DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

AJAX

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



   Ook van de honderddrieëntwintig toneelstukken die Sophocles zou hebben geschreven — van honderdveertien kent men den titel — zijn, afgezien van vele fragmenten, slechts zeven tragedies bewaard gebleven en een groot gedeelte van een satyrspel. Wij zullen deze tragedies niet, zoals wij bij Aeschylus hebben gedaan, in strikt chronologische volgorde behandelen. Vooreerst immers is van verschillende het jaar van opvoering niet met zekerheid bekend. Verder loopt de min of meer waarschijnlijke chronologische volgorde, die men zou kunnen opstellen, niet zo nauwkeurig parallel met Sophocles' dramatische ontwikkeling als dit bij Aeschylus het geval was. En tenslotte komt de chronologische volgorde van enkele dezer tragedies, die naar den inhoud bijeenhoren, niet overeen met de historische volgorde van de mythologische gebeurtenissen, die in deze tragedies ten tonele worden gevoerd.
    Wij beginnen met de „Ajax", waarvan men vrij algemeen aanneemt dat zij de oudste van deze zeven tragedies is; zij is waarschijnlijk een paar jaar ouder dan de „Antigone", die van 442 dateert. Op de „Ajax" zou de „Antigone" moeten volgen, maar omdat deze tragedie naar den inhoud aansluit op de „Koning Oedipus" en de „Oedipus te Colonus", zullen wij haar, ten gerieve van den lezer, na deze beide tragedies behandelen. In plaats van de „Antigone" zullen wij dan op de „Ajax" de „Electra" laten volgen, die hetzelfde onderwerp behandelt als „De Offerplengsters" van Aeschylus. Het jaar van opvoering is niet met zekerheid bekend, maar schijnt te liggen tussen 420 en 414. Zeer omstreden is „De Vrouwen van Trachis". Volgens sommigen zou deze tragedie een jeugdwerk van Sophocles zijn, volgens anderen een stuk uit zijn laatste levensjaren. De meest gezaghebbende beoordelaars plaatsen het echter tussen 420 en 410. Wij laten het daarom volgen op de „Electra" en voorafgaan aan de „Philoctetes" van 409, mede omdat ook de mythologische gebeurtenissen, die in „De Vrouwen van Trachis" ten tonele worden gebracht, voorafgaan aan die van de "Philoctetes". Na de "Philoctetes" besluiten wij dan met de drie naar den inhoud en ten dele ook chronologisch op elkaar volgende tragedies: "Koning Oedipus" (jaar van opvoering geheel onzeker; waarschijnlijk van de twintiger jaren), "Oedipus te Colonus" (geschreven kort voor den dood van den dichter in 406, maar pas in 401 opgevoerd) en, zoals reeds gezegd, "Antigone".




AJAX

    Het stuk speelt voor Troje, tijdens het beleg van deze stad door de Grieken. Opperbevelhebber van de verzamelde Griekse legermacht is Agamemnon, maar van alle Griekse helden treedt de jonge Achilles het meest op den voorgrond. Na hem geldt Ajax, de zoon van Telamon, koning van het eiland Salamis bij Athene, voor den dapperste en onverschrokkenste. Vandaar dat hij, als Achilles in het tiende jaar van het beleg sneuvelt, met het volste recht aanspraak kan maken op het bezit van diens wapenrusting. Maar deze wordt hem door verschillende andere Griekse helden heftig betwist en tenslotte weet de sluwe Odysseus gedaan te krijgen, dat de wapenrusting van Achilles aan hém toegewezen wordt. Woedend trekt Ajax zich in zijn tent terug; hij weigert nog langer aan den strijd tegen de Trojanen deel te nemen. Maar op een nacht sluipt hij, gewapend met zijn zwaard, naar buiten; hij gaat zich op de Griekse aanvoerders en vooral op Odysseus wreken door hen in den slaap te overvallen en te doden. De godin Athene komt echter tussenbeide: zij slaat Ajax met waanzin en deze werpt zich op de kudden buitgemaakt vee, waaronder hij een afgrijselijke slachting aanricht. Enkele dieren sleurt hij mee naar zijn tent, in zijn zinsverbijstering menend dat het zijn gehate doodsvijanden zijn, en doet hen daar de wreedste folteringen ondergaan. Het is op dit moment dat het stuk een aanvang neemt. Het speelt eerst voor Ajax' legertent, daarna — de eenheid van plaats is dus gebroken — op een open plek bij zee. Het koor wordt gevormd door Salaminische zeelieden, trouwe strijdmakkers van hun aanvoerder Ajax. De personen zijn: Ajax, Teucer (broer van Ajax), een bode (protagonist), Athene, Menelails, Agamemnon (antagonist), Tecmessa (vrijgeboren vrouw, maar krijgsgevangene en geliefde van Ajax), Odysseus (tritagonist). De acht rollen kunnen ook op andere manieren over de drie acteurs worden verdeeld. Verder Eurysaces (zoontje van Ajax en Tecmessa), dienaren en gewapenden (zwijgende rollen, figuranten).
   Het is vroeg in den ochtend. Odysseus, de bloedsporen van het verminkte en meegesleurde vee volgend, nadert sluipend Ajax' gesloten tent: zijn deze sporen werkelijk door Ajax achtergelaten? En Ajax zelf, is hij binnen? Plotseling hoort hij de stem van Athene. Zij zegt hem dat Ajax zich inderdaad in zijn tent bevindt en vraagt hem wat hij in het schild voert. Dan vertelt Odysseus haar wat er dien nacht is gebeurd: vee en herders omgebracht door mensenhand! Men beweert dat Ajax het heeft gedaan. Maar hij kan het haast niet geloven. Daarom is hij op onderzoek uitgegaan. Dan maakt Athene hem de ware toedracht bekend. Ajax is inderdaad de dader. 's Nachts uitgetrokken om zijn vijanden te doden was Ajax reeds ongemerkt tot vlak bij de tent van de Griekse opperbevelhebbers gekomen, maar toen had zij hem met waanzin geslagen, ten gevolge waarvan hij zich op het weerloze vee had geworpen! Om Odysseus van de juistheid harer woorden te overtuigen roept zij Ajax uit zijn tent naar buiten. Odysseus wijkt verschrikt terug en wil wegvluchten, maar Athene zegt hem te blijven staan: hij behoeft zich niet ongerust te maken, want zij zal wel zorgen, dat Ajax hem niet ziet. Wederom roept zij Ajax en dan treedt deze naar buiten, nog geheel in den ban van zijn verdwazing, een bloedigen gesel in de hand:

