De Tweelingbroeders.

Jambische bewerking van Plautus' Menaechmi.
Door
Louis Couperus.

Van een inleiding, aantekeningen en een nawoord voorzien
door Rudi van der Paardt

Martinus Nijhoff / 's-Gravenhage, 1982

(Reeks: Nieuwe vormen
Vertalingen en bewerkingen van Griekse
en Latijnse teksten)



Inleiding

Plautus en zijn Menaechmi

Van de levensloop van Plautus, wel de vader van de Europese komedie genoemd, is ons weinig met zekerheid bekend. Zelfs zijn volledige naam staat niet vast, maar men neemt algemeen aan dat hij Titus Macc(i)us Plautus heette. Als zovele beroemde Romeinse literatoren kwam hij uit de provincie: even voor 250 v. Chr. is hij te Sarsina in Umbri geboren. Mogen wij Aulus Gellius' anekdotisch relaas geloven (Noctes Atticae 3, 14), dan was Plautus in redelijk goede doen geraakt door "werk aan het toneel"(dit betekent waarschijnlijk "als acteur"), verloor hij het verdiende geld in de handel, en probeerde hij dit terug te verdienen als molenaarsknecht. In die omstandigheden schreef Plautus drie stukken (twee worden met name genoemd: Saturio en Addictus), waarmee hij zoveel succes had, dat hij van de pen kon gaan leven. Enigszins duister blijft in deze overlevering de vraag hoe Plautus Grieks heeft kunnen leren. Zijn stukken, geschreven van ongeveer 215 tot 184, het jaar van zijn dood, zijn namelijk adaptaties van Griekse stukken uit de Nieuwe Komedie (Menander, Philemon, Diphilus). Men veronderstelt wel dat hij in de kring van gevestigde literaten Livius Andronicus (die de Odyssee in het Latijn vertaalde) en de veelzijdige Naevius Grieks heeft geleerd en zich ook de Latijnse verstechniek eigen heeft gemaakt.
...


De Tweelingbroeders

Jambische bewerking van Plautus' Menaechmi.

Door

Louis Couperus.
________________

Dramatis Personae

Menaechmus, de Geroofde.
Menaechmus Sosicles.
Schuier, parasiet.
Cylindrus, kok.
Messenio, slaaf.
Erotium, deerne.
Vrouw van Menaechmus, de Geroofde.
Slaaf.
Slavin.
Grijsaard.
Dokter.
Matrozen, slaven.

Het tooneel stelt voor een straat te Epidamnus. Ter eene zijde is het huis van Menaechmus, den Geroofde; ter andere zijde het huis van de deerne Erotium.

PROLOGUS.

Aan mij, aan , o toeschouwers, wensch ik
Goede gezondheid en geluk; dat is mijn
Begin. Ik voer u Plautus voor, niet zoo
Maar in mijn hand, 'k voer hem u voor ter tng.
Ik bid u, hoor mij met goedgunstig oor aan.
Hoor aan mijn argument, neem in u op
De stof dezer komedie, die ik in
Weinige woorden u zeggen zal. De dichters
Nemen meestal aan, dat de hand'ling hunner
Blijspelen voor valt in Athene opdat
't U zoo wat Griksch toe lijkt. Ik zal u, zonder
Doekjes er om te winden, zeggen waar
Onz' handeling voor valt. Is dus 't onderwerp
Toch nog wel Grieksch, Atheensch bepaald zal 't niet zijn.
't Is meer ver-sicilianizeerd. Nu zal 'k na
Het woord-vooraf, de heele intrigue u geven.
En dat net met en maatje of met drie maatjes
Maar met een heele voorraadschuur geledigd:
Zoo mild zal 'k met vertellen zijn. Er was dan
In Syracuze een koopman, al bejaard,
Die had tweelingen, maar die tweelingbrortjes
Geleken zoo sprekend elkar, dat hunne
Voedster, zelfs aan haar borst, niet onderscheiden
Kon wie was wie en ook hun moeder niet.
't Is mij verteld door iemand, die de jochies
Gezien heeft. Ik wil 'r niet op zweren want
Ik heb ze niet gezien. Toen nu de ventjes
Zeven jaar telden, belaadde de vader
Een groot schip met veel handelswaar en nam
En van zijn zoontjes me naar Trentum,
Waar 't markt was; 't andre kereltje bleef bij
Zijn moeder thuis. Er waren feeste' en spelen
Te Trentum, toen ze er aan kwamen en
Duizende vreemdelingen stroomden toe.
Het kind verdwaalde ver van vader tusschen
De menigte en werd door een Epidamnir,
Een koopman, opgenomen, die het me nam
Naar Epidamnus. Maar de vader, toen
Hij 't kind verloren had, stierf van verdriet, na
Weinige dagen te Epidamnus. Toen nu
Dit werd gemeld te Syracuze
aan den
Grootvader - dat het kind vermoedlijk was
Geroofd geworden, en de vader was
Gestorven - gaf de grootvader den naam van
't Verloren brortje aan 't andre kind: zoo veel
Hield hij van 't eerste; 't andre noemde hij dus
Menaechmus, zoo als 't eerste heette en ok hij
Zlve. Ik heb dien naam gemakklijk kunnen
Onthouden want ik was aanwezig toen 't kind
Met veel lawaai eens werd vermaand. Vergist u
U niet: de beide broers heetten Menaechmus.
Nu gaan we, rts!, naar Epidamnus om
U alles uit te leggen. Indien dus en
Van u een boodschap heeft voor iemand in
Durazzo (want Durazzo is het oude
Epidamnus) kan hij die mij opdragen,
En zonder complimenten, maar moet me eerst
't Geld geven voor die boodschap; znder 't geld
Blijft 't maar bij praatjes en ... geeft hij mij 't geld,
Dan wordt het nog veel erger ...! Maar ik keer
Terug van waar ik uit ging en we blijven
Er nu: te Epidamnus. Wel, die koopman
Van wien 'k u sprak, die 't eene kind geroofd had,
Was rijk maar kinderloos en nam 't geroofde
Knaapje als zijn zoon aan, deed hem trouwen met
Een rijke vrouw, benoemde 'm tot zijn erfg'naam,
En stierf. Zijn erfg'naam erfde een grot vermogen.
Nu komt zijn tweelingbror, die immers woont
In Syracuze, te Epidamnus, met
Zijn slaaf, hem zoeken. Dus, de stad, die gij
Hier ziet, is Epidamnus, zoo lang als
Dit stuk duurt; voor een ander stuk stelt zij
Een ndre stad voor, zoo als in den troep
De komedianten ook telkens een ander
Zijn: nu eens waard van een berucht huis, dan
Grijsaard of jongling, beedlaar, koning, ook wel
Soms kwakzalver of tafelschuimer ....

Eerste tooneel.
Schuier.

Schuier.
De jeugd gaf mij een bijnaam, Schuier; als
Ik eet, is dadelijk de tafel f-
Geschuierd. Men belast gevangnen met
Ketenen zwaar, men legt gevluchte slaven
Voetboeien aan: 't is alles dwaasheid, als ik
Mijn meening zeggen mag. Als een rampzaal'ge
Meerderen ramp wordt toegevoegd, wordt grooter
In hem de lust te vluchte' en kwaad te doen.
Hij zal zich uit zijn keetnen weten los
Te maken op welke wijze ook; zijn voetboei
Doorvijlt hij 'n ring en met een steen rukt hij
De spijkers los: 't geeft all'maal niets. Wien gij
Zo, dat hij nooit kan vluchten, keetnen wilt,
Dien moet ge boeien met zijn natje en droogje.
Bind met zijn bakkes vast de vent op 'n tafel,
Die rijk belade' is. Als gij hem voorziet
Van ete' en drinken, daaglijks, naar zijn lust,
Bij Pollux, nooit zal hij dan aan de haal gaan,
Al wacht hem ook de doodstraf. Heel gemaklijk
Zult g' hem gevangen houden in die boeien.
Lenige boeien zijn het: des te wijder
Gij ze aanlegt, des te vaster drukken zij.
Daar heb je mij. 'k Ben toegewezen aan
Menaechmus, opdat hij mij knevelt. Di man
Vodt niet zijn gasten: neen, hij kweekt ze op
En maakt ze levensblij: er is geen beetre
Artsenij dan zijn tafel en die kerel
Is zelf een goede schranser; 't lijken wel
Bij hem steeds eetfeesten, gewijd aan Ceres,
Zoo rijklijk is zijn disch voorzien, zoo lekkre
Pastijen rijzen van zijn tafel op:
Staan moet je op 't aanligbed, wil jij de top
Er van bereiken. Maar ... veel dagen heb ik
Dat moeten missen: 'k heb mij moeten op
Sluiten te huis, met wat mij liefst is: wt mij
Liefst is, is wat ik eet en drink maar 't was
Nu alles p! Daar zie 'k Menaechmus, hij
Opent de deur ... !

Tweede tooneel.
Menaechmus; (later) Schuier.

