SEXTI PROPERTI ELEGIARUM LIBER PRIMUS

Boek 1 van de Elegieën van Sextus Propertius

I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV, XV, XVI, XVII, XVIII, XIX, XX, XXI, XXII



I

Cynthia prima suis miserum me cepit ocellis,
   contactum nullis ante cupidinibus.
Tum mihi constantis deiecit lumina fastus
   et caput impositis pressit Amor pedibus,
donec me docuit castas odisse puellas                        5
   improbus, et nullo vivere consilio.
Et mihi iam toto furor hic non deficit anno,
   cum tamen adversos cogor habere deos.

Milanion nullos fugiendo, Tulle, labores
   saevitiam durae contudit Iasidos.                           10
Nam modo Partheniis amens errabat in antris,
   ibat et hirsutas ille videre feras;
ille etiam Hylaei percussus vulnere rami
   saucius Arcadiis rupibus ingemuit.
Ergo velocem potuit domuisse puellam:                     15
   tantum in amore preces et bene facta valent.
In me tardus Amor non ullas cogitat artis,
   nec meminit notas, ut prius, ire vias.

At vos, deductae quibus est fallacia lunae
   et labor in magicis sacra piare focis,                        20 
en agedum dominae mentem convertite nostrae,
   et facite illa meo palleat ore magis!
Tunc ego crediderim vobis et sidera et amnis
   posse Cytinaeis ducere carminibus.

Et vos, qui sero lapsum revocatis, amici,                    25
   quaerite non sani pectoris auxilia.
Fortiter et ferrum saevos patiemur et ignis,
   sit modo libertas quae velit ira loqui.
Ferte per extremas gentis et ferte per undas,
   qua non ulla meum femina norit iter.                       30

Vos remanete, quibus facili deus annuit aure,
   sitis et in tuto semper amore pares.
In me nostra Venus noctes exercet amaras,
   et nullo vacuus tempore defit Amor.
Hoc, moneo, vitate malum: sua quemque moretur       35
   cura, neque assueto mutet amore locum.
Quod si quis monitis tardas adverterit auris,
   heu referet quanto verba dolore mea!


Werkvertaling Kox:

Cynthia greep mij ongelukkige als eerste met haar ogen,
(mij,) die tevoren door geen begeerten was geraakt.
Toen deed zij mij de ogen van mijn standvastige kieskeurigheid neerslaan
en Amor/de liefde drukte op mijn hoofd door zijn voeten erop te zetten,
totdat hij me leerde een hekel te hebben aan nette meisjes ,        5
de schurk, en te leven zonder plan.
En voor mij houdt deze waanzin al een heel jaar niet op,
terwijl ik toch gedwongen word de goden tegen te hebben.

Door geen inspanningen te ontvluchten, Tullus,
sloeg Milanion de woestheid van de harde Iasis stuk.                      10
Want nu eens dwaalde hij krankzinnig over de rotsen van Parthenius,
en hij ging ook ruigharige wilde dieren zien;
zelfs geslagen door een wond van de knuppel van Hylaeus
jammerde hij gewond op de Arcadische klippen.
Dus hij kon het snelle meisje bedwingen:                                    15
zo sterk zijn gebeden en goede daden in de liefde.
Voor mij bedenkt de trage Amor/liefde geen enkel kunststuk,
en hij denkt er niet aan bekende wegen zoals vroeger te gaan.

Maar jullie, die de toverkunst bezitten de maan omlaag te trekken
en de taak om heilige rites te verzoenen in magische vuren,         20
vooruit, verander de gedachten van mijn gebiedster,
en maak, dat haar gezicht bleker is dan het mijne!
Dan kan ik jullie geloven, dat jullie sterren en rivieren
kunnen leiden met gezangen uit Cytina.

En jullie, vrienden, die te laat een gevallene overeind proberen te helpen,  25
zoeken hulp voor een ziek hart. (of: zoek hulp: imperativus)
Dapper zullen wij ijzer en woeste vuren verdragen,
als er maar de vrijheid is te zeggen wat de woede wil (zeggen).
Breng me door de verste volkeren en breng me door wateren,
waar geen enkele vrouw mijn weg kent.                                       30

Jullie moeten blijven, voor wie de god met een makkelijk oor 'ja' heeft geknikt,
en mogen jullie in altijd veilige liefde een paar zijn.
Voor mij brengt mijn Venus/liefde bittere nachten,
en geen enkel moment houdt Amor/mijn liefde op en is weg.
Vermijd deze ellende, raad ik aan: laat ieder blijven bij die, om wie hij geeft,  35
en laat een liefde waaraan je gewend bent geraakt niet van plaats veranderen.
Maar als iemand te laat zijn oren heeft gericht op mijn waarschuwingen,
ach, met hoe groot verdriet zal hij zich mijn woorden later herinneren!


Commentaar:

Om de inhoud en structuur van het gedicht overzichtelijker weer te geven, heeft Kox in zijn werkvertaling af en toe een regel wit gelaten. De gedachten ontwikkelen zich als volgt:
r. 1-8: De liefde voor Cynthia maakt me kapot.
r. 9-18: Mythologische parallel: Tussen Milanion en Atalante kwam het goed; dat zit er voor mij niet in.
r. 19-30: Help mij, tovenaressen en vrienden!
r. 31-38: Mijn advies: Kies voor een rustige duurzame liefde!