Aj. Gegroet, Athene, welkom, edel kind van Zeus!
Hoe trouw hebt gij geholpen; kransen wil ik u
Met gouden gaven uit den buit voor deze vangst.
Ath. Recht goed gesproken, doch vertel mij eerst nu dit.
Hebt gij uw wapen in Argiverbloed geverfd?
Aj. Zoo mag ik roemen; 'k loochen niet, dat ik het deed.
Ath. En hebt gij ook de Atriden met het zwaard gedreigd?
Aj. Zóó, dat geen hunner Ajax ooit meer hoonen zal.
Ath. Dood zijn die beiden, als ik goed uw woord begrijp?
Aj. Die dood zijn, rooven mij mijn waap'nen nimmermeer.
Ath. Het zij zoo; maar hoe staat het met Laërtes' zoon?
Wat lot is hem geworden? Of ontkwam hij u?
Aj. Gij vraagt naar dien doortrapten vos, hoe 't hem verging?
Ath. Ja, 'k meen Odysseus, die uw mededinger was.
Aj. Die zit, gebiedster, binnen, als mijn beste vangst,
Gebonden; sterven mag hij mij nog niet zoo ras.
Ath. Wat wilt gij eerst doen? Wanneer zijt ge dan voldaan?
Aj. Niet eer hij, aan den pijler van de tent geboeid —
Ath. Wat heeft de onzaal'ge dan te lijden van uw hand?
Aj. Den rug geheel met bloed doorstriemd, ellendig sterft.
Ath. O folter dien rampzaal'gen niet zoo fel en wreed!
Aj. Ik volg, Athene, gaarne in al het andre uw wil,
Doch zijne boete zal aldus, niet anders zijn.
Ath. Nu dan, is zoo te doen u zulk een zielsgenot,
Gebruik uw arm dan, spaar hem niets van wat u lust.
Aj. Ik ga aan de' arbeid. Doch dit eene bid ik u,
Mij immer zóó als bondgenoot ter zij te staan.

(Vertaling Burgersdijk.)

   Met deze woorden trekt Ajax zich weer in zijn tent terug. Odysseus heeft ondanks alles innig medelijden met hem, maar als hij daar tegenover Athene uiting aan geeft, antwoordt deze:

Zorg, dit voor oogen houdend, dat geen overmoed
U jegens goden ooit vermetel spreken doe;
En draag de borst niet hooger, zoo ge in lichaamskracht
Of door onpeilb'ren rijkdom and'ren overtreft.
Al wat de mensch bezit of is — een enk'le dag
Verzinkt het, heft het weer omhoog; de braven zijn
Den goden lief, maar al wie slecht is, hun gehaat.

(Vertaling Burgersdijk.)

Nadat Athene met deze woorden het hoofdthema van het stuk heeft geformuleerd, verlaten beiden het toneel. Nu schrijdt het koor van Salaminische zeelieden de orchestra binnen. Zij hebben afschuwelijke geruchten vernomen over wat Ajax in den afgelopen nacht zou hebben misdreven. Maar zij kunnen niet geloven dat het waar is. Het zal wel weer vuige laster van den gemenen Odysseus zijn. Of zou een der goden hun meester met nachtelijken waanzin geslagen hebben? Zij smeken Ajax zich niet langer in zijn tent opgesloten te houden, maar naar buiten te treden. Dat alleen zal voldoende zijn om aan allen lasterpraat een einde te maken.
   Maar dan treedt Tecmessa uit de tent naar buiten, ontdaan, beangst, radeloos. Zij kan niet anders dan de juistheid van de geruchten, die over Ajax de ronde doen, bevestigen: in waanzin heeft Ajax zich in den afgelopen nacht op het vee gestort en daar een waar bloedbad aangericht.