Menaechmus (spreekt tot zijn vrouw, wier hoofd men in de geopende deur ziet.)
Ja, zoo jij niet een dwaasrik en een domrik,
'n Kip zonder kop, een ongetemde feeks
Waart, zo jo haatlijk zijn wat haatlijk aan
Jou man is! Zoo jij na deez' dag ooit wer
Doet als jij deedt, zet ik je buiten, hoor,
En mag je naar je var toe! Als ik uit
Wil gaan, ho jij me vast, roept mij terug,
Vraagt waar 'k naar toe ga, wat 'k van plan te doen
Ben, wat mijn zaken zijn, wat 'k in mijn zak
Heb! 't Lijkt, voorwaar, wel of 'k een tolbeambte
Heb in mijn huis gevoerd, die telkens uit vraagt
Wat 'k doe en deed en heb gedaan en doen zal!
'k Ben veel te goed voor jou geweest, wijf; 'k heb
Je 't nooit ontbreken laten aan slavinnen,
Eten en drinken, wol, goud, purper, kleren:
Pas jij n op, versta je: ho je man
In eer en weet, opdat jij 'm niets verwijten
Kan, dat hij naar een meid gaat om met die
Meid ergens te nachtbraken! 't Ga je goed. (vrouw verdwijnt).

Schuier (komt op, ter zij).
Ai, zoo die vent kwaad zijn vrouw toe spreekt, spreekt
Hij erger mij toe; zoo die buitenshuis
Spijst, straft hij mij, niet hr, want spijs ik niet!

Menaechmus.
Bij Herk'les, 'k joeg mijn wijf de deur in! Waar
Zijn alle lustige getrouwde jongens?
Ze mogen wel me een mooi ding, ieder, geven
En, llen, mij geluk wenschen, omdat
'k Vocht als een leeuw voor ons goed recht! En kijk eens!
(Hij slaat zijn toga open en vertoont zich in een vrouwepalla.)
Deez' palla gapte ik van mijn vrouw weg en
Zal ik mijn meid vereeren! Zoo moet je aan
Een al te waakzame eg mores leeren!
Dat is pas mooi, dat is pas knap, dat is
Pas fijn, dt is een meesterstuk! Ik steel,
Niet zonder moeite, van mijn feeks wat ik
Mijn meid, die mij pleegt te bestelen, geef!
Des vijands buit tors 'k weg en veilig is
Mijn bondgenoote!

Schuier.
                           Hei, baas, deel ik niet
In de' oorlogsbuit?

Menaechmus.
                           Verrek! Ik val in een
Hinderlaag!!

Schuier.
                           Neen, toch niet, vrees nooit: ik ben
Een bondgenoot!

Menaechmus.
                           Wie is dat??

Schuier.
                           Ik ben 't maar!

Menaechmus (omarmt Schuier).
O mijn gezegend goede kans! O mijn
Goedgunstigheid! Het ga je wel!

Schuier.
                            Het ga
Je wel!

Menaechmus.
Wat verder?

Schuier (legt hand op Menaechmus' schouder).
                            Wel, mijn rechterhand
Heeft zich, naar vroom gebruik, op mijn zoo goeden
Genius gelegd!

Menaechmus.
                            Je kon, neen nooit, neen nimmer,
Gunstiger oogenblik gekozen hebben
Dan jij koost om te komen als je kwaamt!

Schuier.
Dat ben 'k gewoon! 'k Weet lle regels der
Goedgunstigheid!

Menaechmus.
                             Wil jij wat zaligs zien?

Schuier.
Of 'k! Welke kok bereidde het? Of 't gekookt
Met kunst is, zal ik kunnen zeggen als
'k De restjes heb gekeurd.

Menaechmus.  
                              Zeg, zag jij ooit,
Op 'n wand geschilderd, Ganymeed, geschaakt
Door d' Adelaar of Venus' lief, Adonis??

Schuier.
Dikwijls genoeg; wat deeren mij die dingen?

Menaechmus.
Kijk dan eens: lijk ik niet op Ganymedes?
Of op Adonis? (hij plooit zijn toga open; men ziet hem in de palla).

Schuier.
                               Waarom takel jij
Je zoo toe, zeg?

Menaechmus.
                               Zeg, dat 'k een lievert ben!?

Schuier.
Waar eten wij?

Menaechmus.
                               Zeg erst als ik jou zeg!?

Schuier.
Je bent een lievert!

Menaechmus.
                               Voeg jij uit je zelven
Daar niets aan toe?

Schuier.
                               Je bent een leuke baas.

Menaechmus.
Ga door!

Schuier.
                               Neen, ik ga, bij Herk'les, niet door,
Ten zij ik weet wat mij te weten waard is.
Jij hebt met je vrouw gekrakeeld en ik
Moet wel oppassen eerst te weten waar
Ik eten zal.

Menaechmus.
                               Wij zullen dezen dag,
Die sterft, verbranden maar mijn vrouw zal niet
Weten, waar wij den stapel stichten.

Schuier.
                                Laat
Ons dan de fakkels grijpen; tot zijn middel
Is dood de dag al ...

Menaechmus.
                                Als jij me in de rede
Valt, talmt te langer je bevrediging.

Schuier.
Menaechmus, steek mijn eenig oog mij uit,
Zoo 'k eenig woord nog uit, ten zij jij 't wilt,
Dt ik het uit.

Menaechmus.
                                 Kom van die deur weg.

Schuier.
                                 Goed.

Menaechmus.
kom dichter hier.

Schuier.
                                Dt zij zoo!

Meneachmus.
                                Kom toch vlugger
Wg van dat tijgerinnehol!

Schuier.
                                Bij Pollux!
Jij zo een puike wagenmenner zijn!

Menaechmus.
Waarom?

Schuier.
                                Omdat jij telkens om- en omkijkt
Of je niet ingehaald wordt door je gade.

Menaechmus (geheimzinnig).
Zeg ....

Schuier.
Zeg jij zelf: 'k zeg wat jij wilt en 'k zeg niet
Wat jij niet wilt, dat 'k zeg.

Menaechmus.
                                  Kan door te ruiken
Jij raden ....?

Schuier (bluffend).
                                  Ik raad beter dan een augur
Ooit ried!

Menaechmus (houdt hem de palla voor den neus).
              Ruik dan dien rand? .... Wil jij niet ruiken?

Schuier (afwerend).
'k Ruik liever 'n vrouwgewaad wat hooger; zo laag
Als jij mij ruiken laat, bezoedel ik
Mijn reukorgaan, niet meer te reinigen.

Menaechmus.
Ruik dan wat hooger, Schuiertje, mijn schat!
Trek jij je neus op?

Schuier.
                                  Nou, zoo'n beetje.

Menaechmus.
                                  Nu?
Wat zeg je? Waarnaar riekt het? Antwoord?

Schuier.
                                  't Stinkt
Naar dieverij, minnarij, zwelgpartij.

Menaechmus.
Dan zal 'k Erotium, mijn lieve deerne,
Deze gestolen jas vereeren en
Bevelen, dat ze een maal bestell' voor mij,
Voor jou, voor zich opdat wij zwelgen zullen
Tot de ochtendster opscheemre.

Schuier.
                                  Dat 's genoeg
Gekletst! Klop ik?

Menaechmus.
                                  Ja, klop! ... Klop niet zoo hard!

(Schuier klopt),
Schuier.
Met zacht te kloppen, wijkt de wijnkan duizend
Passen terug!

Menaechmus.
                                   Klop zachter toch!

Schuier.
                                                         Ben jij
Bang, dat de deur van Samiesch aardwerk is?

Menaechmus.
Genoeg, genoeg gebonsd! Bij Herk'les! Ha!
Daar komt zij al! (blijft in extaze staan).


Schuier (spottend).
                                    Zie jij de zon verrijzen??

Menaechmus (opgetogen).
Heur blankheid zo de zon verblinden!

Derde tooneel.
De Zelfden. Erotium, later Cylindrus.

Erotium (is te voorschijn getreden).
                                     Dg!
Mijn ziel, Menaechmus, dg!

Schuier.
                                     En ik?

Erotium.
                                     Jij rekent
Niet me.

Schuier.
                                     Als in een legioen de niet
Genummerde reserve-mannen? Goed dan.

Menaechmus.
'k Wil, liefje, voor van daag een eetgevecht
Bij jou bestellen.

Erotium.
                                    Voor van daag? Goed.

Menaechmus.
                                    En
Wij zullen zipen, hoor, voor 't nieuwe Troje.
Wie van ons beiden zal de beste strijder
Zijn met de kroes en kan? Ons legioen
Staat onder jo bevel, deez' nacht; dus deel
Den prijs uit. O mijn zaligheid, wat is
Mijn vrouw mij haatlijk als ik jou aanzie!

Erotium.
Toch kan je niet ontkennen, dat je iets draagt,
Dat hr behoort. Wat is dat? (tast naar de palla).

Menaechmus.
                                     Aan mijn vrouw
Ontstolen en jou, o mijn zachte roos,
Eerbiedig aanbevolen.

Erotium.
                                     O jij bent,
Van allen, die hier toegang hebben, wel de
Bovenste-beste!

Schuier (ter zijde).
                                    Hoe de meid hem vleit,
Nu zij den buit ruikt! (tot Erotium) Als jij hem beminde,
Zo je in zijn neus hem al gebeten hebben!