r. 1: Cynthia: Wie was Cynthia? Kox ziet een aantal mogelijkheden: Of zij is een geheel fictieve persoon, of in haar persoon beschrijft Propertius dingen die tussen hem en zijn vriendinnen gebeurd zijn, of Propertius beschrijft dingen die hij persoonlijk heeft meegemaakt en voegt daar fictieve elementen aan toe, of Cynthia heeft echt bestaan. Wie dan achter het pseudoniem schuilgaat weten we niet. In ieder geval is het waarschijnlijk niet ene Hostia, zoals Apuleius in zijn Apologia beweert. (Zie Boek III, gedicht nummer 20) Zij was een meretrix, een courtisane. Denk bij de relatie van Propertius en Cynthia niet aan een brave burgerlijke verhouding! En bedenk ook, dat de 'ik' in de gedichten net als Cynthia een gedichte persoon is: in hoeverre Propertius en deze dichterlijke 'ik' samenvallen is moeilijk uit te maken.
r. 7: De Loeb-editie leest in plaats van Et mihi: Ei mihi, coniectuur van Rossberg.
r. 9: Tulle: vocativus: het gedicht richt zich tot en is dus opgedragen aan een vriend Tullus. De gedichten VI, XIV en XXII zijn ook gericht aan Tullus. Hij was de neef van Lucius Volcacius Tullus, die consul was in 33 voor Chr. en proconsul van Asia in 30-29 voor Chr.
r. 9 en volgende: Iasis = Atalanta, de dochter van Iasus of Iasius. Zij was als kind te vondeling gelegd op de berg Parthenius en gevonden en gevoed door een berin. Eenmaal volwassen, leefde zij als jageres in de heuvels van Arcadia, waar de centaurs Hylaeus en Rhoeteus haar eens probeerden te molesteren. Zij kon heel snel hardlopen.
[In een andere versie van het verhaal van Atalante daagde zij de mannen die met haar wilden trouwen uit voor een hardloopwedstrijd. Milanion (volgens anderen Hippomenes) versloeg haar door een list: hij bezat drie gouden appels, die hij tijdens de race een voor een op de grond liet vallen. Atalante stopte telkens met hardlopen om de appels op te rapen, en zo werd zij verslagen.]
r. 11: modo, 'nu eens' wordt normaliter opgevangen door modo, 'dan weer', of door tum of rursus. Hier: ... ibat et ... ille etiam ...
r. 11: antris: antrum betekent meestal 'grot', maar in een grot kun je niet errare; hier betekent het kennelijk rotsige kloof; denk aan een dal met steil oprijzende wanden.
r. 13: rami: ramus betekent doorgaans 'tak', maar hier wordt er mee geslagen.
r. 15: domuisse: infinitivus van het perfectum: gebruikt omwille van het metrum, qua betekenis gelijkwaardig met de inf. praes.
r. 16: Goold (Loeb) leest fides in plaats van preces, een coniectuur van Fontein. Het argument is, dat er geen sprake is van preces in de tekst tot nu toe, wel van bene facta, en dat fides goed de inzet van Milanion beschrijft. Kox: Misschien is uit het woord ingemuit wel iets te halen, dat preces aankondigt.
r. 17: artis: i-stammen hebben de acc. plur. op -is; artis = artes. (Zo ook r. 23: amnis = amnes; r. 27: ignis = ignes; r. 29: gentis = gentes; r. 37: auris = aures.)
         tardus Amor: Goold vertaalt tardus met dull-witted, sloom of dommig; niet zo gek, want
         Amor kan hier geen slimme trucs bedenken. Het woord kan ook te laat betekenen, maar
         dat past hier niet goed; Kox denkt aan traag in de zin van 'dat schiet niet op, wat duurt
         dat lang' .
r. 24: Cytinaeis: Cytina was een stad in Thessalia: de heksen van Thessalia waren beroemd in de oudheid. De handschriften hebben andere, onbegrijpelijke woorden; Cytinaeis is een coniectuur van Hertzberg. Een andere coniectuur is Cytaeines: Griekse genitivus van Cytaeine: scandeert als  v _ _ _ ; Cytaeine = Medea, beroemde tovenares; het woord zou gevormd kunnen zijn naar de plaats Cytaea, in Kolchis.
r. 32: sitis: Kox heeft sitis opgevat en vertaald als een optativus; van der Paardt, hieronder, vat de coniunctivus op als een potentialis. Kan ook. Een adhortativus is ook niet gek (Goold: and be ever paired in an safe love).
r. 36: Goold leest torum in plaats van locum, een coniectuur van Otto. Betekenis: Verander niet van bed, als de liefde gewoon is geworden. Leuk! Is ook een stuk simpeler te begrijpen dan locum. Maar hoe komt het handschrift dan aan locum?


Metriek:
Elegisch distichon = dactylische hexameter + pentameter:
_ v v| _ v v | _ v v | _ v v | _ v v | _ x ||
_ v v | _ v v | _ | _ v v | _ v v | x ||

Leg bij hardop lezen de klemtoon op de vetgedrukte klinkers!