De nacht was ingevallen, nergens brandden meer
De lichten; daar greep hij zijn dubbelsnijdend zwaard
En stond op 't punt, dien heilloos ijdlen gang te doen.
Toen viel ik uit en zeide: „Wat, wat gaat gij doen?
Voor welk een aanslag, Ajax, stormt gij heen? Er kwam
Geen bode om u te roepen; geen trompetgeschal
Heeft u gewekt; het gansche leger ligt in slaap."
Hij zeide weinig, sprak kortaf; 't was 't oude lied:
„Vrouw, zwijgen is het, wat een vrouw het beste staat."
Daarop verstomde ik en hij stormde weg, alleen.
Wat toen daarbuiten met hem voorviel, weet ik niet;
Maar toen hij weerkwam, dreef hij in de tent zijn buit,
Gebonden: stieren, herders, honden, wollig vee.
Een deel onthalst hij ; andren heft hij 't hoofd omhoog
En houwt hun strot af of doorsteekt hen; andren boeit
En geeselt hij, als had hij menschen daar, geen vee.
Ten laatste springt hij op, naar buiten en daar spreekt
Hij met een schim en hoont de Atriden met zijn taal,
En ook Odysseus; lacht daarbij uit volle borst,
Wijl hij zoo goed hun overmoed hun boeten deed.


(Vertaling Burgersdijk.)

Maar nog erger dingen, nog groter rampen dreigen. Ajax, langzamerhand weer tot bezinning gekomen, heeft bij het zien van het afgeslachte en verminkte vee rondom hem Tecmessa gedwongen te zeggen wat hij allemaal heeft gedaan:

En ik, mijn vrienden, deelde in doodlijke' angst hem mee
Al wat gebeurd was, voorzoover ikzelf het wist.
Toen stiet hij plotsling luide jammerkreten uit,
Zooals ik nooit te voren uit zijn mond vernam;
Want zulk een weeklacht — placht hij steeds te zeggen — was
Alleen te wachten van een zwak, kleinmoedig man.
En nu, geheel door 't booze noodlot overstelpt,
Nu zit hij, spijs en drank versmadend, roerloos neer
Te midden van het met zijn zwaard verslagen vee
En broedt klaarblijklijk op een onheilvolle daad.
Doch vrienden — want dit is 't, waarom ik tot u kwam —
Treedt nader en brengt hulp aan, zoo gij helpen kunt;
Aan vriendentoespraak geeft zoo iemand nog gehoor.

(Vertaling Burgersdijk.)

Op dit ogenblik klinken Ajax' wanhoopskreten uit de tent naar buiten. Hij roept om zijn zoon Eurysaces, om zijn broer Teucer. Op aandringen van het koor maakt Tecmessa de tent open. Het inwendige van de tent wordt nu voor het publiek zichtbaar. Ajax, nu weer geheel bij zinnen, herkent zijn trouwe makkers. Is hij, zo roept hij hun toe, niet diep vernederd, voor altijd onteerd? Is hij niet ten spot voor heel het leger, een voorwerp van leedvermaak voor zijn doodsvijanden, de Atriden en den doortrapten Odysseus? Hij smeekt zijn wapenbroeders hem te doden. Slechts de dood immers kan hem nu nog welkom zijn. Tevergeefs proberen Tecmessa en het koor hem tot andere gedachten te brengen. Ajax' zelfmoordplannen nemen steeds vasteren vorm aan.

Helaas ! Wat moet ik doen nu ? Ik, zoo diep gehaat —
Dit blijkt — bij goden, afschuw van 't Hellenen-heer,
Gehaat door Troje, door al 't omgelegen land,
Moet ik, de vloot verlatend en 't Atridenpaar,
Nu huiswaarts steev'nen over 't vlak van Aegeus' zee?
Met welk een blik treed ik mijn vader Telamon
Dan onder de oogen? Kan ik 't dragen, dat hij mij
Zoo naakt, van zegespijs verstoken voor zich ziet,
Terwijl hijzelf den hoogsten krans der eere won?
Neen, te verdragen waar' dit niet. Of spoed ik mij
Alleen naar Troje' s wallen, val de menigte aan,
Win eer en voordeel, tot ik eindlijk strijdend sterf?
Doch zoo bereidde ik Atreus' zonen heil en vreugd!
Dit mag niet wezen. Doch bedenken moet ik iets,
Dat ik volbreng en dat mijn ouden vader toont,
Hoe ik geen hart derf, niet ontaard ben, maar zijn spruit.
Die man zoekt schande, die een langer leven wenscht,
Schoon hij geen kent'ring van zijn onheil wachten kan.
Niets, niet het allerminste is mij een leven waard,
Dat zich verwarmen, koest'ren wil met ijd'le hoop.
Neen, schoon te leven, schoon te sterven, dit alleen
Betaamt den eed'len. Alles hebt gij nu gehoord.


