INLEIDING

Aan P.C. Boutens,
mijn Leermeester.

Een prentenboek hadden wij reeds als kind
met beelden uit het dagelijksche leven,
en onder elk daarvan een tekst geschreven,
die met "hier ziet men", of zoo iets, begint.
Zoo is ´t ook met de volgende gedichten.
Zij hooren elk bij een bepaald tafreel
uit dat ter wereld eenige geheel,
dat Platoon ons in zijn Timaios stichtte.
Wellicht, dat zij u dit of dat verklaren,
dat hier of daar iets van zijn wijzen lach
een regel, hem zij dank, doorschijnen mag.
Maar wilt ge ´t beeld in volle grootte ontwaren,
neem dan den Meester zelf terhand, want ach,
Zijn woord valt door geen dichter te evenaren.

2 Eerst wordt ons in herinnering gebracht,
hoe van al ´t noembare zich zeggen laat,
of ´t uit het Wordende is, dat weer vergaat,
of uit het Zijnde, waar geen einde ´t wacht.
En van het Wordende wordt dan gezegd,
dat het valt waar te nemen met de zinnen,
terwijl het Zijnde ons zich ontsluiert binnen
wat enkel redelijk wordt uitgelegd.
Omtrent het Wordende hebben wij Meening,
door andre Meening veelal te overreden,
geen vast bezit, maar geestelijke leening.
Doch ´t Zijnde, in onverstoorbaarheid gezeten,
erkennen we, eens en voor alle eeuwigheden
´t zelfde te zijn. En daarvoor geldt het Weten.

3 Maakt men zich op, zoo gaat Timaios voort,
om van iets de gelijkenis te treffen,
dan moet men het belang der vraag beseffen,
tot welk gebied het voorbeeld zelf behoort.
Is het een deel der wereld van Ontstaan
en van Vergaan, is het dus onvolledig,
dan zal het beeld ook daaraan evenredig
met onvolkomenheid zijn aangedaan.
Maar is het uit de wereld van het Zijn,
voor altijd eender en door niets te schenden,
dan treedt ook uit zijn beeld dat ongekende
vanzelf tot ons naar buiten: schoonheids schijn.
Deze gedachten, hier maar kort vermeld,
zijn ´t eigenlijk betoog vooropgesteld.

4 Datgene, waarom het verder gaat,
is ´t Eendere en het Andere, die Beiden
gezien als eerste grond voor Onderscheiden,
waaruit ons denken zelf dan weer ontstaat.
Want of iets als iets anders eender zij
of niet, is juist, waarvan we ons vergewissen
bij ´t omgaan met begrippen, die praemissen
van ´t Redelijke. En daarmee denken wij.
Denken is, overeenkomst of verschil
vast stellen, en daaruit een oordeel winnen,
dat gelding heeft. Denken is vergelijken.
Dit uit de werkelijkheid te doen blijken,
dien spiegel, aan welks beelden wij beginnen
te kennen, is wat de Timaios wil.

5 Het Eendere en het Andere en het Zijn,
uit die Drie is de wereldziel geworden,
en met haar, naar we opbloeiden en verdorden,
de zielen ook der menschen, groot of klein.
En opdat er een zichtbaar Iets zou wezen,
waaruit dat dubbelzijdig Zijn ons bleek,
bediende God zich van de hemelstreek,
waar ´t in der sterren omloop staat te lezen.
Want volgens ´t Eendre gaan die eenerzijds,
volgens het Andere anderzijds, al dwalend.
Zoo dus, verstrengeld tot een eenig Beeld,
worden tot één opnieuw, die zijn gedeeld.
Zoo leert het, door Timaios´ mond verhalend,
ons Platoon, onnavolgbaar grootsch en weidsch.

6 God nam het Eendere en het Andre dan
en ´t Zijn, en in een mengvat tot één mengsel
gemengd, werden Zij tot een nieuw voortbrengsel,
elk der drie voor een derde deel daarvan.
Maar ´t Andre, dat zich moeilijk mengen laat,
dwong Hij, geweld gebruikend, zich te voegen,
en zich met samen-zijn te vergenoegen,
zoodat het met het Eendre zich verstaat.
En uit dat mengsel maakte Hij de ziel
der Wereld, die oorspronkelijk dus al
het Eender en het Andere bevat.
Dus wekt het geenerlei verbazing, dat
zij ook die Beiden onderscheiden zal,
zoo in wat Worden als wat Zijn toeviel.