Cynthia prima suis miserum me cepit ocellis,
 _    v v|_   v  v|_    v  v| _    _ | _  v v |_ x ||
   contactum nullis ante cupidinibus.
     _   _ | _   _ | _| _  v v|_ vv | x||
Tum mihi constantis deiecit lumina fastus
   et caput impositis pressit Amor pedibus,
donec me docuit castas odisse puellas                        5
   improbus, et nullo vivere consilio.
Et mihi iam toto furor hic non deficit anno,
   cum tamen adversos cogor habere deos.
Milanion nullos fugiendo, Tulle, labores
   saevitiam durae contudit Iasidos.                           10
Nam modo Partheniis amens errabat in antris,
   ibat et hirsutas ille videre feras;
ille_etiam_Hylaei percussus vulnere rami (2 x elisie, aangegeven door _)
   saucius Arcadiis rupibus ingemuit.
Ergo velocem potuit domuisse puellam:                     15
   tantum_in amore preces et bene facta valent. (1x elisie)
In me tardus Amor non ullas cogitat artis,
   nec meminit notas, ut prius, ire vias.
At vos, deductae quibus est fallacia lunae
   et labor in magicis sacra piare focis,                        20 
en agedum dominae mentem convertite nostrae,
   et facite_illa meo palleat ore magis! (elisie)
Tunc ego crediderim vobis et sidera_et amnis (elisie)
   posse Cytinaeis ducere carminibus.
Et vos, qui sero lapsum revocatis, amici,                    25
   quaerite non sani pectoris auxilia.
Fortiter et ferrum saevos patiemur et ignis,
   sit modo libertas quae velit ira loqui.
Ferte per extremas gentis et ferte per undas,
   qua non ulla meum femina norit iter.                       30
Vos remanete, quibus facili deus annuit aure,
   sitis et in tuto semper amore pares.
In me nostra Venus noctes exercet amaras,
   et nullo vacuus tempore defit Amor.
Hoc, moneo, vitate malum: sua quemque moretur       35
   cura, neque_assueto mutet amore locum. (elisie)
Quod si quis monitis tardas adverterit auris,
   heu referet quanto verba dolore mea



Vertaling van Rudi van der Paardt,
gepubliceerd in het tijdschrift Maatstaf, Jaargang 30 (1982) (p. 65-72):

[Propertius] I, 1
Liefde voor Cynthia

De eerste die met ogenspel mij ving was Cynthia;
tevoren had nog nooit begeerte mij geraakt,
maar toen moest ik de hoogmoed van mijn blik verlagen;
mijn hoofd werd onder Amors voeten schier gekraakt,
totdat hij mij geleerd had ingetogen meisjes
te haten - schoft! - en voort te leven zonder lijn.
Echt, deze waanzin duurt nu al een heel jaar door,
hoewel ik weet dat alle goden tegen zijn.
Maar juist door geen labeur te ontwijken sloeg Milanion
de hardheid van de schuwe Atalante stuk.
Want nu eens dwaalde hij dwaas in 't stoere hooggebergte,
probeerde tegen ruige, wilde dieren zijn geluk,
dan lag hij weer terneergeslagen, door Hylaeisch
geweld gewond, te zuchten op een rots.
Zoveel vermogen bij de liefde daden en gebed:
bedwongen werd van deze snelle maagd de trots.
In mijn geval doet Amor niets en lijkt vergeten
de listen die hij vroeger steeds heeft toegepast.
Ach jullie, vrouwen, die de maan omlaag kunt krijgen,
en in het magisch vuur op goede uitslag vlast:
vooruit, wilt toch de houding van mijn lief veranderen
en maakt ook haar 't gezicht van wrange liefde bleek.
Dan zal ik grif geloven dat gezang uit Cytina
veranderen kan de loop van elke ster en beek.
En, jullie, vrienden, die 'n gevallen vriend te laat ophelpt,
zoekt ondersteuning voor een hart zo ongezond.
Wij zullen dapper 't ijzer en woest vuur verdragen,
mits vrijheid is vergund voor 't razen van de mond.
Brengt over golven mij en naar de verste landen,
zodat geen enkele vrouw de weg weet die ik ging.
Wie Amor heeft verleend een luisterend oor, die kunnen
in Rome veilig blijven in vereniging.
In mijn geval maakt Venus nachten lang en bitter,
en nooit is Amor weg, de boog is steeds paraat.
Vermijdt, is mijn advies, dit kwaad en laat een ieder
bij oude hartstocht blijven op vertrouwde plaats.
Maar als iemand, helaas, te laat mijn raad aanhoort,
gewordt hem veel verdriet, geloof mij op mijn woord.




II.

Quid iuvat ornato procedere, vita, capillo
   et tenuis Coa veste movere sinus,
aut quid Orontea crinis perfundere murra,
   teque peregrinis vendere muneribus,
naturaeque decus mercato perdere cultu,                       5
   nec sinere in propriis membra nitere bonis?
Crede mihi, non ulla tua est medicina figurae:
   nudus Amor formae non amat artificem.

Aspice quos summittat humus formosa colores,
   ut veniant hederae sponte sua melius,                       10
surgat et in solis formosius arbutus antris,
   et sciat indocilis currere lympha vias.
Litora nativis *persuadent* picta lapillis,
   et volucres nulla dulcius arte canunt.

Non sic Leucippis succendit Castora Phoebe,                  15
   Pollucem cultu non Hilaira soror;
non, Idae et cupido quondam discordia Phoebo,
   Eueni patriis filia litoribus;
nec Phrygium falso traxit candore maritum
   avecta externis Hippodamia rotis:                              20
sed facies aderat nullis obnoxia gemmis,
   qualis Apelleis est color in tabulis.
Non illis studium vulgo conquirere amantis:
   illis ampla satis forma pudicitia.

Non ego nunc vereor ne sim tibi vilior istis:                    25
   uni si qua placet, culta puella sat est;
cum tibi praesertim Phoebus sua carmina donet
   Aoniamque libens Calliopea lyram,
unica nec desit iucundis gratia verbis,
   omnia quaeque Venus, quaeque Minerva probat.         30
His tu semper eris nostrae gratissima vitae,
   taedia dum miserae sint tibi luxuriae.


Werkvertaling Kox:

Waarom vind je het fijn, mijn leven, met opgemaakt haar uit te gaan
en een jurk van fijne zijde uit Kos om je heen te laten golven,
of waarom je haar te overgieten met myrre van de Orontes
en jezelf te verkopen met artikelen uit het buitenland,
en de schoonheid van de natuur te vernietigen door gekochte opsmuk,
en je ledematen niet te laten stralen in hun eigen voortreffelijkheid?
Geloof mij, jouw verzorging van je uiterlijk is niets waard:
Amor, naakt, houdt niet van de kunstenmaker van schoonheid.