(Vertaling Burgersdijk.)

   Wederom smeekt het koor hem zijn heilloos plan te laten varen. Tecmessa bezweert hem haar en hun beider zoon niet onbeschermd aan de willekeur zijner vijanden over te laten. Ajax gaat niet eens meer op hun dringende vertogen in. Eén ding kan Tecmessa nog voor hem doen: zijn zoon bij hem laten brengen. Tecmessa had dezen tijdens Ajax' aanval van waanzin uit voorzorg in veiligheid laten brengen. Nu stuurt zij terstond een dienaar uit om het kind te halen. Dra komt deze met het kind terug.
(Dit is voor de eerste maal in de bewaard gebleven tragedies dat een kind ten tonele verschijnt.) Ajax breidt zijn beide armen uit en zegt:

O reik hem, reik hem aan mij toe; hij schrikt gewis
Niet van 't aanschouwen van dit versch vergoten bloed,
Als hij in waarheid mijn zoon is, zijn vaders zoon.
Ja, vroeg reeds worde naar zijns vaders ruwe wijs
De knaap geoefend, dat hij hem in aard gelijk'!
      (Tecmessa reikt hem het kind over)
O zoon, wees rijker dan uw vader in geluk;
Gelijk hem verder, dan voorwaar wordt gij niet slecht.
En hierin acht ik thans u reeds benijdenswaard,
Dat gij nog niets van al dit gruw'lijk leed gevoelt.
Het zoetste leven is van niets bewust te zijn,
Totdat gij vreugde en droefnis beide kennen leert.
Maar als die tijd komt, toon uws vaders haters dan,
Wat gij voor man zijt en van welk een man gij stamt.
Groei zoolang op in lichte lucht, uw jonge ziel
Versterkend, dartlend, uwer moeder weelde en lust!
En geen Achaeër — 'k weet het — zal met ruwen hoon
U krenken, waagt, al ben ik niet bij u, dit ooit.
Want ik laat Teucer u als wachter, die u trouw
En onverdroten hoeden zal, ofschoon hij thans,
Den vijand achtervolgend, jagend, verre zij.
      (Tot het koor)
En u, mijn wapenbroeders, mannen van de zee,
U allen vraag ik, mij den vriendendienst te doen,
Dat gij mijn last hém overbrengt: hij voer' dit kind
Ginds naar mijn woning en voor 't oog van Telamon
En van mijn moeder Eriboea, dat het hun
Een troost en steun zij in hun hoogen ouderdom.
En dat geen kampstrijdrechter aan de Achaeërs ooit
Mijn waap'nen uitloov', mijn verderver allerminst;
Neen, neem gijzelf het breede schild, waar gij naar heet,
Eurysaces, zwaai 't aan den weldoorstikten riem,
Het zevenhuidig, van geen speer doorboorde scherm;
Maar de andre rusting zij met mij in 't graf gelegd.
      (Weer tot Tecmessa)
Doch neem terstond nu dezen knaap weer van mij aan
En sluit de woning en hef schreiend voor de tent
Geen weeklacht aan; maar al te gaarne krijt de vrouw.
Sluit ras den ingang; geen verstandig arts beproeft
Bezweringsdeunen, als de kwaal het mes vereischt.


(Vertaling Burgersdijk.)

   Na deze woorden gaat Ajax weer in zijn tent terug. Ongeduldig en bars wijst hij Tecmessa, die hem nogmaals hartstochtelijk smeekt hen niet in den steek te laten, terug. Zijn dienaren beveelt hij de tent te sluiten. Verslagen blijft Tecmessa, het kind op haar arm, voor den ingang van de tent zitten, terwijl het koor weeklaagt over Ajax' erbarmelijken toestand en treurt over het verdriet dat de tijding van zijn diepen val aan zijn hoogbejaarden vader en moeder zal bezorgen. Maar dan komt Ajax, nu met een zwaard in de hand, weer naar buiten. Hij is, zo zegt hij, tot beter inzicht gekomen! Hij zal zijn vrouw en kind niet aan de willekeur zijner vijanden overlaten, neen, hij zal zich naar de zeekust begeven om zich daar van zijn smet te reinigen en hij zal zijn zwaard, zijn ongelukszwaard, op een eenzame en onherbergzame plek diep in den grond begraven!
 
Dit alles loopt wel goed ten eind. Gij, vrouwe, ga
Thans ras naar binnen en roep daar de goden aan,
Dat alles zich vervulle, wat mijn hart begeert.
En gij, mijn vrienden, wijdt mij ook denzelfden dienst
En zegt aan Teucer, als hij komt, dat hij aan mij
Zijn trouw bewijze en tevens u genegen zij.
Ik ga nu heen, den weg, dien ik betreden moet;
Gij, handelt naar mijn woorden en gij hoort weldra,
Dat ik, welk leed mij thans ook drukke, redding vond.