Menaechmus.
Pak, Tafelschuiertje, mijn mantel aan.
Ik wil, als ik gelofte deed, mijn krijgsbuit
Offeren.

Schuier.
                                   Jij zo beter doen te dnsen,
In dit gewaad.

Menaechmus.
                                   Ik dansen! Hij 's niet snik!!

Schuier.
Jij minder snik dan ik: als je niet danst,
Ontdoe je dan.

Menaechmus.
                                   'k Liep noit grooter gevaar;
Ik stal dit kleed van daag en Herkules
Liep geen grooter gevaar dan ik toen hij
Hippolyta heur gordel dorst ontstelen.
Ontvang dus mijn geschenk ... (hij ontdoet zich van de palla).
                                   Moesten, als ik
Mij nu gedraag, zich niet alle echte minnaars
Gedragen?

Schuier (ter zijde).
                Echte minnaars, die 't verderf
Toe rnnen!

Menaechmus.
                                   Vier mina's kostte dit kleed
Mij voor mijn vrouw, een jaar geleden.

Schuier (ter zijde)
                                   Vier
Mina's maar wg gesmeten, zuiver uit-
Gerekend!

Menaechmus (tot Erotium).
                                    Weet je wat ik wensch, dat jij
Me nu verschaft?

Erotium.
                                     Ik weet, dat ik zal doen
Als jij beveelt.

Menaechmus.
                                     Beveel jij dan een maal
Bij jou ten huize te bereiden; laat
Ter markt om lekkre dingen gaan, bij voorbeeld:
Zwijnzwezerik en spk; een hammetje,
Of nieren, of iets anders van dien aard.
Doe die dan fijn bereid op tafel zetten.
'k Zal honger hebben als een gier. En vlug wat.

Erotium.
Bij Castor, 't zal gebeuren.

Menaechmus.
                                       Wij, wij gaan
Naar 't forum; spoedig zullen wij wer hier zijn.
terwijl gekokereld wordt, zullen wij ons
'n Beetje bedrinken.

Erotium.
                                       Wanneer je terug komt,
Is alles klaar.

Menaechmus.
                   Rep je vast (tot Schuier) En volg jij mij.

Schuier.
Bij Herk'les, ik ho jou in het oog, ik zal
Je volgen en je dienaar zijn: ik zo
Niet voor de schatten van de goden je
Van daag verliezen!

(Zij groeten luchtig Erotium en gaan).

Erotium (roept aan haar deur).
                                        Roep mijn kok Cylindrus,
dadelijk buiten. (Cylindrus verschijnt).
                                        Neem je mand en geld:
Hier zijn drie muntjes. (geeft geld).

Cylindrus.
(neemt het geld in zijn vuist). 'k Heb ze vst. En verder?

Erotium.
Spoed je ter markt en koop voor drie, en niet
Te weinig, niet te veel.

Cylindrus.
                                         Wie moeten er
Gastreeren?

Erotium.
                                         Ik, Menaechmus en de Schuier.

Cylindrus.
Dan zijn 't er tien. Die tafelschuimer schranst
Gemakkelijk voor acht.

Erotium.
                                         'k Heb je de gasten
Genoemd: de rest is jou zaak.

Cylindrus (kluchtig).
                                        Met permissie!
't Diner is klar: je kunt aanliggen!

Erotium.
                                        Kom
Nu gauw terug.

Cylindrus (spoedt zich in huis, om mand
te halen, en ijlt met mand weg.)
                                         'k Bn bijna wer terug!
(Erotium af).

Vierde tooneel.
Menaechmus Sosicles, Messenio, twee matrozen.

Menaechmus Sosicles.
Geen grooter zaligheid voor wie op zee vaart,
Dan verre uit zee wer land te zien, Messenio.

Messenio.
Er is, zoo ik het zeggen mag, een grootre
Zaligheid; den geboortegrond te zien
En thuis te zijn. Wat moesten wij nu toch
Te Epidamnus komen? Gaan wij, als
De zee, rondom elk eiland heen?

Menaechmus Sosicles.
                                     Mijn eigen
Broeder zoek ik.

Messenio.
                                      En hoe lang zullen wij
Nog zoeken? Zochten wij niet reeds zes jaren,
Bij de Istrirs, Hispanirs, Massilianen,
En bij de Illyrirs, den Oceaan
Doorkruisend, om wer aan te landen in
grieksche kolonies aan de Latijnsche kust?
Wij zijn geweest waar maar de golf aanspoelt.
Je zo, hadt jij een naald gezocht, al lang
Die naald gevonden hebben maar wij zoeken
Een dooden man tusschen levende menschen.
Leefde hij nog, wij hadden hem gevonden.

Menaechmus Sosicles.
Daarom zoek ik wie minstens zekerheid
Mij meldt, wie zegt te weten, dat hij dood is.
Vind ik zo een, dan zoek ik niet meer langer;
Zoo niet, dan zoek ik door. 'k Weet zeker, dat
Hij mij te dierbaar is om niet ...

Messenio.
                                       Jij zoekt
wat niet meer is te zoeken; laat ons toch
Naar huis gaan! Zijn wij soms geschiednisschrijvers,
Om zoo te zwerven?

Menaechmus Sosicles
                                       Wijze dingen zeg jij,
Maar wees voorzichtig: je verveelt me en 'k zo
Wel wijzer kunnen worden dan jij waart!

Messenio.
Hm! 'k Weet wel, dat ik maar een slaaf ben: meer
En duidelijker is in minder woorden
Mij niet te zeggen. Maar ik ga toch door:
Ik zeg wat ik te zeggen heb. Hoor toch,
Menaechmus; als ik na zie hoe de beurs
En reisbenoodigdheden er aan toe zijn,
Bij Herk'les, dan zijn wij wel heel erg zomersch
En luchtig aangedaan! Bij Hrk'les! dn,
Dan zeg ik, dat, ten zij wij huiswaarts keeren,
Je platzaks nog zal zuchten, dat je z lang
Je tweelingbrortje zocht. Want er zijn hier
In Epidamnus drink'brors, meidekerels,
Het wemelt hier van schuiers en van schuimers
En dan de mooie-meisjes! Nergens zijn
Ze mooier: om dat al is Epidamnus
De stad genaamd van opperste verdomnis.

Menaechmus Sosicles.
Ik zal oppassen: geef mij maar de beurs.

Messenio.
Wat wil je?

Menaechmus Sosicles.
                                 Dat jij niet, tot mijn verdomnis
In Epidmnus te veel gaat verbrassen.
Jij bent, Messenio, een meidekerel;
Ik ben een driftkop: ho ik dus de beurs,
Dan pas ik voor twee dingen op: dat jij
Niet scharr'len gaat en ik niet schreeuwe' en schelden.

Messenio.
Pak an dan en bedien je: 't is mij wel.

Vijfde tooneel.
Cylindrus, Menaechmus Sosicles, Messenio.

Cylindrus.
'k Ben met succes te markt gegaan, geloof ik.
'k Zal onze schransers een goed schransmaal voor
Zetten. Maar zie, hier is Menaechmus al!
(Voelt bang zijn rug). O wee mijn rug! Reeds wandelen de gasten
Voor 't huis en ik kom pas met mijn provizies
Thuis! Ik zal maar een woordje zeggen: (tot Menaechmus) 't ga
Je wel, Menaechmus!

Menaechmus Sosicles.
                                   Mogen je de goden
Beminnen! Weet jij wie ik ben?

Cylindrus.
                                   Bij Herk'les!
Zo 'k niet? Waar zijn de andere gasten?

Menaechmus Sosicles.
                                   Naar
Welke andere gasten vraag je?

Cylindrus.
                                   Naar je Schuimer.

Menaechmus Sosicles.
Naar welken schuimer vraag je, jonge man?

Cylindrus.
Nou, naar je Schuier.

Menaechmus Sosicles.
                                  Die draag veilig hier
Ik in mijn tasch.

Cylindrus.
                                  Menaechmus, je arriveert
Wel heel vroeg voor de schranspartij; ik kom van
De markt pas n terug.

Menaechmus Sosicles.
                                  Zeg, jonge man,
Wat is de prijs voor prima offervarkens?

Cylindrus.
En muntje.

Menaechmus Sosicles.
                                  Maak dan voort en laat je villen
Voor 'n muntje want 'k weet zeker, dat je gek
Bent om wie jij niet kent zoo te vervelen.

Cylindrus.
Cylindrus ben ik; weet jij niet mijn naam?

Menaechmus Sosicles.
Cylindrus of flauwe kul-indrus, moge
Verrkken jij! Ik ken je niet, ik wil
Jou ook niet kennen!

Cylindrus.
                                  Jij bent toch Menaechmus,
Zoo ver ik weet!

Menaechmus Sosicles.
                                  Je zegt geen onzin als
Je bij dien naam mij noemt maar waar heb jij
Mij toch gekend?

Cylindrus.
                                  Waar ik jou heb gekend?
Jij hebt toch hier je meisje, Erotium,
Mijn meesteres?