Kijk welke kleuren de prachtige aarde omhoog stuurt,
hoe klimop uit eigen beweging beter opkomt,
en de moerbei mooier oprijst in verlaten bergland,
en water zonder les zich wegen weet te banen.
Stranden met het mozaiek van hun natuursteentjes *overtuigen*,
en vogels zingen aangenamer zonder enige kunst.

Niet zo zette Leucippus' dochter Phoebe Castor in vuur en vlam,
(en) haar zus Hilaira Pollux (ook) niet door opsmuk;
niet (zij), (die) eens de (oorzaak van de) ruzie van Idas en de verlangende Phoebus (was),
de dochter op de oevers van haar vader Euenus;
en niet door valse stralende schoonheid trok zij haar Phrygische echtgenoot,
Hippodamia, weggevoerd op een wagen uit het buitenland;
maar zij hadden een schoonheid, niet van edelstenen afhankelijk,
een kleur, zoals die in de schilderijen van Apelles is.
Zij hadden niet de wil van overal vandaan minnaars bij elkaar te zoeken,
voor hen was kuisheid ruim voldoende schoonheid.

Nu ben ik niet bang, dat ik jou minder waard ben dan die (andere minnaars van je):
(maar) als een meisje aan één man bevalt, is zij voldoende opgesmukt;
vooral omdat Phoebus jou zijn liederen schenkt,
en de Muze Calliopea graag haar Aonische lier,
en een bijzondere charme niet ontbreekt aan jouw aangename woorden, 
(en jij beschikt over) alle dingen die Venus en alle dingen die Minerva goedkeurt.
Hierdoor zul jij altijd mijn leven zeer geliefd zijn,
als je maar schoon genoeg hebt van die ellendige luxeprodukten.


Commentaar:

In dit gedicht adviseert de dichter zijn lief om geen kunstmatige middelen (cosmetica, kleding, sieraden) te gebruiken, maar genoegen te nemen met haar natuurlijke schoonheid. De natuur is mooi zonder fratsen, mythologische heldinnen waren ook mooi zonder flesjes en kettinkjes.
Aan een kant is het gedicht een compliment voor Cynthia's schoonheid, aan de andere kant bekritiseert het haar, omdat zij kennelijk graag aan meer mannen wil bevallen.
r. 3: Orontea ... murra: Orontea is een adiectivum, 'Orontisch'. De Orontes was een rivier in Syria; uit Syria kwamen exclusieve parfums.
r. 7: tua: Camps en Goold lezen in plaats van tua tuae. De betekenis is dan: Er is geen enkel medicina voor jouw uiterlijk, er is geen middel dat jouw schoonheid kan vergroten. Kox heeft moeite met deze interpretatie van het woord medicina.
r. 8: Goold leest formam (> artificem): Amor houdt niet van kunstmatige schoonheid. Een aantrekkelijke coniectuur van Heinsius.
r. 9: formosa: Goold leest non fossa, zonder dat zij (de aarde) bewerkt wordt, een coniectuur van Skutch. Deze woorden passen beter in de kontekst van de tegenstelling tussen natuur en cultuur, maar ja, formosa levert geen onzin op.
r. 11: in solis ... antris: d..w.z. zonder enige verzorging
r. 13:
Litora nativis *persuadent* picta lapillis: de nativis lapillis zijn de schelpen die het strand mooi maken om te zien. persuadent zou zoiets moeten betekenen: mooi maken om te zien, maar dat is toch wel een vreemde betekenis voor het werkwoord. Goold leest praegaudent, een coniectuur van Otto, en vertaalt: Shores are happiest when painted with natural pebbles. Maar de stranden zijn niet blij, ze maken blij. Dus Kox suggereert: delectant. 
r. 15-16: Phoebe en Hilaira waren de dochters van Leucippus,
de legendarische koning van Messenia. Castor en Pollux vochten om hen met de zonen van Aphareus, Lynceus en Idas.
r. 17-18: Euenus had een dochter Marpessa. Idas ging er met haar vandoor, Euenus achtervolgde hen, viel in een rivier (in Aetolia) en verdronk, waarna de rivier naar hem werd genoemd. Later wilde Apollo haar graag en kreeg daar uiteraard ruzie over met Idas. Juppiter liet haar kiezen, en zij koos voor de man, en niet voor de god, omdat hij samen met haar oud zou worden. Verstandig kind!
r. 19-20: Mannen die met Hippodamia wilden trouwen, de dochter van Oenomaus, koning van Elis, moesten met hem een wagenrace houden. Verloren ze, dan werden ze gedood. Pelops, afkomstig uit Phrygia, haalde de monteur van Oenomaus over om sabotage te plegen. De monteur haalde een schroefje uit de wagenas, en tijdens de race verloor de wagen een wiel, waardoor Oenomaus dodelijk verongelukte. Pelops, de winnaar, kreeg Hippodamia - en het koninkrijk: maar avecta in regel 20 suggereert, dat zij weg gingen.
r. 22: Apelleis: adiectivum bij Apelles: Apelles was een beroemde schilder, uit Cos, 4e eeuw voor Christus.
r. 25: sim tibi: aantrekkelijke coniectuur van Wehle: sis tibi: de vertaling wordt dan: dat jij je zelf minder waard vindt dan die (mythische vrouwen)
r. 27: Phoebus: Apollo is de god van de muziek.
r. 28: Aoniam: Aonia = Boeotië, waar de Muzen wonen; hierbij het adiectivum Aonius.
        Calliopea: de Muze van het epos, later: in Propertius' tijd waren de Muzen nog niet zo
                       gespecialiseerd  (zegt Camps).
r. 30: Cynthia heeft alles wat Venus waardeert (schoonheid, seksuele aantrekkingskracht), maar ook alles wat Minerva belangrijk vindt (spinnen, weven, lezen, spreken, verstandig zijn).