(Vertaling Burgersdijk.)

   Met deze dubbelzinnige woorden gaat Ajax heen, Tecmessa begeeft zich met haar kind in de tent, het koor jubelt van vreugde om den onverwachten ommekeer in Ajax' geest. Maar dan verschijnt een bode ten tonele. Hij meldt dat Teucer, Ajax' broer, zojuist van zijn expeditie in het Griekse legerkamp is teruggekeerd en hem heeft vooruitgestuurd om er voor te zorgen, dat Ajax onder geen beding zijn tent zou verlaten. Want, aldus had Teucer van Calchas vernomen, Ajax was wegens zijn alle perken te buiten gaanden overmoed en zelfverheffing door Athene met waanzin geslagen, maar zou hij dézen dag overleven, dan zou hij misschien nog kunnen worden gered. De woorden van den bode slaan het koor met panischen schrik. Zij roepen ijlings Tecmessa naar buiten en na kort, gejaagd overleg wordt de bode naar Teucer teruggestuurd om hem te vragen direct te komen. Tecmessa en het koor snellen in alle richtingen heen, op zoek naar Ajax.
   Het schouwtoneel is een wijle geheel verlaten. De toneelachtergrond wordt gewijzigd. Wij zien thans een eenzame, onherbergzame streek nabij de zee. Ajax komt op. Hij plaatst zijn pasgeslepen zwaard met het gevest stevig in den grond. Hij smeekt Zeus het zo te willen leiden dat zijn lijk gevonden wordt door een hem welgezind iemand. Dan kan Teucer bijtijds gewaarschuwd worden en zijn stoffelijk overschot tegen de wraakplannen zijner vijanden in bescherming nemen. Vervolgens vraagt hij Hermes om een snellen dood, zonder doodsstrijd, en de Erinyen om wraak op de Atriden en het Griekse leger voor zijn aan hun onrechtvaardigheid te wijten smadelijken ondergang. Nog eenmaal verwijlen zijn gedachten een ogenblik bij zijn ouden vader en moeder, maar dan vermant hij zich. Hij neemt afscheid van het leven en alles wat hem op aarde lief en dierbaar was en stort zich in het zwaard.
Onmiddellijk na dezen beheersten, slechts op het eind even licht ontroerden monoloog van Ajax en zijn zelfmoord snellen Tecmessa en het koor de orchestra binnen. Overal, zo zingt het koor, hebben zij gezocht, maar tevergeefs! Waar kan Ajax toch zijn? Ook in de orchestra zoeken zij overal rond, tot zij plotseling worden opgeschrikt door een kreet van Tecmessa. Zij snellen toe, zien Ajax' bebloed lijk en zingen met Tecmessa een hartstochtelijke threnos om hun geliefden aanvoerder en wapenmakker.
   Maar dan verschijnt Teucer, met een jammerklacht op de lippen, ten tonele. Het gerucht van Ajax' jammerlijk eind heeft zich reeds snel overal verspreid en ook hem bereikt. Terstond heeft hij zich naar de plaats des onheils gehaast om de nodige maatregelen te treffen. Allereerst stuurt hij Tecmessa weg om den alleen en onbewaakt bij de tent achtergebleven Eurysaces in veiligheid te brengen. Dan richt hij zich in een langen monoloog vol beklag en zelfverwijt tot Ajax' lijk. Maar het koor onderbreekt hem. Het wordt tijd, dat hij toebereidselen treft voor Ajax' begrafenis. Bovendien, in de verte nadert Menelaüs. Hij zal, zo meent het koor, wel niet veel goeds in den zin hebben. En inderdaad, op dit ogenblik verschijnt Menelaüs ten tonele. Het opperbevel van het Griekse leger, zo luidt zijn boodschap, heeft een verbod uitgevaardigd het lijk van Ajax te begraven. Hij heeft den Grieksen aanvoerders immers naar het leven gestaan en slechts aan het ingrijpen van een der goden is het te danken, dat hij niet in zijn opzet is geslaagd. Daarom zal zijn lijk als prooi van honden en roofvogels op het strand worden uitgeworpen! Teucer blijft het antwoord op Menelaüs' barse taal geenszins schuldig. Hij denkt er niet aan zich aan het bevel te onderwerpen. Ondanks het verbod zal hij Ajax een waardige begrafenis bezorgen! Er ontstaat een heftig en verbitterd twistgesprek tussen Teucer en Menelaüs. Elk van beiden blijft onwrikbaar op zijn standpunt staan. Er blijft Menelaüs tenslotte niet veel anders over dan met het dreigement, dat zij Teucer dan wel met geweld zullen dwingen aan het bevel te gehoorzamen, het toneel te verlaten. Terstond daarop keert Tecmessa met Eurysaces ten tonele terug en Teucer zegt:

O zie, daar komen juist te rechter tijd die twee,
De zoon en vrouw, aan van den doode, die hier ligt,
Om mij, nu ik dit lijk bezorg, ter zij te staan.
O knaap, kom herwaarts en kniel naast den doode neer
En vat als smeekling dan uws vaders lichaam vast
En zet u biddend neder, neem hier in uw hand
Mijn haar, dat uwer moeder en uw eigen haar.
Dit is des smeeklings gave. Zoo van 't leger één
Van dezen doode u weg wil sleuren met geweld,
Eens zij dien snoodaard snood als balling 't graf ontzegd
En zij, tot op den wortel, hij en heel zijn stam
Eens weggemaaid, gelijk ik hier deez' haarlok snijd.
Houd vast hem, knaap, bewaak hem, zorg, dat u geen mensch
Van hier verdrijve. Houd hem steeds maar goed omvat.
      (Tot het koor)
En gij hier, weest geen vrouwen, maar als mannen komt
En staat hem kloek ter zijde, tot ik wederkeer,
Om voor zijn graf te zorgen, wie zich ook verzett'.


(Vertaling Burgersdijk.) 

   Teucer snelt weg, terwijl het koor, geheel ontmoedigd door Ajax' treurigen dood en den hem, ook na zijn dood nog, aangedanen smaad en oneer, uiting geeft aan zijn afkeer van het eindeloos krijgsbedrijf in den vreemde en aan zijn heimwee naar het verre dierbare vaderland.
   Maar de nu volgende exodos brengt, na aanvankelijk nieuwen strijd en woordentwist, uiteindelijk herstel van den vrede en harmonie. Eerst komt Teucer het toneel opgesneld. Hij heeft Agamemnon in de verte zien naderen en zich gehaast om hem voor te zijn en hem te beletten zijn boze plannen ten uitvoer te brengen. Onmiddellijk daarop verschijnt inderdaad Agamemnon met gewapend gevolg ten tonele en probeert Teucer met een stortvloed van driftige smaadwoorden vol dreigementen te overbluffen en alsnog voor zijn wil te doen buigen. Maar Teucer laat zich geenszins intimideren. Hij herinnert Agamemnon aan Ajax' vele heldendaden, hoe hij eenmaal Agamemnon zelf in den strijd om Troje aan een wissen dood heeft ontrukt, hij beantwoordt Agamemnon's krenkende smaadwoorden met niet minder bijtende en grievende en geeft hem tenslotte de heilige verzekering, dat hij, zolang hij leeft, niet zal toelaten dat iemand, wie ook, de schennende hand zal slaan aan Ajax' lijk.
   Op dit kritieke ogenblik verschijnt Odysseus ten tonele:

Od. Wat is er, mannen? 'k Hoorde toch van verre reeds
't Luid spreken der Atriden bij dit heldenlijk.
Ag. Dat kan; want weet, wij hoorden schaamtelooze taal
Zoo even, vorst Odysseus, hier van dezen man.
Od. Wat sprak hij dan toch? Zeg 't mij. Hém vergeef ik graag,
Die slechts om smaad te wreken booze woorden spreekt.
Ag. Hij hóórde smaad, want wat hij dééd, was smaad voor mij.
Od. Wat was zijn daad toch? Bracht zij u ook nadeel toe?
Ag. Hij zal 't niet dulden, zegt hij, dat dit lijk een graf
Ontbeert, hij zal 't begraven, mijn bevel ten spijt.
Od. Vergunt gij 't, dat ik u de waarheid zeg als vriend,
En toch als vroeger even trouw u helpen blijf?
Ag. Spreek! Zoo 'k niet hoorde, was ik zinloos, daar ik u
Van alle Argivers als mijn besten vriend beschouw.
Od. Zoo hoor dan! Bij de goden, waag het niet dit lijk
Zoo onmeedoogend uit te werpen zonder graf!
En drijve daartoe nimmer uwe macht u aan,
Om zóó te haten, dat gij 't recht met voeten treedt.
Mijzelf ook was hij eenmaal 't meest gehaat van 't heer,
Sinds ik Achilles' wapenrusting op hem won.
Maar toch zal 'k nimmer, was hij ook mijn vijand, hem
Zijn waarde onthouden, door te looch'nen dat hij was
Van allen de eerste, van heel 't Grieksche leger dat
Voor Troje is gekomen, op Achilles na.
En daarom ware 't onrecht, zoo gij hem niet eert.
Niet hem slechts, maar der goden wetten ook zoudt gij
Te niet doen. Neen, het past niet op een dapper man,
Die dood is, zich te wreken, hoe men hem ook haat.
Ag. Gij strijdt, Odysseus, dus voor dezen tegen mij?
Od. Gewis! Doch 'k haatte, toen het haten loflijk was.
Ag. Mag 'k dan den voet niet zetten op des dooden nek?
Od. Schep geen behagen, Atreus' zoon, in slecht gewin.
Ag. De vroomheid te betrachten is voor vorsten zwaar.
Od. Doch licht den raad te volgen van een trouwen vriend.
Ag. De dapp're moet ook luist'ren naar des heerschers woord.
Od. Laat af! Gij heerscht, schoon wijkend voor der vrienden raad.
Ag. Bedenk toch, wie de man is dien ge uw gunst verleent. 
Od. Hij is mijn vijand, maar was eens een dapper man.
Ag. Wat is uw streven? Eert ge een dooden vijand zoo?
Od. Zijn heldenaard geldt bij mij hooger dan mijn haat.
Ag. Slechts wispeltuur'ge mannen hand'len zooals gij.
Od. Ach ja, veel menschen, vriendlijk thans, zijn dra vertoornd.
Ag. En zulker vriendschap te verwerven acht gij schoon?
Od. Een hard gemoed te prijzen, dat is nooit mijn aard.
Ag. Gij zult tot lafaards ons dus heden stemplen doen?
Od. Neen, tot gerechte mannen bij heel 't Grieksche volk.
Ag. Gij raadt dus toe te laten dat men 't lijk begraav'?
Od. Dat doe ik; eens toch wensch ik dit ook voor mijzelf.
Ag. 't Is alles eender; ieder zorgt voor eigen zaak!
Od. Waarvoor zou 'k eerder zorgen dan voor eigen zaak?
Ag. Uw daad dan zal het heeten en de míjne niet !
Od. Hoe gij ook handelt, steeds verwerft ge een eed'len naam.
Ag. Hoe 't zij, houd hiervan u verzekerd, dat ik ú
Volgaarne nog een grooter gunst bewees dan thans.
Maar deze zal gelijklijk hier en onder de aard
Mij steeds gehaat zijn. Gíj moogt doen wat u behaagt.