Menaechmus Sosicles.
                                  Ik heb, bij Herk'les, hier
Nits, niemendal; 'k weet niet wie jij bent.

Cylindrus.
                                   Weet 
Jij niet wie 'k ben? Ik, die je meer dan eens
Tot Ganymedes dien, als jij hier fuift?

Messenio (ziet om zich).
Verdraaid! Dat hier niets is om dien vent 'n kop
Kleiner te maken!

Menaechmus Sosicles.
                                   Jij, mijn Ganymedes!!
Mij, die voor dezen dag jou Epidamnus
Nooit zag en nooit bezocht!

Messenio.
                                   Maar wat je zegt!

Menaechmus Sosicles.
Bij Herk'les, 'k zeg niets dan de zuivre waarheid!

Cylindrus.
Woon jij dan niet daar in dat huis?

Menaechmus Sosicles.
                                    De goden
Mogen verderven wie daar wonen!

Cylindrus.
                                     Hij
Is gek, zichzelf te vloeken! Hoor, Menaechmus!

Menaechmus Sosicles.
Wat moet je?

Cylindrus.
                                    Als je mij raad vraagt, koop dan
Voor t muntje, dat zoo even jij me wilde
Geven, een offervarkentje, weet je,
Want, werkelijk, jij bent niet snik, Menaechmus,
Om je eigen te vervloeken, neen, niet snik!

Menaechmus Sosicles.
Goden nog toe, wat een vervelende
Klets!

Cylindrus. (goedig ter zijde).
   Hij doet t meer, me zoo in t ootje nemen:
Hij maakt meer grapjes als zijn vrouw er niet
Bij is!

Menaechmus Sosicles.
   Wat zeg je?

Cylindrus.
                                     Waarom ben je boos?!
Kijk eens; (opent zijn mand) heb 'k niet genoeg voor jou en voor
Je vriendje en je vriendinn'tje ingeslagen?

Menaechmus Sosicles.
Wat klets je toch van vriendjes en vriendinn'tjes?

Messenio (dreigt Cylindrus).
Wat schelmse duivel doet jou hem zoo plagen?

Cylindrus.
Wat 'moei jij je met mij, ik ken je niet!
Ik spreek met hem en hem ken ik heel goed.

Menaechmus Sosicles.
Bij Pollux, 'k weet nu zeker, dat jij gek bent.

Cylindrus.
Het duurt niet lang, of ik heb al die dingen
Gekookt en klaar gemaakt: ga dus niet ver
Van huis. Wensch je nog wat?

Menaechmus Sosicles.
                                   Dat jij gekruizigd
Moog' worden!

Cylindrus.
                                   't Beste waar, bij Herk'les, dat
Jij maar gauw aan ging leggen, terwijl ik
Die spijzen aan de hoede van Vulcaan toe
Vertrouw. Ik ga naar binnen en zal aan
Erotium wel zeggen, dat jij hier wacht.
Dan komt zij je wel halen in plaats van
Je hier te laten koekeloeren. (naar binnen).

Menaechmus Sosicles.
                                   Is
Die eindlijk weg? Bij Pollux, niet gelogen
Was wat je mij vertelde!

Messenio.
                                   En pas op:
Want ik geloof, dat hier de deerne woont,
Van wie die gek sprak, die, goddank, nu weg is.

Menaechmus Sosicles.
Maar ik verwonder me, dat hij mijn naam kent.

Messenio.
Dat is, bij Herk'les, heelemaal geen wonder.
De meiden hebben de gewoonte hier
Als een vreemd schip den haven binnen zeilt
Hun slaven en slavinnen naar den haven
Te zenden om te vragen wie de schippers
Zijn, hoe zij heeten. Dan plakken zij zich vast,
Klampen zich vast aan hun slachtoffers en
Villen zij hen en zenden hun platzaks
Naar huis. Nu ligt een rooverschip in den
Haven en achtte ik het wijs op onze
Hoede te zijn.

Menaechmus Sosicles.
                                 Je geeft, bij Herk'les, wel
Een geden raad.

Messenio.
                                 'k Zal zeker zijn, dat ik
Een goeden raad gaf, als jij op je hoede
Gebleven bent.

Menaechmus Sosicles.
                                 Ho je toch stil, de deur kraakt!
We zullen zien wie buiten komt!

Messenio.
                                 Intusschen
Zal ik me ontdoen ... Hei, zeebonken, pakt aan!
(Hij geeft den matrozen de valiezen).

Zesde tooneel.
Menaechmus, Messenio, Erotium.

Erotium, (in feestgewaad, spreekt in de deur).
Laat de deur open; ga, ik wil niet, dat
De deuren zijn gesloten; zie met zorg
Toe, dat alles goed wordt bereid. Omkranst
De bedden, steekt de geuren aan; die zwier
Is een verlokking voor de minnaars: minnaars
Kost duur die mooigheid en geeft ns winst.
Maar waar is hij, die, naar mijn kok mij zeide,
Voor 't huis bleef blauwbekken? Dr zie ik hem,
Die mij van zoo veel nut en voordeel is!
Ik zal hem ook ontvangen als 't behoort.
Hij 's mchtig in mijn huis; ik ga hem te
Gemoet, ik heet hem welkom! (spreekt tot M. Sosicles).
                                   Lieveling,
't Verwondert mij je hier buiten te zien:
Wijd zijn mijn deuren open voor je, wijder
Dan je eigen deuren; alles is bereid,
Als jij bevaalt, als jij het wenschte: uitstel
Vraag ik je niet; het gastmaal, naar je wil,
Is klaar; zoo 't je behaagt, zullen wij liggen.

Menaechmus Sosicles.
Tegen wien spreekt die vrouw?

Erotium.
                                   Maar tegen jou!

Menaechmus Sosicles.
Wat was er oit tusschen jou en mij, wt is
Er tusschen jou en mij?

Erotium.
                                   Er is, bij Pollux,
Dat Venus mij beval, jou boven alle
Anderen te verheerlijken en niet
Onwaardig ben je dat; aan jou alleen,
Bij Castor, dank ik al mijn weelde!

Menaechmus Sosicles.
                                   Heusch,
Die vrouw is gek of dronken, zeg, Messenio,
Om 'n onbekenden man zoo familiaar te
Bejegenen!

Messenio.
                                   Vertelde ik je dan niet,
Hoe 't hier gewoonlijk toe gaat? Blaadjes dwarlen
Nu nog maar om je rond; ben jij drie dagen
Hier, dan storten de boomen op je ner!
Die deernen zijn de grootste zakkenrolsters!
Laat mij nu maar begaan: zeg vrouw, vertel eens ...

Erotium.
Wat is er?

Messenio.
                                  Waar heb je dien m'neer gekend?

Erotium.
Maar, hier, te Epidamnus, al zoo lang!

Messenio.
Te Epidamnus? Maar in deze stad
Zette hij, voor van daag, geen voet!

Erotium.
                                   Kom, jij
Maakt grapjes; mijn Menaechmus, wil je, bid ik,
Niet binnen komen: daar zal 't beter zijn ...?

Menaechmus Sosicles.
Bij Pollux, heel goed noemt die vrouw mij bij
Mijn naam! 'k Sta paf van wat 'r om mij gebeurt!

Messenio.
Zij rook de beurs, die jij nu hebt.

Menaechmus.
                                   Bij Castor!
Je gaf mij goeden raad! (geeft beurs). Pak aan de beurs!
Zoo zal ik weten wie zij meer mint, mij of
Mijn beurs.

Erotium (verleidelijk).
                 Kom, laat ons binnen gaan en eten.

Menaechmus Sosicles.
Ik ben je dankbaar voor je noodiging.

Erotium.
Waarom beval je me anders een gastmaal
Te doen bereiden?

Menaechmus Sosicles.
                                   Ik, beval je een gastmaal ..?

Erotium.
Ja zeker voor jou en je tafelschuimer?

Menaechmus Sosicles.
Mijn tafelschuimer?? Maar die vrouw is gek!

Erotium.
Een gastmaal voor je Schuier ...

Menaechmus Sosicles.
                                  Welken Schuier?
Mijn klerenschuier?

Erotium.
                                  Neen, je Schuier, die,
Als ik het zeggen mag, me met je kwam,
Toen jij die palla mij kwaamt brengen, die
Jij aan je vrouw ontstaalt.

Menaechmus Sosicles.
                                  Wat nou wer? Gaf
Ik jo een palla, die 'k mijn vrouw ...? Ze is gk!
Die meid droomt wakend!

Erotium. 
                                  Waarom steek je toch
Den draak met mij en wil je loochenen
Wat feiten zijn?

Menaechmus Sosicles.
                                  Zeg mij wlk feit er is,
Wat 'k loochen, wat ik heb gedaan.

Erotium.
                                  Jij hebt
Van daag me een palla van je vrouw gegeven.

Menaechmus Sosicles.
Ook nu loochen ik dat. Nooit heb 'k een vrouw
Gehad, 'k heb ng geen vrouw en sedert ik
Geboren werd, zette ik geen vet binnen de
Poort van de stad. 'k At op mijn schip en toen
Ik het verlaten had, heb 'k jou ontmoet.