Metriek:

Quid iuvat ornato procedere, vita, capillo
   et tenuis Coa veste movere sinus,
aut quid Orontea crinis perfundere murra,
   teque peregrinis vendere muneribus,
naturaeque decus mercato perdere cultu,                       5
   nec sinere_in propriis membra nitere bonis?
Crede mihi, non ulla tua_est medicina figurae:
   nudus Amor formae non amat artificem.
Aspice quos summittat humus formosa colores,
   ut veniant hederae sponte sua melius,                       10
surgat et in solis formosius arbutus antris,
   et sciat indocilis currere lympha vias.
Litora nativis *persuadent* picta lapillis,
   et volucres nulla dulcius arte canunt.
Non sic Leucippis succendit Castora Phoebe,                  15
   Pollucem cultu non Hilaira soror;
non, Idae_et cupido quondam discordia Phoebo,
   Eueni patriis filia litoribus;
nec Phrygium falso traxit candore maritum
   avecta_externis Hippodamia rotis:                              20
sed facies aderat nullis obnoxia gemmis,
   qualis Apelleis est color in tabulis.
Non illis studium vulgo conquirere_amantis:
   illis ampla satis forma pudicitia.
Non ego nunc vereor ne sim tibi vilior istis:                    25
   uni si qua placet, culta puella sat est;
cum tibi praesertim Phoebus sua carmina donet
   Aoniamque libens Calliopea lyram,
unica nec desit iucundis gratia verbis,
   omnia quaeque Venus, quaeque Minerva probat.         30
His tu semper eris nostrae gratissima vitae,
   taedia dum miserae sint tibi luxuriae.



Vertaling van Rudi van der Paardt,
gepubliceerd in het tijdschrift Maatstaf, Jaargang 30 (1982) (p. 65-72):

[Propertius] I, 2
Liever echt dan namaak

Waarom wil jij, mijn schat, met opgestoken haren
en in een doorkijkbloes gaan wandelen over straat?
Waarom smeer jij je vol met mirre uit het oosten
en pronk je met zo'n kostbaar ingevoerd gewaad?
Waarom wil jij natuur vervangen door onechtheid
en gun je het lichaam niet zijn ongekochte glans?
Geloof me, jouw figuur valt heus niet te verbeteren:
de naakte Amor geeft gekunsteldheid geen kans.
Zie welk een kleurenpracht de schone aarde voortbrengt,
klimop gedijt pas goed, als hij de vrijheid heeft;
veel mooier groeit de moerbeiboom bij verre grotten,
het water loopt het best wanneer je 't ruimte geeft.
De kust trekt onze blik door 'n mozaiek van... schelpen;
het vogelkoor klinkt fraai - 't is niet geïnstrueerd!
Juist zonder al die praal won Phoebe 't hart van Castor
en heeft haar zus Hilaira Pollux gecharmeerd.
't Verging Euenus' dochter, Phoebus' keus en Idas',
op 't vaderlijke strand precies op die manier.
Door Pelops weggevoerd is niet Hippodameia
vanwege haar blanketsel - dat deed hem geen zier!
Zoals Apelles glans verleende aan schilderijen,
zo straalde aller schoonheid - zonder edelsteen;
hun minnaars vingen zij heel anders dan temeies,
bij haar voldeed de ingetogenheid alleen.
Bevreesd hoef ík nu niet te zijn dat jij de voorkeur
aan and'ren geeft: door mij ben jij genoeg geëerd.
Vooral daar Phoebus jou de gave gaf te zingen,
en ook de Muze graag je 't lierspel heeft geleerd.
De woorden die je spreekt zijn altijd leuk en geestig,
prestaties lever jij met spinnen en in bed.
Zolang ik leef, blijf jij voor mij hierdoor de liefste,
maar doe dan ook in godsnaam niet gewild koket.



III.

Qualis Thesea iacuit cedente carina
   languida desertis Cnosia litoribus;
qualis et accubuit primo Cepheia somno
   libera iam duris cotibus Andromede;
nec minus assiduis Edonis fessa choreis                      5
   qualis in herboso concidit Apidano;
talis visa mihi mollem spirare quietem
   Cynthia non certis nixa caput manibus,
ebria cum multo traherem vestigia Baccho,
   et quaterent sera nocte facem pueri.                       10

Hanc ego, nondum etiam sensus deperditus omnis
   molliter impresso conor adire toro;
et quamvis duplici correptum ardore iuberent
   hac Amor hac Liber, durus uterque deus,
subiecto leviter positam temptare lacerto                    15
   osculaque admota sumere et arma manu,
non tamen ausus eram dominae turbare quietem,
   expertae metuens iurgia saevitiae;
sed sic intentis haerebam fixus ocellis,
   Argus ut ignotis cornibus Inachidos.                         20

Et modo solvebam nostra de fronte corollas
   ponebamque tuis, Cynthia, temporibus;
et modo gaudebam lapsos formare capillos;
   nunc furtiva cavis poma dabam manibus;
omniaque ingrato largibar munera somno,                   25
   munera de prono saepe voluta sinu;
et quotiens raro duxti suspiria motu,
   obstupui vano credulus auspicio,
ne qua tibi insolitos portarent visa timores,
   neve quis invitam cogeret esse suam:                      30

donec diversas praecurrens luna fenestras,
   luna moraturis sedula luminibus,
compositos levibus radiis patefecit ocellos.
Sic ait in molli fixa toro cubitum:
'Tandem te nostro referens iniuria lecto                       35
   alterius clausis expulit e foribus?
Namque ubi longa meae consumpsti tempora noctis,
   languidus exactis, ei mihi, sideribus?
O utinam talis perducas, improbe, noctes,
   me miseram qualis semper habere iubes!                 40
Nam modo purpureo fallebam stamine somnum,
   rursus et Orpheae carmine, fessa, lyrae;
interdum leviter mecum deserta querebar
   externo longas saepe in amore moras:
dum me iucundis lapsam sopor impulit alis.                 45
   Illa fuit lacrimis ultima cura meis.' 