(Vertaling Burgersdijk.)

   Met deze woorden verwijdert Agamemnon zich. Het koor en Teucer prijzen en danken Odysseus met hartelijke woorden. Odysseus' aanbod, zijn medewerking te verlenen aan Ajax' begrafenis, moet Teucer echter afslaan; hij is bevreesd dat dit niet naar den wens van den gestorvene zou zijn. Odysseus begrijpt en billijkt dit en verlaat het toneel. Onmiddellijk daarop verlaat ook de lijkstoet, door Teucer geformeerd, gevolgd door het koor, de orchestra.

*

   Toen Sophocles zijn „Ajax" schreef, was hij ruim vijftig jaar oud. Sinds zijn eerste optreden waren ruim vijfentwintig jaren verstreken. Van al de door hem in deze periode geschreven tragedies is, op enkele spaarzame fragmenten na, niets bewaard gebleven. Nagenoeg algemeen wordt de „Ajax" als de oudste van de zeven van Sophocles bewaard gebleven tragedies beschouwd. De dramaturgie van het stuk wijst duidelijk in deze richting. De handeling is eenvoudig, de ontwikkeling traag. Van den derden acteur wordt nog weinig profijt getrokken. Er wordt, vooral op het eind van het stuk, rijkelijk lang gepraat en gedebatteerd, waardoor de voortgang van het stuk ten zeerste wordt opgehouden. De overredingsscène tussen Agamemnon en Odysseus in de exodos is verre van overtuigend.
   Toch ontdekt men, als men de „Ajax" vergelijkt met Aeschylus' laatste werkstuk, de tien tot vijftien jaar oudere „Orestie" van 458, enige markante verschillen. Van den derden acteur moge dan al nog slechts weinig profijt zijn getrokken, toch heeft Sophocles zich van hem weten te bedienen om in den prologos (Athene - Odysseus - Ajax) en in de exodos (Teucer -Agamemnon - Odysseus) twee dramatisch zeer werkzame driehoeksscènes, zij het nog geen driehoeksdialogen, op te bouwen. Vergelijkt men deze laatste debatscène met de grote rechtszitting in „De Eumeniden", Aeschylus' laatste tragedie, dan ziet men hoe in „De Eumeniden" het koor in de daar gehouden debatten en pleidooien een aan die van de acteurs volkomen gelijkwaardige rol speelt, terwijl dit in de „Ajax" hoegenaamd niet het geval is. En dit is dan het eerste verschil: de teruggedrongen positie, de ondergeschikte rol van het koor. Zeker, het zingt nog menig prachtig lied, het wordt gebruikt om het optreden van nieuwe personen aan te kondigen, om goeden raad te geven, om te troosten, maar het oefent op de ontwikkeling van de handeling niet den minsten invloed uit. Het wordt ten overvloede in de rol van vertrouwde van Ajax ten zeerste in de schaduw gesteld door de figuur van Tecmessa. Het gevolg van dit alles is, dat bijvoorbeeld het lied dat het koor in het derde stasimon zingt vrijwel los van de handeling staat en uitsluitend dient om de tijdsruimte tot de volgende scène te vullen.
   Een tweede verschil is het volgende. Vlak voor de katastrophe in het derde epeisodion (Ajax' zelfmoord en de ontdekking daarvan) wekt Sophocles door de scène van Ajax' gefingeerde „bekering" de hoop, dat alles zich uiteindelijk toch nog ten goede zal keren. Het koor wordt hierdoor geïnspireerd tot een vreugdevol jubellied. Dit is typisch sophocleïsch. Terwijl bij Aeschylus de handeling zich steeds rechtlijnig in een voortdurend stijgenden climax ontwikkelt, is Sophocles gewoon de dramatische lijn te breken en vlak voor den op- of neergang van het stuk een aan dezen op- of neergang volkomen tegenovergestelde stemming te wekken. Den hierdoor veroorzaakten plotselingen ommekeer, onverwachte wending noemt men „peripetie".