Erotium.
Ik, ongelukk'ge, 'k sta verbijsterd! Wat
Vertel je nu mij van een schip?

Menaechmus Sosicles.
Een houten schip, dikwijls bijna vergaan,
Dan wer te zamen bij elkar gespijkerd,
Plank tegen plank.

Erotium.
                                  Ik bid je, schei nu uit
met al die grapjes; kom nu me.

Menaechmus Sosicles.
                                  Ik weet niet
Vrouw, welken anderen man jij in mij ziet.

Erotium.
Zou ik jou dan niet kennen, o Menaechmus?
Is dan je vader niet Moschus en werd hij
Niet zonder een'gen twijfel te Syracuze
Geboren, in Sicili, waar de koning
Agathocles eens heerschte? En toen Pinthia?
En toen Liparo, die, bij zijn dood aan
Hiero de macht achter liet, Hiero,
Die nu heerscht?

Menaechmus Sosicles.
               Dat zeg je, vrouw, alles hl goed.

Messenio.
Bij Jupiter, komt zij van daar, dat zij
Je zoo goed kent?

Menaechmus Sosicles.
                                  Ik meen, bij Herk'les, niet
Meer weigeren te kunnen.

Messenio.
                                  Neem niet aan. Als
Je over dien drempel schrijdt, ben jij verloren.

Menaechmus Sosicles.
Ho je toch stil, dit is een heel goed zaakje.
Ik geef die vrouw, op alles wat zij zegt, ja
En amen, als ik onder dak kom en
Ruime gastvrijheid kan genieten ... (tot Erotium).
                                   'k Sprak
- Niet onvoorzichtig - je zoo even tegen.
Ik vreesde, dat hij dar mij aan mijn vrouw
Verraden zo, wat betreft dat gastmaal en
De palla. Als jij nu wilt, laat ons dan
Naar binnen gaan.

Erotium.
                                  Wacht je niet op den Schuier?

Menaechmus Sosicles.
Neen, 'k wacht niet op hem; laat hem maar alleen
Schui'ren of schooi'ren; 'k wil ook niet, dat hij
Nog binnen komt, als hij misschien nog op daagt.

Erotium.
Bij Castor, zeker zal ik niets doen tegen
Je wil, maar weet je wat ik wel zo wenschen,
Dat jij voor mij deedt?

Menaechmus Sosicles.
                                 Zeg maar wat jij wilt.

Erotium.
Dat jij de palla, die je mij gaaft, naar
Den Frygir, den borduurder, bracht opdat
Hij die wat stopt en bij borduurt, zoo als
Ik 't gaarne hebben wo.

Menaechmus Sosicles.
                                 Bij Herk'les, ja!
Je hebt gelijk; zoo wordt die onherkenbaar,
Ook voor mijn vrouw als zij je op straat ontmoet.

Erotium.
Neem je 'm dan me, wanneer je weg gaat?

Menaechmus Sosicles.
                                 Zeker.

Erotium.
Laten wij dan naar binnen gaan.

Menaechmus Sosicles.
                                 Ja, 'k volg je.
'k Wil even hm iets zeggen: (Erotium af).
                                 Zeg, Messenio,
Kom hier.

Messenio.
                                 Wat is er bij de hand?

Menaechmus Sosicles.
                                           Stil toch!

Messenio.
Moet ik ....??

Menaechmus Sosicles.
              Ik weet al wat je zeggen wilt.

Messenio.
Te rger is het wat jij doen gaat.

Menaechmus Sosicles.
                                   'k Heb
Een buitenkansje; 'k steek van wal; breng vlug
Ons volk in 'n herberg ergens onder dak en
Kom hier terug voor de zon onder is.

Messenio.
Meester, jij knt die meiden hier niet ...

Menaechmus Sosicles.
                                   Stil,
Zeg ik je. Zoo 'k iets dwaas doe, valt dat op
Mijn kop, nit op den jouwe. Die vrouw is
Dor en dor stom, als ik zoo even zag.
En 't is een buitenkansje.

Messenio.
                                   Groote gon
Nog toe!

Menaechmus Sosicles.
                                   Ben j' ng niet weg?
(af in het huis van Erotium).

Messenio.
                                  Hij is verlren!
De rooverkapitein en die meid zijn
Het zeker met elkander eens! Maar ik
Ben 'n stommeling mijn meester in te willen
Toomen: hij kocht mij om naar hm te luist'ren,
Niet om bedrild te worden. (tot de matrozen).
                                   Volgt mij, zoo
Als onze heer bevolen heeft; ik moet
Wer fluks terug zijn. (af, met matrozen).

Zevende tooneel.

Schuier.
't Is meer dan dertig jaar geleden, dat
Ik werd geboren, maar nog nimmer deed
Ik stommer ding dan ik van daag gedaan heb,
Toen ik mij midden in de volksvergaadring
Verloren heb. Want terwijl ik flneerde,
Heeft die Menaechmus aan mij weten te
Ontglippen en zijn meisje zeker al
Bezocht, bij wie hij, dat geloof ik vast!
Mij niet me wilde nemen. Dat hem, die
Voor 't eerst een volksvergaadring uit vond, om
De menschen, die 't al druk hebben, 't ng drukker
Te maken, alle goden mogen vloeken!
Waarom blijft "volksvergaadring" niet een ding voor
Mannen, die niets te doen hebben, en die,
Als ze op geroepen worden en afwezig
Zijn, boete krijgen? Er zijn z veel burgers,
Die n keer slechts eten per dag en die
Dus heelemaal geen bezigheden hebben
En die nooit inviteeren en nooit worden
Genviteerd! Wel, zulke onnutte wezens
Kunnen hun krachten wijden aan vergaadring
En burgerplicht. Zoo dt zoo ware, zo
Ik heden niet mijn middagmaal verloren
Hebben, waaraan ik meen, zoo waar ik mij
Te leven weet! dat men mij had genoodigd.
Maar gaan wij, want de hoop op restjes doet
Mijn ziel niet l te somber zijn ... Wat! Zie ik
Menaechmus daar? Berozenkranst treedt hij
Naar buiten! Wel, bij Pollux, 't gastmaal is
Gedan maar 'k kom nog niet helmaal te laat.

Achtste tooneel.
Schuier, Menaechmus Sosicles.

Menaechmus Sosicles
(palla over den arm, spreekt in de deur tot Erotium.)
Zeker, ik zal doen wat je vraagt; ik zal
Van daag die palla repareeren laten
Zoo goed, zoo moi, dat je zult zeggen, als
't Gedaan is: 't ding is niet meer te herkennen.

Schuier (op den achtergrond).
Hij gaat de palla naar den Frygir brengen
Nu 't maal is afgeloopen, nu de wijn
Is uitgedronken, nu die arme Schuier
Buiten de deur heeft kunnen blijven schooi'ren.
Bij Herk'les, 'k zal niet, die ik ben, zijn, als
'k Niet wraak neem over die beleediging!
Eerst zien wat hij gaat doen: dan naad'ren wij 'm
En zullen eens een woordje zeggen.

Menaechmus Sosicles.
                                      Goden!
O gij Onsterflijken! Schonkt gij wel ooit
Op n dag aan een sterflijk mensch zoo veel
Weldaden, als hij nimmer dorst verwachten!
Ik at, ik dronk, ik lag met 'n meisje aan;
'k Nam op den koop nog deze palla me,
Die na van daag nooit meer in haar bezit
Zal komen!

Schuier.
'k Kan niet hooren wat hij mummelt,
Hier, in mijn schuilhoek. Hij heeft zijn buik vol en
Praat over mij en hij verkneutert zich
Over de rol, die hij mij spelen liet!

Menaechmus Sosicles.
Zij zegt, dat ik haar 't ding gegeven heb
Na 't van mijn vrouw ontroofd te hebben en
Toen ik haar hoorde zich vergissen, heb ik
Haar toe gegeven, of ik waarlijk met haar
Samen geweest was -; wat de meid maar zei,
Zei 'k na: wat zal 'k met veel woorden meer zeggen.
'k Werd nooit zoo goed onthaald voor zoo geringe
Vergoeding!

Schuier.
                                        'k Ga den kerel te gemoet.
'k Wil met hem bakkeleien.

Menaechmus Sosicles.
                                        Wie is dat, die
Mij nadert?

Schuier.
                                        Zoo! Zo! Zo!! Jij onverlaat,
Veranderlijker dan een pluim! Ellendling!
Jij, ongerechte kerel, schandevlek
Van 't menschelijk geslacht; jij minne vent!
Waarom verdiende ik dt, dat jij mij tot mijn
Nadeel en ondergang zoo langs den weg
Verloort? En listiglijk je aan mij onttrokt
In 't forum? Jij, jij at je zat terwijl ik
Er niet bij was? Hoe dorst je dat te doen,
Terwijl ik ok toch recht had me te bikken?

Menaechmus Sosicles.
Jongmensch, ik vraag je, wat heb ik met jou
Te doen? En wat heb jij je onhebbelijk te
Gedragen tegen 'n onbekenden man,
Die van niets weet? Wil jij soms een kwaad ding
Oploopen?