Werkvertaling Kox:

Zoals het meisje uit Knossos moe op het verlaten strand lag,
terwijl het schip van Theseus wegvoer;
en zoals in haar eerste slaap de dochter van Cepheus lag,
Andromeda, eindelijk vrij van de harde rotsen;
en niet minder zoals een Thracische, vermoeid door voortdurende dansen,
neervalt aan de grasrijke Apidanus:
zo scheen Cynthia mij een zachte rust te ademen,
haar hoofd gesteund op haar ontspannen handen,
toen ik moeizaam door veel wijn dronken voetstappen zette,
en mijn slaven in de late nacht de fakkels schudden.

Nog niet al mijn zinnen kwijt probeer ik bij haar
te komen, zacht leunend op het bed;
en hoewel ik was gegrepen door een dubbele gloed en het bevel kreeg
hier van Amor, daar van Bacchus, beiden harde goden,
voorzichtig mijn arm onder haar te schuiven, terwijl zij zo lag, en iets te proberen
en mijn hand te gebruiken om haar te kussen en te strelen,
durfde ik toch niet de rust te verstoren van mijn geliefde,
bang voor de verwijten van een agressie, die ik eerder had meegemaakt;
maar met zo ingespannen ogen bleef ik op haar gefixeerd,
als Argus op de vreemde nieuwe hoorns van Inachus' dochter.

En nu maakte ik de kransen van mijn voorhoofd los
en plaatste ze op jouw slapen, Cynthia,
en dan had ik er plezier in jouw losgeraakte haren in orde te maken,
nu gaf ik met holle handen steelse appeltjes;
en al die geschenken schonk ik aan een ondankbare slaap, 
geschenken, die vaak omlaag rolden van je hellende borsten;
en wanneer je af en toe bewoog en zuchten slaakte,
geloofde ik in een leeg voorteken en hield mijn adem in van angst,
dat een of ander droombeeld jou abnormale angsten bracht,
of dat iemand je tegen je zin dwong de zijne te zijn;

totdat de maan, die langs de vensters ging,
de opdringerige maan, met haar licht dat graag wilde blijven,
met haar zachte stralen Cynthia's ogen openmaakte.
Zo sprak zij, haar elleboog steunend op het zachte bed:
'Heeft geweld, dat jou tenslotte terugbrengt naar mijn bed,
je weggejaagd van de gesloten deuren van een ander?
Want waar heb je de lange tijd(en) van mijn nacht doorgebracht,
moe nu de sterren, ach mij, al zijn voorbijgegaan?
O, ik hoop dat je net zulke nachten doormaakt, vuilak,
als je mij ongelukkige altijd dwingt te hebben!
Want nu eens bedroog ik de slaap door purperen draden (te spinnen),
dan weer, terwijl ik doodop was, door de muziek van de lier van Orpheus;
af en toe klaagde ik zachtjes bij mij zelf in mijn verlatenheid,
dat het vaak lang wachten is in een externe liefde:
totdat met zijn heerlijke vleugels de slaap mij om deed vallen.
Dat was de laatste zorg voor mijn tranen.' 


Commentaar:

r. 1: Thesea en r. 2: Cnosia: Ariadne, de dochter van koning Minos van Knossos op Kreta, hielp Theseus, de zoon van koning Aegeus van Athene, om te ontsnappen uit het labyrint. Zij vluchtten samen weg van Kreta, maar later liet Theseus haar achter op Naxos (waar zij werd opgepikt door Dionysus).
r. 3-4: Andromeda, dochter van koning Cepheus van Ethiopia, was vastgeketend aan een rots om door een zeemonster te worden opgegeten, maar werd net op tijd door Perseus gered, met wie zij daarna in het huwelijk trad.
r. 5: Edonis: nom. sing. fem.: een Thracische vrouw; de Edones (of Edoni) waren een volk in Thracia. Denk bij eenThracische die danst aan een Bacchante.
r. 6: Apidano: de Apidanus was een rivier in Thessalia.
r. 8: non certis: consertis coni. Guyet; betekenis: samengevouwen, (met de handen) in elkaar. Goold kiest voor deze conjectuur en vertaalt: her head pillowed on a cushion of her hands. Als je zo graag mooi wil doen, Goold, schrijf dan zelf gedichten!
r. 9: Baccho: de god van de wijn > de wijn zelf
r. 10: de slaven moeten de fakkels schudden om ze brandend te houden; het is zo laat, dat ze bijna zijn opgebrand.
r. 16: Goold accepteert de conjectuur van Scaliger en leest: osculaque admota sumere tarda manu; en hij vertaalt: 'bringing up my hand, to steal belated kisses'. sumere arma: letterlijk: de wapens opnemen, het gevecht beginnen. De militaire term is een metafoor voor het bedrijven van de liefde.
r. 18: expertae: het ppp van het deponens experiri is hier passief gebruikt.
r. 20: Argus ... Inachidos: Argus is het monster met honderd ogen, dat in opdracht van Hera Io, de dochter van inachus bewaakt, nadat die door Jupiter in een koe is veranderd.
Inachidos: Griekse genitivus van Inachis: dochter van Inachus.
r. 25: largibar = largiebar; alternatieve vorm, die metrisch handig is.
r. 31: diversas: ? Kox weet het niet. Camps geeft drie mogelijke interpretaties: 1. de open ramen, ramen waarvan de luiken open zijn gezet. 2. de verschillende ramen, omdat er ramen zijn in twee of meer muren. 3. de ramen tegenover het bed.
r. 35-36: 'Je bent zeker door een ander op straat gezet, dat je nu  weer terug naar mij komt?'
r. 37: meae ... noctis: = de nacht die je bij mij had moeten zijn.
r. 44: externo ... in amore: ? externus betekent 'aan de buitenkant, van buiten' of ' vreemd, buitenlands'. Daar kan Kox hier niet veel mee. Camps vertaalt r. 44 als volgt: ' the long hours you spend so often with your other favourites'. Leuk bedacht, maar kan het Latijn dat echt betekenen? Voor Goold geldt hetzelfde, wanneer hij vertaalt: 'in unmarried love waiting is often long'. Misschien 'een liefde voor iemand, die niet in hetzelfde huis woont'? Tenslotte: Kox vindt aeterno wel een geinige gok.
r. 46:=  'Dat was waar mijn tranen zich het laatst mee bezig hielden.' = 'Ik huilde mezelf in slaap.'
Vergelijk de regels 35-46 met de regels 17-44 van XVI: zij vormen inhoudelijk het ongekeerde.
Er zit wel humor in dit gedicht. Het contrast tussen de verliefdheid, waarmee de dichter naar zijn lief kijkt en het moment dat zij wakker wordt en hem de mantel uit begint te vegen is komisch. Haar zelfmedelijden is ook grappig: Cynthia beweert bijna de hele nacht wakker te zijn gebleven en brave dingen te hebben gedaan, spinnen, musiceren, mijmeren, terwijl de dichter al lange tijd bij haar zit en weet, dat ze al die tijd slaapt als een os. Dat het terecht is, dat de dichter haar bij thuiskomst niet wakker durft te maken uit angst voor verwijten (r. 17) blijkt uit de regels 35-36, waar hij die verwijten alsnog ontvangt.


Metriek:

Qualis Thesea iacuit cedente carina
   languida desertis Cnosia litoribus;
qualis et accubuit primo Cepheia somno
   libera iam duris cotibus Andromede;

etc.




IV.

Quid mihi tam multas laudando, Basse, puellas
   mutatum domina cogis abire mea?
Quid me non pateris vitae quodcumque sequetur
   hoc magis assueto ducere servitio?
Tu licet Antiopae formam Nycteidos, et tu                5
   Spartanae referas laudibus Hermionae,
et quascumque tulit formosi temporis aetas;
   Cynthia non illas nomen habere sinat:
nedum, si levibus fuerit collata figuris,
   inferior duro iudice turpis eat.                             10
Haec sed forma mei pars est extrema furoris;
   sunt maiora, quibus, Basse, perire iuvat:
ingenuus color et multis decus artibus, et quae
   gaudia sub tacita dicere veste libet.
Quo magis et nostros contendis solvere amores,      15
   hoc magis accepta fallit uterque fide.
Non impune feres: sciet haec insana puella
   et tibi non tacitis vocibus hostis erit;
nec tibi me post haec committet Cynthia nec te
   quaeret; erit tanti criminis illa memor,                  20
et te circum omnis alias irata puellas
   differet: heu nullo limine carus eris.
Nullas illa suis contemnet fletibus ara,
   et quicumque sacer qualis ubique lapis.
Non ullo gravius temptatur Cynthia damno               25
   quam sibi cum rapto cessat amore decus:
praecipue nostri. Maneat sic semper, adoro,
   nec quicquam ex illa quod querar inveniam!


Werkvertaling Kox:

...


Commentaar:


Metriek:

Quid mihi tam multas laudando, Basse, puellas
   mutatum domina cogis abire mea?
Quid me non pateris vitae quodcumque sequetur
   hoc magis assueto ducere servitio?
etc




V.

Invide, tu tandem voces compesce molestas
   et sine nos cursu, quo sumus, ire pares!
Quid tibi vis, insane! Meos sentire furores?
   Infelix, properas ultima nosse mala,
et miser ignotas vestigia ferre per ignis,                5
   et bibere e tota toxica Thessalia.
Non est illa vagis similis collata puellis:
   molliter irasci non sciet illa tibi.
Quod si forte tuis non est contraria votis,
   at tibi curarum milia quanta dabit!                     10
Non tibi iam somnos, non illa relinquet ocellos:
   illa feros animis alligat una viros.
A, mea contemptus quotiens ad limina curres,
   cum tibi singultu fortia verba cadent,
et tremulus maestis orietur fletibus horror,            15
   et timor informem ducet in ore notam,
et quaecumque voles fugient tibi verba querenti,
   nec poteris, qui sis aut ubi, nosse miser!
Tum grave servitium nostrae cogere puellae
   discere et exclusum quid sit abire domum;         20
nec iam pallorem totiens mirabere nostrum,
   aut cur sim toto corpore nullus ego.
Nec tibi nobilitas poterit succurrere amanti:
   nescit amor priscis cedere imaginibus.
Quod si parva tuae dederis vestigia culpae,            25
   quam cito de tanto nomine rumor eris!
Non ego tum potero solacia ferre roganti,
   cum mihi nulla mei sit medicina mali;
sed pariter miseri socio cogemur amore
   alter in alterius mutua flere sinu.                       30


Werkvertaling Kox:

...


Commentaar:

...


Metriek:

Invide, tu tandem voces compesce molestas
   et sine nos cursu, quo sumus, ire pares!
Quid tibi vis, insane! Meos sentire furores?
   Infelix, properas ultima nosse mala,
etc




VI.