   Het belangrijkst is wel het derde verschil. Het hoofdthema van het stuk bedreigt den overmoedige met straf en ondergang. Welnu, aan overmoed heeft Ajax zich schuldig gemaakt, niet alleen door zijn hand op te heffen tegen de aanvoerders van het Griekse leger, maar ook reeds vroeger door woorden van zondige zelfverheffing tegen zijn eigen vader, ja zelfs tegen de godin Athene. De straf hiervoor kan niet uitblijven. In den nacht waarin hij uittrekt om zich op zijn gehate vijanden te wreken treft Athene hem met een vlaag van zinsverbijstering, ten gevolge waarvan hij zichzelf ten overstaan van heel het Griekse leger ten diepste vernedert. Het schuldmotief speelt hierbij een belangrijke rol. In den loop van het stuk wordt het echter geheel naar den achtergrond gedrongen. Heel de aandacht van den dichter gaat uit naar de persoonlijkheid van zijn held, naar de wijze waarop hij op zijn vernedering reageert. Ook dit is typisch sophocleïsch. Sophocles verdiept zich niet, zoals Aeschylus, in de oorzaak van het lijden, de schuld of zonde, hem boeit veeleer het lijden van den getroffen mens, of liever nog concreter: de lijdende mens zelf. In zoverre staat hij in deze oudste van de van hem bewaard gebleven tragedies nog onder Aeschylus' invloed, dat hij zich vrij veel moeite geeft om Ajax' schuld duidelijk uit te laten komen. In zijn latere stukken zal hij zich steeds meer aan dezen invloed onttrekken en personen ten tonele voeren wier schuld — zo al aanwezig — veelal aan ernstigen twijfel onderhevig is. Zij zondigen meer uit dwaling, misverstand, onkunde. En dat hij ook in dit stuk de schuld van Ajax zoveel mogelijk poogt te verzachten, blijkt wel hieruit, dat hij de opsomming van zijn vroegere uitingen van overmoed zo lang mogelijk (tot in het derde epeisodion) uitstelt. Er wordt bovendien in heel het stuk met geen woord gerept van enig schuldbewustzijn van Ajax. Ajax wordt ons door Sophocles ten tonele gevoerd als een man, die, als hij tot het besef gekomen is dat door het ingrijpen van een hogere macht waarvoor hij het hoofd moet buigen zijn eer als man en soldaat onherstelbaar geschonden is, daaruit zonder aarzeling de enige voor hem mogelijke conclusie trekt en den dood die hem — in zijn opvatting — alleen nog in zijn eer herstellen kan vastberaden tegemoet treedt. In menig opzicht doen zijn houding en reactie denken aan die van Eteocles in Aeschylus' „De Zeven tegen Thebe", wel eens de meest sophocleïsche held van Aeschylus genoemd. Wat daar echter eenvoudig als feit werd vastgesteld, wordt hier psychologisch ontleed en verklaard. Sophocles' „Ajax" is het eerste karakterdrama. Maar niet alleen de hoofdpersoon, ook de bijfiguren worden individueel gekenschetst en gekarakteriseerd. Zij zijn niet meer de „typen", die wij bij Aeschylus plachten aan te treffen. Niet overal is Sophocles even feilloos geslaagd. De dichter worstelt kennelijk zelf nog met zijn nieuwe ideeën en inzichten. Hij is er nog niet in geslaagd zich geheel van Aeschylus los te maken en zijn eigen weg te gaan. Maar dit neemt niet weg, dat men mag zeggen dat er sinds „De Orestie" van Aeschylus veel op het Griekse toneel is gebeurd. Moge dit den lezer uit deze uiterst beknopte beschouwingen duidelijk geworden zijn.
   In deze tragedie is, evenals in „De Eumeniden" van Aeschylus, de eenheid van plaats gebroken. Belangrijker is, dat men zich ook kan afvragen of de eenheid van handeling niet gebroken is. Het stuk valt, zo zegt men, in twee delen uiteen: den zelfmoord van Ajax en den strijd om de begrafenis van Ajax. Hiertegen voeren anderen echter aan, dat voor de Ouden met den dood de begrafenis nu eenmaal onverbrekelijk verbonden was, maar vooral, dat Ajax door de slotscène, waarin Odysseus Agamemnon weet te overreden zich niet langer tegen Ajax' begrafenis te verzetten, ook uiterlijk in ere wordt hersteld.