Schuier.
              'k Liep, bij Pollux, al 'n kwaad ding op!

Menaechmus Sosicles.
Antwoord, jongmensch: ik vraag je hoe je heet.

Schuier.
Steek jij den gek met mij, dat jij mijn naam
Niet kennen zo?

Menaechmus Sosicles.
                                        Bij Pollux, neen; ik heb je
Vr dezen dag noit ergens gezien en
Ik ken je niet; maar dat is zeker, wie
Je ook bent, als jij verstandig zijn wilt, zal jij
Mij niet meer pesten.

Schuier.
                                        Heb jij m' nooit gekend?

Menaechmus Sosicles.
'k Zo 't niet ontkennen, als 't zoo was.

Schuier.
                                        Menaechmus!
Word wakker.

Menaechmus Sosicles.
                                        Maar ik ben, bij Herk'les, wakker!

Schuier.
Zo jij je tafelschuimer dan niet kennen?

Menaechmus Sosicles.
Als 'k wel begrijp is, jongeman, 't jou hier (wijst op voorhoofd)
Niet heel'maal pluis.

Schuier.
                                        Vertel: ontstal jij niet
Die palla aan je vrouw van daag om 't ding aan
Erotium te geven?

Menaechmus Sosicles.
                                         'k Heb, bij Herk'les
Geen vrouw, ik gaf niets aan Erotium
En 'k stal geen palla.

Schuier.
                                         Ben jij zelf niet snik?
Zag ik je dan niet zlf, met een palla om,
De deur uitkomen?

Menaechmus Sosicles.
                                         Loop jij naar de hel!
Denk jij dan, dat een ieder zoo'n vies ventje is,
Als jij bent? Durf jij te herhalen, dat
Je me zag loopen met een plla om?

Schuier.
Dat doe 'k, bij Herk'les!

Menaechmus Sosicles.
                                         Loop rondom, of laat je
Slachten, jou idioot!

Schuier.
                                         Bij Pollux, niets
Zal mij vermurwen om niet aan jow vrouw
Te zeggen, haarfijn, hoe 't hier toe ging; je eigen
Verguizingen zullen zich op jou wreken:
Niet ongewroken zal jij dat maal hebben
Genuttigd! (woedend in Menaechmus' huis af).

Menaechmus Sosicles.
                Wat mot dat toch? Wie mij ook
Hier tegen komt, staat mij waarachtig te vern ...!
Daar kraakt de deur wer open! (Slavin op).

Negende tooneel.
Slavin, Menaechmus Sosicles.

Slavin.
                                        Hoor, Menaechmus!
Erotium zegt, dat zij 't heel lief zo vinden,
Zoo je te g'lijker tijd dit sieraad bij
Den goudsmid brengen wilt, opdat hij er
En ons gewicht aan goud bij voegt en dan
Een nieuwen armband er van maakt.

Menaechmus Sosicles.
                                           Ja dit,
En dat: 'k zal doen wat zij maar wenscht!
Wt zij maar wenscht, zal 'k doen, daar kan je op aan!

Slavin.
Zie je niets aan dien armband?

Menaechmus Sosicles.
                                           'k Zie alleen,
Dat hij van goud schijnt.

Slavin.
                                           't Is de gouden armband,
Die, als je zei, je uit de kast van je vrouw
Ontstolen hebt.

Menaechmus Sosicles.
                                           Dat heb 'k, bij Herk'les! nooit
Gezegd!

Slavin.
                                           Als jij 't je niet herinnert, geef mij
Dien armband dan terug!

Menaechmus Sosicles.
                                           Jawel, jawel!
'k Herinner 't me nu! Zeker, ik heb dien armband
Gegeven aan Erotium!

Slavin.
                                           Wel, natuurlijk
Heb je dat!

Menaechmus Sosicles.
                                           Waar zijn de bovenarmbanden,
Die 'k haar toen ook gegeven heb?

Slavin.
                                           Die heb jij
Haar nooit gegeven!

Menaechmus Sosicles.
                                           Zeker, 'k gaf haar die
Te g'lijker tijd met deze!

Slavin.
                                           Zeg 'k haar dus,
Dat je er voor zorgen zal?

Menaechmus Sosicles.
                                           Natuurlijk, zeg
Haar, dat er voor gezorgd zal worden. 'k Zal
Den armband haar terug brengen als ik
De palla haar terug breng.

Slavin.
                                          En dan, lieve
Menaechmus, geef mij toch een paar oorbell'tjes,
Van 'n kwart ons goud maar, dan heb 'k altoos pret
Je wer te zien als jij bij ons komt.

Menaechmus Sosicles.
                                          Wel,
Heel gaarne. Geef jij 't goud, k zal 't werk dan
Betalen.

Slavin.
            H, schiet jij 't me voor, dan krijg jij 't
Later terug.

Menaechmus Sosicles.
            Neen, geef jij 't goud.

Slavin.
                                          'k Betaal je 't
Dbbel terug.

Menaechmus Sosicles.
             Maar 'k hb niets.

Slavin.
                                          Doe je 't dan
Als je wer geld hebt? Wensch je nog iets?

Menaechmus Sosicles.
                                          Zeg haar,
Dat ik voor alles zorgen zal ... (slavin af) (ter zijde) en zoo
Gauw moog'lijk alles voor een prikje van
De hand zal doen! Is ze eind'lijk weg? Ja, ze is
Weg en de deur is toe. O, dat de goden
Allen de goden mij beminnen, helpen
En overladen met weldaden! Maar
Ik moet mij haasten; tijd, gelegenheid
Benutten om uit dit oord van verderf weg
Te komen. Rep, Menaechmus, je wat jij
Je reppen kunt. Ik neem mijn krans mij af
En gooi die links, opdat, zoo zij mij volgen,
Zij denken, dat ik die kant uit gevlucht ben.
Vooruit; ik hoop, dat k gauw mijn slaaf te pakken
Krijg, dat hij uit mijn eigen mond verneem,
Wat goede dingen mij de goden gunnen! (haastig af).

Tiende tooneel.
De vrouw van Menaechmus den geroofde; Schuier.

Vrouw.
Zo ik nog langer moeten lijden in
Dit huwlijk met een man, die steelt wat in
Het huis is en dat aan een deerne brengt?

Schuier.
Wees kalm.Ik zeg je, straks betrap je hem
Op heeter daad. Volg mij maar. Dronken is hij,
Den krans nog om zijn hoofd, je palla, die
Hij je van daag ontstal, naar den borduurder,
Den Frygir, gaan brengen. Maar zie, hir ligt
Zijn krans. Ben 'k dus een leugenaar? Hier langs
Is hij gevlucht, als je zijn spoor wilt volgen,
En zie, bij Pollux! juist komt hij terug!
Maar hij heeft niet de palla ...

Vrouw.
                                       Wat zal ik hem
Nu doen?

Schuier.
                                       Niet anders dan je 'm altijd doet:
Hem pesten!

Vrouw.
             Zoo denk ik ook.

Schuier.
                                       Trekken wij
Ons hier terug, om uit die schuilhoek hem te
Beluisteren.

Elfde tooneel.
Menaechmus de geroofde, vrouw, Schuier.

Menaechmus (gewichtig).
                                        Hoe dwaas zijn wij, voorname
Lieden, ons zo veel zorg te scheppen: wie
't Voornaamste is, schept zich wel den grootsten zorg en
Omringt zich met clinten zonder tal.
Wij vragen niet of ze eerlijk of oneerlijk
Zijn, maar wl wat ze waard zijn. Zijn zij arm
En braaf, dan moeten wij van die clinten
Niets hebben; zijn ze rijk en dieven, dan
Azen we op hen. Wie 'n schurk is en een schelm,
Die heeft de aanzienlijkste patroon! Maar wat we ook
Ze geven, zij looch'nen 't ontvangen t' hebben,
Zijn twistziek, hebbedingig en bedriegers,
Zij hebben geld gemaakt door woeker of
Door meineed, en krakeel is 't element,
Waar zij in groeien. Woden zij gedagvaard,
Dan wordt ook hun patroon gedagvaard en
Die met wel voor hen spreken, trots al 't kwaad,
Dat zij bedreven, f in volksvergaadring
Of voor de rechtbank, of voor de scheidsrechters.
Daar heb je mij! Mij heeft zoo een beroerde
Clint van daag het leven zuur gemaakt
En 't was mij niet gegeven te doen wat ik
Mij voorgenomen had! Hij had mij hir bij
De kladden, hij had dr mij bij de kladden!
Voor de aedilen moest ik wel op duizend
Manieren 't zaakje wringe' en wende' en pleiten
Voor 'n slechte zaak. Ik zeide dit en dat;
'k Heb veel gezegd, dat tegenstrijdig was,
En dacht wel, dat de zaak zo eindigen in
Borgstelling. En wat doet hij nu, de uil:
Hij loopt er in en stelt waarachtig cautie.
Nooit zag 'k 'n kerel, zoo overtuigd, dat
Hij ong'lijk had en drie getuigen, drie!
Getuigden, dat hij strafb're dingen had
Gedaan. Mogen de goden hem verderven,
Die zoo mijn dag me heelmaal heeft bedorven,
Mogen ze er mij nog bij vervloeken, die
Zoo dom van daag was 't forum rond te kijken!
Ja, heel den dag bedorven! Ik had juist
Bevolen 'n heerlijk gastmaal aan te richten,
Mijn meisje wacht mij, dat staat vast: ik ben,
Zoodra 'k er kans toe zag, uit 't forum er
Van door gegaan; woedend zal 't lieve kind zijn!
Maar zeker zal de palla, die 'k van daag
Mijn vrouw ontstal en die 'k Erotium gaf,
Har wel wat troosten!