Non ego nunc Hadriae vereor mare noscere tecum,
   Tulle, neque Aegaeo ducere vela salo,
cum quo Rhipaeos possim conscendere montis
   ulteriusque domos vadere Memnonias;
sed me complexae remorantur verba puellae,            5
  mutatoque graves saepe colore preces.
Illa mihi totis argutat noctibus ignis,
   et queritur nullos esse relicta deos;
illa meam mihi iam se denegat, illa minatur,
   quae solet ingrato tristis amica viro.                      10
His ego non horam possum durare querelis:
   a pereat, si quis lentus amare potest!
An mihi sit tanti doctas cognoscere Athenas
   atque Asiae veteres cernere divitias,
ut mihi deducta faciat convicia puppi                        15
   Cynthia et insanis ora notet manibus,
osculaque opposito dicat sibi debita vento,
   et nihil infido durius esse viro?
Tu patrui meritas conare anteire securis,
   et vetera oblitis iura refer sociis.                           20
Nam tua non aetas umquam cessavit amori,
   semper at armatae cura fuit patriae;
et tibi non umquam nostros puer iste labores
   afferat et lacrimis omnia nota meis!
Me sine, quem semper voluit fortuna iacere,             25
   hanc animam extremae reddere nequitiae.
Multi longinquo periere in amore libenter,
   in quorum numero me quoque terra tegat.
Non ego sum laudi, non natus idoneus armis:
   hanc me militiam fata subire volunt.                     30
At tu seu mollis qua tendit Ionia, seu qua
   Lydia Pactoli tingit arata liquor;
seu pedibus terras seu pontum carpere remis
   ibis, et accepti pars eris imperii:
tum tibi si qua mei veniet non immemor hora,          35
   vivere me duro sidere certus eris.


Werkvertaling Kox:

...


Commentaar:

...


Metriek:

Non ego nunc Hadriae vereor mare noscere tecum,
   Tulle, neque_Aegaeo ducere vela salo,
cum quo Rhipaeos possim conscendere montis
   ulteriusque domos vadere Memnonias;
etc




VII.

Dum tibi Cadmeae dicuntur, Pontice, Thebae
   armaque fraternae tristia militiae,
atque, ita sim felix, primo contendis Homero,
   (sint modo fata tuis mollia carminibus:)
nos, ut consuemus, nostros agitamus amores,             5
   atque aliquid duram quaerimus in dominam;
nec tantum ingenio quantum servire dolori
   cogor et aetatis tempora dura queri.
Hic mihi conteritur vitae modus, haec mea fama est,
   hinc cupio nomen carminis ire mei.                         10
Me laudent doctae solum placuisse puellae,
   Pontice, et iniustas saepe tulisse minas;
me legat assidue post haec neglectus amator,
   et prosint illi cognita nostra mala.
Te quoque si certo puer hic concusserit arcu               15
   (quod nolim nostros, heu, voluisse deos),
longe castra tibi, longe miser agmina septem
   flebis in aeterno surda iacere situ;
et frustra cupies mollem componere versum,
   nec tibi subiciet carmina serus amor.                      20
Tum me non humilem mirabere saepe poetam,
   tunc ego Romanis praeferar ingeniis;
nec poterunt iuvenes nostro reticere sepulcro
   'Ardoris nostri magne poeta, iaces.'
Tu cave nostra tuo contemnas carmina fastu:
   saepe venit magno faenore tardus amor.


Werkvertaling Kox:

...


Commentaar:

...


Metriek:

Dum tibi Cadmeae dicuntur, Pontice, Thebae
   armaque fraternae tristia militiae,
atque,_ita sim felix, primo contendis Homero,
   (sint modo fata tuis mollia carminibus:)
etc



VIIIA.

Tune igitur demens, nec te mea cura moratur?
   An tibi sum gelida vilior Illyria?
Et tibi iam tanti, quicumque est, iste videtur,
   ut sine me vento quolibet ire velis?
Tune audire potes vesani murmura ponti                  5
   fortis, et in dura nave iacere potes?
Tu pedibus teneris positas fulcire pruinas,
   tu potes insolitas, Cynthia, ferre nives?
O utinam hibernae duplicentur tempore brumae,
   et sit iners tardis navita Vergiliis,                         10
nec tibi Tyrrhena solvatur funis harena,
   neve inimica meas elevet aura preces!
Atque ego non videam tali sub sidere ventos,
   cum tibi provectas auferet unda ratis,
ut me defixum vacua patiatur in ora                       15
   crudelem infesta saepe vocare manu!
Sed quocumque modo de me, periura, mereris,
   sit Galatea tuae non aliena viae:
utere felici praevecta Ceraunia remo;
   accipiat placidis Oricos aequoribus.                      20
Nam me non ullae poterunt corrumpere, de te
   quin ego, vita, tuo limine vera querar;
nec me deficiet nautas rogitare citatos
   'Dicite, quo portu clausa puella mea est?',
et dicam 'Licet Atraciis considar in oris,                   25
   et licet Hylaeis, illa futura mea est.'


Werkvertaling Kox:

...


Commentaar:

...


Metriek:

Tune_igitur demens, nec te mea cura moratur?
   An tibi sum gelida vilior Illyria?
Et tibi iam tanti, quicumque_est, iste videtur,
   ut sine me vento quolibet ire velis?
etc




Bibliografie

W.A. Camps: Propertius, Elegies, Book I, Cambridge 1961, First Paperback Edition 1977.
G.P. Goold: Propertius (Loeb Classical Library Edition), Revised Edition 1999.
[Goold geeft in zijn editie heel vaak de voorkeur aan coniecturen boven de overgeleverde tekst, in Kox'  ogen te vaak.]