt hoe langer hoe meer overgedragen van koor op acteurs. Verder bevat onze tragedie enige dramatisch zeer werkzame driehoeksscènes en -dialogen zoals Aeschylus ze nog niet kende (opvoeder, Clytaemnestra en Electra in tweede epeisodion, Orestes, Electra en opvoeder in vierde epeisodion, Aegisthus, Electra en Orestes in exodos). Aeschylus' „De Offerplengsters" mag er weliswaar aanspraak op maken het eerste „intrigue-stuk" te zijn, maar de daarin voorkomende herkenningsscène maakt toch wel een zeer primitieven indruk in vergelijking met die van de „Electra", die zo geraffineerd is bedacht en geschreven, dat het stuk daardoor tot een schier ondraaglijke spanning wordt opgevoerd. Hetzelfde geldt voor de respectievelijke misleidingsscènes. In „De Offerplengsters" blijft Clytaemnestra na de tijding van Orestes' dood terecht nog enigszins wantrouwend. In de „Electra" verneemt Clytaemnestra de tijding van Orestes' dood eerst van diens opvoeder, die daarvoor gestuurd zegt te zijn door Phanoteus, terwijl de betrouwbaarheid daarvan onmiddellijk daarop wordt bevestigd door de komst van de twee mannen die, zogenaamd op last van koning Strophius, Orestes' as brengen. Geen wonder dat er in de „Electra" van enigen argwaan van den kant van Clytaemnestra geen sprake is. Typisch sophocleïsch is tenslotte de peripetie van radeloze wanhoop tot jubelende vreugde, als Electra op het ogenblik dat zij meent de as van haar verongelukten broeder in haar armen te klemmen hoort dat hij in levenden lijve voor haar staat!
   Belangrijker is echter het volgende. Terwijl in „De Offerplengsters" Orestes, door Apollo belast met de taak zijn moeder te doden, de hoofdpersoon is en zich zelfs van simpelen voltrekker van Apollo's bevel ontwikkelt tot een min of meer zelfstandig optredend wreker van zijn vader, is in de „Electra", hoewel ook hier de bestraffing van Clytaemnestra en Aegisthus het besluit van het stuk vormt, niet Orestes, die toch het doodvonnis voltrekt, de hoofdpersoon, maar — de titel van het stuk duidt hier trouwens reeds op — Electra, die bij Aeschylus juist op den achtergrond wordt gehouden. Dit vereist een nadere beschouwing en verklaring. Aeschylus' „De Offerplengsters" is het middenstuk van een trilogie, waarin het voortwoeden van erfvloek en erfschuld in de opeenvolgende generaties van een geslacht het hoofdthema vormt. Op „De Offerplengsters" volgt „De Eumeniden", waarin, dank zij de beslissende stem van de godin Athene, de moedermoordenaar van zijn bloedschuld wordt gezuiverd. Om deze beide redenen móést Orestes in „De Offerplengsters" wel de hoofdrol vervullen. Heel anders ligt de zaak bij Sophocles. Zijn „Electra" staat in de trilogie, waarvan zij deel uitmaakte, geheel op zichzelf. Bij hem is Orestes' moedermoord geen nieuwe schakel in een keten van door de wet der bloedwraak gevorderde daden van vergelding, die terstond weer om nieuwe wraak roept, neen, „Sophocles keert tot de Homerische voorstelling terug, waarbij Orestes' daad een actie van piëteit is, die generlei verdere straf na zich sleept". (P. Groeneboom, Sophocles' Electra. Groningen-Batavia 1935, pag. 7) In den proloog doet Orestes kort en bondig mededeling van de hem door Apollo gegeven orakelspreuk, waarin hem wordt gelast zijn vader te wreken door zijn moeder te doden. Dit is voor onzen dichter voldoende om Orestes' daad te motiveren en te rechtvaardigen. En ook op de morele en juridische consequenties van de bloedschuld die Orestes daardoor op zich laadt gaat hij niet nader in. Deze volkomen van die van Aeschylus verschillende instelling van Sophocles heeft op zijn dramaturgie van de „Electra" haar onmiskenbaar stempel gedrukt. Orestes, hoofdpersoon in „De Offerplengsters", wordt bij Sophocles naar den achtergrond teruggedrongen. Zijn zelfstandigheid wordt bovendien gedrukt door den naast hem geplaatsten opvoeder, die hem nu en dan zelfs het initiatief uit handen neemt. Van enigen zielestrijd of wroeging van Orestes is geen sprake. Hij verricht eenvoudig wat hem van godswege is opgedragen. De passage waarin hij Clytaemnestra en Aegisthus doodt beslaat nauwelijks honderd verzen (exodos). Een grote rol speelt hij eigenlijk alleen in de herkenningsscène, maar ook daar weer uiteindelijk slechts om aan de figuur van Electra meer reliëf te geven. Electra immers is het op wie heel de aandacht van den dichter zich concentreert. Haar verwachtingen, haar teleurstellingen, haar verbittering en ontgoocheling, haar smart en vreugde, haar onwrikbare trouw en onblusbaar idealisme zijn het die hij ons voor ogen voert en van alle kanten belicht. Om de kracht van haar karakter sterker te doen uitkomen, stelt hij naast haar de onderdanige en timide Chrysothemis. Om haar onverzoenlijke houding begrijpelijk en aanvaardbaar te maken, stelt hij tegenover haar een moeder wier slechtheid en wreedheid in de schrilste kleuren worden afgeschilderd, aan wier schuld niet de minste twijfel wordt overgelaten. Alleen daarvoor last Sophocles, in afwijking van Aeschylus, een scène in, waarin Clytaemnestra met Electra wordt geconfronteerd. En om tenslotte aan haar handelwijze dieperen zin en hogere wijding te geven schildert de dichter haar onverbrekelijke trouw aan haar smadelijk vermoorden vader, die daarvoor in hoge mate wordt geïdealiseerd. Van de vage bij Aeschylus doorschemerende idee, dat ook Agamemnon niet geheel vrijuit ging, bij Sophocles geen spoor. Zo is heel het stuk, ook de karaktertekening van de bijfiguren, op Electra afgestemd. Zij handelt ook geheel uit eigen initiatief en niet, zoals Orestes, op last van Apollo of een andere godheid. Ja, als zij de zekerheid meent te hebben dat Orestes nooit meer zal kunnen komen om zijn vader te wreken, groeit bij haar het besluit om dan zelve deze daad van piëteit te verrichten. Juist daarvoor heeft Sophocles de herkenningsscène zoveel mogelijk naar achteren geschoven en zo lang mogelijk gerekt. Daarna is de terechtstelling van Clytaemnestra en Aegisthus niets meer dan een formaliteit.
   Zo is ook deze tragedie een karaktertragedie, een drama, dat zich vóór alles afspeelt in de ziel van Electra. Na Ajax, den onversaagden held, die onvervaard zijn leven offert om zijn krijgsmanseer te redden, nu in Electra het meisje dat, trouw aan de nagedachtenis van haar vader, voor zijn eerherstel haar jonge leven veil heeft. Evenmin als Orestes wordt Electra, vóór noch na de daad, door gewetensbezwaren of wroeging gekweld. Daarom kan deze tragedie dan ook, anders dan bij Aeschylus, eindigen in een sfeer van verlossing en bevrijding en van veilig vertrouwen in de toekomst.