Schuier (tot Vrouw).
                                       Nu, wat zeg je er van?

Vrouw.
Dat ik 't niet trof zoo 'n slechten man te trouwen.

Schuier.
Hoor je wat hij vertelt?

Vrouw.
                                       Nu, f ik 't hoor!

Menaechmus.
Kom, 'k ga maar binnen; 't zal er toch wel leuk zijn.

Vrouw (treedt te voorschijn).
Blijf hier: zoo leuk zal 't niet zijn, hoor, bij Castor!
Wat jij me ontstaalt, dat geef jij mij met woeker
Terug!

Schuier.
              Die 's raak!

Vrouw.
                                         Wat dacht jij wel? Zoo still'tjes
Je ongerechtigheden te bedrijven?

Menaechmus.
Wat is er toch, lief vrouwtje, aan de hand?

Vrouw.
Kom, doe zoo lief niet tegen mij.

Menaechmus (nadert Schuier).
                                           Heb jij
Dan liever, dat ik tegen hm zoo lief doe?

Schuier (boos).
Ho j' handen thuis. (tot Vrouw) Ho voet bij stuk, ga door.

Menaechmus (tot Vrouw).
Waarom ben jij zoo boos op mij?

Vrouw.
                                           Dat zo jij
Niet weten, h?

Schuier.
                                           Hij weet het bliksems goed
Maar veinst het niet, de schelm, te weten!

Menaechmus.
                                            Wat 
Is er dan toch?

Vrouw.
                                            Waar is mijn palla, zeg?

Menaechmus.
Je palla?

Vrouw.
              Ja, mijn palla.

Schuier.
                                           Wat sta jij
Toch zoo te rillen?

Menaechmus.
                                          'k Ril heelemaal niet!

Schuier.
Nou, toch zoo'n beetje, h? Die palla doet
Je trillen op je voeten, vriend! Ga jij
Maar weer eens fuiven zonder mij (tot Vrouw) Geen foefjes!
Ga voort, ga voort!

Menaechmus.
                  Ho je toch stil!

Schuier.
                                           Neen, 'k ho
Bij Herk'les, me net stil. Hij wenkt me, dat
Ik niets meer zeggen zal.

Menaechmus.
                                            Bij Herk'les, neen!
Ik wenk hem heusch niet; 'k knipoog heelemaal niet!

Vrouw.
Bij Castor, ik, beklagenswaardige!!

Menaechmus.
Waarom ben jij beklagenswaardig? leg
Mij toch de zaak uit!

Schuier.
                                          Hij 's zoo onbeschaamd,
dat hij alles ontkennen zal.

Menaechmus.
                                          Maar 'k zweer
Bij Jupiter en al de goden, vrouw!
- Is dat voldoende: Jupiter en al de
Goden? - dat ik niet heb gewenkt of heb
Geknikt!

Schuier.
                                         Ja, dt gelooft ze wel; nu verder ...!

Menaechmus.
Verder? Waarheen?

Schuier.
                                         Nou, naar den Frygir, denk ik,
Haal daar de palla eerst terug!

Menaechmus.
                                         Maar welke
Palla?

Vrouw.
             'k Zeg niets meer, als hij zijn memorie
Kwijt is.

Menaechmus.
                                         Heeft een bediende iets gedaan?
Een van de slaven, of van de slavinnen?
Je iets geantwoord? Zg 't: ze zullen er
Van lusten!

Schuier.
                                         Jawel, praatjes in de lucht!

Menaechmus.
Je ziet er altoos nog zoo boos uit, toe!
Dat vind 'k nets prettig!

Schuier.
                                         Praatjes, praatjes in
De lucht!

Menaechmus.
                                         Zeg, ben jij boos op iemand van
Onze familia?

Schuier.
                                         Praatjes, praatjes, praatjes
In de lucht!

Menaechmus.
                      Ben jij boos op mij?

Schuier.
                                         Ach, ho toch
Op met die praatjes in de lucht!

Menaechmus.
                                         Bij Pollux,
'k Heb nits gedaan!

Schuier.
                                         Aldoor maar praatjes in
De lucht!

Menaechmus.
                     Zeg, vrouwtje, zeg toch wat er is?

Schuier.
Hij doet de lieve: o wat is die lekker!

Menaechmus.
Leuter niet: praat ik tegen jou? (nadert Vrouw).

Vrouw.
                                           Raak mij
Niet aan!

Schuier.
                    Goed zoo! Goed zoo! Ga jij wr zonder
Mij schransen? Kom dan maar met 'n rozenkrans op
Je dronken kop voor de deur mij uitlachen!

Menaechmus.
Bij Pollux, 'k hb nog niet gemiddagmaald:
Ik was van daag geen ogenblik nog thuis.

Schuier.
 Ontken je, dat ...?

Menaechmus.
                                            Natuurlijk ontken ik.

Schuier.
Nooit zag ik een brutaler kerel! Heb ik
Je een ogenblik geleden voor dit huis
Dan niet gezien met 'n blemkrans op je kop?
En heb je niet beweerd, dat ik niet snik was?
En heb je niet geloochend me te kennen?
En niet gezegd een vreemdeling te zijn??

Menaechmus.
Maar sedert ik je heb verlaten, ben ik
Niet hir geweest!

Schuier.
                                           O, ik doorgrond je! Jij hadt
Zeker niet kunnen denken, dat ik mij
Zo wreken door je vrouw alles te zeggen!

Menaechmus.
Wt heb je dan gezegd?

Schuier.
                                          Nou, 'k weet niet: vraag
't Haarzelf.

Menaechmus.
                    Vrouw, wat is er toch? Wat heeft hij
Je toch verteld? Waarom zwijg je? Zeg mij
Toch wat er is?

Vrouw.
                                          Als of jij dat niet wist!
Mijn palla is me uit huis ontstolen.

Menaechmus.
                                         Is jou
Je palla, ach, ontstolen?!

Vrouw.
                                         Vraag jj dat? 

Menaechmus.
Bij Pollux, 'k zo 't niet vragen, als ik 't wist!

Schuier.
O schelm! Schavuit! Hoe veinst hij! Maar je kan niet
Ontkennen: zij weet lles, want, bij Herk'les,
Ik heb haar alles uitgelegd.

Menaechmus.
                                         Wt alles? 

Vrouw.
Omdat je zonder schaamte bent, omdat je
Niet uit jezelven wilt bekennen, hoor dan
En luister goed, waarom ik boos ben en
Wat hij mij heeft verteld: mijn palla is
Me uit huis ontstolen!

Menaechmus.
                                         Ach, is jo je palla
Ontstolen?

Schuier.
                 Zie toch hoe de schurk probeert er
Zich uit te draaien! Ja, die palla is
Har en niet jo ontstolen, want als die
Aan jo ontstolen was, was die nu wel
In veiligheid!

Menaechmus (tot Schuier).
                                         'k Heb niets met jou te maken!
(tot Vrouw). Maar wat je zegt, vrouw!!

Vrouw.
                                          Ik zeg, dat mijn palla
Uit huis verdwnen is.

Menaechmus.
                                          Wie kaapte 'm, denk je?

Vrouw.
Bij Pollux, dat weet hij wel, die hem weg nam!

Menaechmus.
Wie is dat dan?

Vrouw.
                                          Een zekere Menaechmus.

Menaechmus.
Bij Pollux, wat 'n gemeene daad is dat!
En we is die Menaechmus?

Vrouw.
                                           Dat ben jij!

Menaechmus.
Ik!?

Vrouw.
             Ja, jij!

Menaechmus.
                                           Wie zegt dat?

Vrouw.
                                                                Dat zeg ik!

Schuier.
                                                                                 En
Dat zeg ik! Aan je meid, Erotium, gaf je 'm.

Menaechmus.
Ik gaf hem aan ...?

Schuier.
                                           Ja, jij, jij, jij, jij gaf hem!
Wil jij, dat 'k 'n ehoe hier breng, om jou in je oor
Te jouwen: jij, jij, jij, jij! want wij zijn
Er mo van!

Menaechmus.
                                           'k Zweer bij Jupiter en alle
Goden, - is dat voldoende: Jupiter
En alle goden, vrouw? - dat 'k niets gegeven
Heb.

Schuier.
               En wij zweren, dat wij waarheid spreken.

Menaechmus.
'k Heb niets gegeven, 'k heb alleen geleend.

Vrouw.
Bij Castor, 'k leen je chlamys niet of pallium
Aan wie voor bij gaat; vrouwekleren leent
Een vrouw en mannekleren 'n man uit: breng je
Mijn palla nu terug?