7 Die Wereld moet men kunnen zien en tasten,
en dus moet zij bestaan uit Aarde en Vuur,
dat tweetal uitersten van de Natuur
als dragers van het lichte en van het vaste.
Maar om ze in evenredigheid te binden,
worden twee middelsten vereischt, omdat
alleen dan voor tezamengaan al, wat
van ´t driedimensionale is, zich laat vinden.
Dus nam God Lucht en Water in de hand,
en plaatste ze in het midden van die beiden,
en snoerde ze alle vier in één verband.
Zoo, met zijn hemel, luchtruim, zee en land,
willen wij naar Timaios´ leer belijden,
kwam dit Heelal als Beeld van Iets tot stand.

8 Van wat? Zijt mij, Onsterfelijke Goden,
gunstig gezind, nu ´k Uw gebied betreed
met menschelijk begrip. Zoo ik misdeed,
niet willens overschreed ik Uw geboden.
Maar ´t antwoord ligt gereed. Wat zou het wezen
dan dit: "het schoonste en ´t beste"? God is goed.
Bij al, wat Hij beraamt of wat Hij doet,
staat niets ons van het mindere te vreezen.
Op het Volmaakte dan, ´t Eeuwige schouwend,
heeft God dit wonderschoone Beeld voltooid
van dat, wat enkel de Gedachte vat.
Daarvan doordrongen en daarop vertrouwend
gaan wij dus verder, ons bewust, dat nooit
een onzer ´t Ware in zijn geheel bezat.

9 ´t Voorbeeld, dat God koos, is dus ´t Algeheele
des Denkbaren. Daarnaar is dit heelal
van ´t stoflijke gebouwd. De vraag is, zal
er een of meer bestaan, of talloos vele?
Er is er een. Want ware er meer dan een
in ´t voorbeeld, dan ontstond uit twee een derde,
dat beide omvatte, en zoo voorts. Maar dan werden
de velen ´t voorbeeld niet, maar ´t eene alleen.
Zal ´t beeld dus hierin ´t voorbeeld ook gelijken,
dat het alleen is, dan is er niets buiten
deze eene wereld, die wij kunnen zien.
En God kon in het scheppingsuur naardien
dit levend Al binnen één vorm besluiten,
den bolvorm, en dien rondom glad afstrijken.

10 Want oogen had de wereldbol niet noodig:
het heeft geen nut, of men in ´t ledig ziet.
Iets ook, om naar te hooren, was er niet.
Neus en mond waren even overbodig.
Ook handen, want er viel niets af te weren.
Ook voeten: er was niets, om op te gaan.
De wereld kreeg geen spijs, om te bestaan,
geen toestel dus, om voedsel te verteren.
Alleen, volledig en zichzelf voldoende,
zoo maakte God haar, aan zichzelf bekend,
zichzelf alleen tot eenig instrument,
in evenwicht, daar ´t midden allerwegen
van ´t uiterste even ver is afgelegen.
En dat is, wat haar met haar Zijn verzoende.

11 Als God dan Ziel en Lijf vervaardigd heeft,
doet Hij de middens daarvan samenvallen,
en om dat middelpunt zich de Aarde ballen,
gespeitst aan de as, die het Heelal doorstreeft.
En wat de Ziel betreft, verdeelt Hij die
in zeven deelen, naar bepaalde reden,
die weer door middelevenredigheden
tot één Geheel worden van Harmonie.
Zoo maakt Hij, naar het eeuwig Voorbeeld, tot
een levend Wezen, in zichzelf volledig,
de wereld, door ons sterflijken bewoond.
Zijzelve, onsterflijk door Zijn wil, vertoont
zich ons, in al haar deelen evenredig,
als een geschapen gelukzalig God.

12 Binnen dien God maakt Hij weer andre Goden:
de Aarde eerst als oudste en daarop, een voor een,
vooral uit Vuur, de sterren om ons heen,
elk in de loopbaan, die haar werd geboden.
Vervolgens ook de Goden, die ons al
of niet verschijnen naar hun welbehagen.
Maar hier wenscht zich Timaios niet te wagen
aan eigen uitleg van dat vreemd geval.
Want naar hij zegt, hebben zij, die ons leerden,
hoe deze Goden eenmaal zijn ontstaan,
dat op den allerbesten grond gedaan,
omdat zijzelf, althans naar zij beweerden,
daarvan het regelrechte nakroost waren,
en dus hunne eigen zaak ons openbaren.