Menaechmus.
                                           Ja, daad'lijk.

Vrouw.
                                                              't Is je
Geraden, want jij komt het huis niet binnen
Ten zij jij dadelijk mijn palla brengt!

Menaechmus.
Ik kom mijn huis niet binnen ...?

Schuier.
                                            Wat krijg ik nu
Voor 't zaakje?

Vrouw.
                                            Als jou thuis wat is ontstolen,
Betaal 'k je met gelijke munt. (af)

Schuier.
                                            Bij Pollux,
Dat zal dan nooit gebeuren want er is
Bij mij, thuis, niets te stelen: dat de goden
Zoo man als vrouw verderven; ik loop naar
Het forum, want 'k begrijp, er is in dt huis
Niets meer te doen! (af).

Menaechmus.
                                            Mijn vrouw denkt, dat zij mij
Een kwaad ding doet, door mij de deur te sluiten
Als of ik niet een prettiger verblijfplaats
Bezat. Als ik jou niet beval, heb dn maar
Geduld! 'k Beval wel aan Erotium,
Die mij niet buiten sluiten zal, maar eerder
Zich met mij op zal sluiten. Nu, ik ga;
'k Zal vragen mij die palla wer terug
Te geven en haar zal 'k een mooi're geven!
Heu! Is daar niet de deurwachter! Hei, open
De deur! Vraag aan Erotium buiten te
Komen!

Twaalfde tooneel.
Erotium, Menaechmus.

Erotium.
Wie vraagt naar mij?

Menaechmus.
                                            Een, die zijn eigen
Ondergang heeft bewerkt!

Erotium.
                                            Maar, mijn Menaechmus!
Wat blijf je buiten staan! Toe, kom toch binnen!

Menaechmus.
Blijf hier. Weet je waarom ik bij je kom?

Erotium.
Zo 'k dat niet weten? Om te zamen een
Gezellig uurtje door te brengen!

Menaechmus.
                                            Neen,
Heel'maal niet: 'k bid je, geef de palla, die
'k Je gaf, terug; mijn vrouw weet alles haarfijn!
Ik zal je een veel kostbaard're palla koopen
En naar je eigen keuze.
 
Erotium.
                                            Maar ik gaf je al
Die palla, dat je 'm naar den Frygir
Zo brengen, nauw'lijks 'n oogenblik geleden,
En immers ook dien armband, dien je naar
Den goudsmid brengen zo opdat hij er
een nieuwe van zo maken?

Menaechmus.
                                            Aan mij gaf jij
Die palla en een armband? Dat 's onmooglijk!
Want nadat ik je 't ding gaf en naar 't forum
Ging, kom 'k nu eerst terug en zie 'k je n
Eerst wer.

Erotium.
               'k Begrijp wel wat je wilt! Jij wilt mij
Berooven! Je gedraagt je fijn, dat moet
Ik zeggen!

Menaechmus.
                                           Maar bij Pollux, 'k heb geen reden
Je te berooven! 'k Zeg je, mijn vrouw weet
Alles!

Erotium (boos).
                Ik heb je niet gevraagd, dat jij
Die palla mij zo geven. Uit je eigen
Gaf jij 'm mij, als geschenk! Nu vraag jij 'm wer!
't Is mij wel, hoor; je mag hem hebben, ho hem!
Voor jou of voor je vrouw, doe er me wat
Je wilt! Maar van dt oogenblik af zet
Jij geen vet meer bij mij want alles wat
Ik voor je deed, vergeldt je mij met ondank,
Bedrieger, die je bent! Nu ja ... ten zij jij
Mij dadelijk betaalt; dan kan jij mij
Ten minste niet bedotten ... Ga, als jij
Iemand bedotten wil, dat 'n ander doen! (wil haastig af).

Menaechmus.
Maar wees niet boos, bij Herk'les: hei toch, hoor eens;
Ik zeg je, blijf; toe, kom terug!

Erotium (wijst hem boos te blijven).
                                           Blijf daar!
Denk jij maar zoo terug te keeren in
Mijn gunst? (af, in huis).

Menaechmus.
                    Ze is binnen! En ze sluit de deur!
Nu ben ik, zoowel hir als dr buiten
Gesloten! Noch in eigen huis, noch bij
Mijn meisje word ik meer geloofd! Vooruit!
Ik zal mijn vrienden raadplegen, wat zij
Denken, dat mij te doen nu staat! (af).

Dertiende tooneel.
Menaechmus Sosicles, later de Vrouw.

Menaechmus Sosicles. (palla over den arm).
                                           Nooit deed ik
Stommer, dan toen 'k mijn beurs gaf aan Messenio,
met 't geld, want nu verzuipt hij dat zeer zeker
In de kroeg!

Vrouw (komt op).
                  Ik zal hier beloeren of
Mijn man nog thuis komt. Kijk! Daar is hij al!
Ik ben gered! Hij brengt mijn palla, mooi zoo!

Menaechmus Sosicles.
'k Verwonder mij waar nu Messenio rond dwaalt.

Vrouw.
'k Zal tot hem gaan en hem het woordje zeggen,
Dat hij verdient! (tot M. Sosicles) Schaam jij je niet, o schandvlek,
Je met die palla, voor mij te vertoonen?

Menaechmus Sosicles.
Wat moet je? Wat bezielt je, vrouw?

Vrouw.
                                              De schurk!
Waag jij 't maar n woord nog te zeggen en ...

Menaechmus Sosicles.
Wat heb ik dan misdaan, dat ik niets zeggen
Mag?

Vrouw.
                 Vrag je dat? O wat de mannen toch
Driest onbeschaamd zijn!

Menaechmus Sosicles.
                                               Zeg, vrouw, weet jij ook
Waarom de Grieken Hecuba een teef
Noemden?

Vrouw.             
                 Dat weet ik niet!

Menaechmus Sosicles.
                                               Niet? Hecuba
Deed net als jij nu doet: wie zij ontmoette,
Die blafte zij alle verwensching toe,
En toen werd zij met 't volste recht de Teef
Genoemd.

Vrouw.
                  Ik kn niet meer zoo veel beleed'ging
Verduren! Liever zonder man te leven
Dan dt te lijden ...!

Menaechmus Sosicles.
                                               Maar wat kan 't mij bommen,
Of jij leeft mt je man of zonder man?
Is 't hier gewoonte tegen iedren vreemd'ling
Praatjes te houden?

Vrouw.
                                              Praatjes? Maar wt praatjes?
Ik zeg je, dat ik voortaan liever zonder
Man leef, dan jouw manieren te verduren!

Menaechmus Sosicles.
Maar leef, voor mijn part, zonder man zoo lang
Jupiter in Olympus heerscht, bij Herk'les!

Vrouw.
Zoo even loochende jij mij bestolen
Te hebben; nu heb jij wat mij behoort
Over den arm: schaam jij je dan niet?

Menaechmus Sosicles.
Neen, vrouw, bij Herk'les! Jij bent een brutaaltje!
Te durven zeggen, dat ik je die palla
Ontstolen heb, terwijl een andre vrouw
Mij 't ding gaf, dat ik 't zo doen repareeren?!

Vrouw.
Ja, ja, bij Castor! Ik zal om mijn vader
Zenden en hm je schandelijk gedrag
Vertellen! (tot slaaf binnenshuis) Hei, zeg Decio, vraag mijn vader,
Hier daad'lijk met je me te komen; zeg hem,
Dat 't voor een zaak is van gewicht. Ik zal
(tot M. Sosicles) Jouw euveldaad openbaar maken!

Menaechmus Sosicles.
                                             Zeg
Ben jij nu heelemaal gek! Mijn uvel-
Daad!?

Vrouw.
               Ja, 'n palla en 'n gouden armband van
Je vrouw uit huis te brengen naar je meid!
Heb ik je 't nu duidelijk uitgelegd?

Menaechmus Sosicles.
Vrouw, 'k vraag bij Herk'les, of jij ook misschien
Een tooverdrank weet, dien ik drinken kan, om
Je razernijen te verduren. Ik
Weet niet voor wie jij mij neemt: 'k ken je niet.

Vrouw.
Je houdt, bij Pollux, mij voor den gek maar
Mijn vader, als hij komt, zal jij niet voor den
Gek kunnen houden! Dar heb je 'm! Nu, ken
Jij hem?

Menaechmus Sosicles.
                Ik ken hem, zeker! 'k Ken hem sedert
Van daag, sedert dit oogenblik; ik ken hem
Net als ik jou ken.

Vrouw.
                                            Loochen jij mij, mij
Te kennen? Loochen jij mijn vader te
Kennen?

Menaechmus Sosicles.
                En ook je grootvader, als jij die
Hier ook nog roept.

Vrouw.
                                             Bij Castor! Dat is wl je
Gewoonte: zo schandelijk onbeschaamd
Te zijn!

Veertiende tooneel.
Grijsaard, Vrouw, Menaechmus Sosicles.

Grijsaard.
               Zooveel mijn leeftijd 't toestaat en
Als 't wel noodzaaklijk zijn zal, zal 'k mijn stap
Verhaasten. ...