13 Wat zich verplaatst aan ´t hemelsche gewelf,
de zon dus en de maan en de planeten,
is bij Timaios ´t Andere geheeten.
´t Eendere zijn de vaste sterren zelf.
Gezamenlijk en met gelijken tred
schrijden die voort, de andere onregelmatig
daar tegen in. Zoo is, volmaakt en statig,
´t hemelsche tijdsbestel in gang gezet.
Zuiver voltrekken zich zijn banen, tegen
en met elkaar, en kruisen zij elkander,
maar in de schuinte, als bij de letter Chi.
"Ga sterveling," zegt Platoon ons, "en zie
"hoe naar Gods woord de hemelen bewegen,
"hoe ´t Al is uit het Eendere en het Ander."

14 Maar ´t Eendre heeft de voorkeur, want God vindt
´t Gelijke duizendmaal als ´t Ongelijke
zoo schoon, waarom het Andere moet wijken,
en ´t Eendre alom het aan den hemel wint.
Want dat loopt rond in éénen dag en nacht,
het Andere eerst in maanden of in jaren,
al naar het onnaspeurlijk rondom waren
der sterren van het Dwalende Geslacht.
En ´t Eendere ook is van ´t Rijk der Gedachte,
waar ´t alles immers altijd eender is
als ´t was. Maar hier, binnen dit ongewis
stoflijk gebied, hoezeer wij mogen trachten,
het te doorzien, is ´t Andere om ons henen,
en moet het Weten wijken voor het Meenen.

15 Toch, ieder van die omloopen is Tijd,
want daarom juist schiep God voor ons den hemel,
dat, naar Getal geschikt, ons zijn gewemel
een nabootsing zou zijn van de Eeuwigheid.
Immers, al volgen wij niet alle kringen,
zoo valt gereedelijk toch in te zien,
dat een nieuw perk van Tijd begint, indien
zij samen uit één punt opnieuw ontspringen.
Zoo dan ontstond dat hemelsche geheel,
dat in zijn gang kan worden nagerekend
door wie zich daaraan wijdt, en dat beteekent
besef van Een en Meer, Weinig en Veel.
Aldus, voor wie naar Platoons woord wil hooren,
werd ons Tijds- en Getalsbegrip beschoren.

16 Maar voor wie dat gecijfer niet verstaat,
is het alleen een bron van angst en vreeze,
wat daar te zien is, omdat ze eruit lezen,
wat al rampspoedigs hun gebeuren gaat,
als ´t eene lichaam ´t andere bedekt
bij het voorbijgaan aan dezelfde zijde,
of als, wanneer ze uiteen staan, een van beide
voor korten tijd een schaduw overtrekt.
Maar zij, die verder zien en beter weten,
lezen dat anders. Voor hen is de nacht
bij uitstek licht- en waarnemingsgetij.
En ademloos aandachtig volgen zij
den optocht die, rustig en afgemeten
van stap, voorbijtrekt in zijn kalme pracht.

17 En ziende, dat de wereld zich bewoog,
was God verheugd, en sprak Hij tot de Goden:
"Alles voltrekt zich volgens mijn geboden
"naar ´t Voorbeeld, eeuwigdurend voor mijn oog.
"Maar hierin is het Beeld nog niet gelijk
"aan ´t Voorbeeld, dat het nog niet alle Soorten
"bevat, die moeten groeien uit Geboorte
"binnen het aarde-, ´t lucht- en ´t waterrijk.
"Maakte ik die zelf, zij zouden eeuwig zijn,
"want niet dan ´t eeuwige kan ik bedrijven,
"en daarom bracht ikzelf ook U tot stand.
"Gij nu zult op Uw beurt, Kinderen mijn,
"de Makers zijn der sterfelijke lijven,
"maar ´t Eeuwig Deel gewordt U uit mijn hand."

18 Nog eenmaal dus neemt God de Drie in handen,
die Hij tot wereldziel vereenigd had,
en mengt ze een tweeden keer, in ´t zelfde vat
maar anders van verhouding. En met banden,
die na verloop van tijd worden geslaakt,
doet Hij die ziel, onsterfelijker waarde,
binden aan ´t stoflijk lijf, geleend van de Aarde.
En zoo, tweeledig, wordt de mensch gemaakt.
Dan breidt de ziel nog sterfelijk zich uit
ten dienste van gemoeds- en dierlijk leven,
binnen de borst- en buikholte aangebracht.
´t Eeuwige alleen houdt in het hoofd de wacht,
vanwaar, steunend op redelijk gegeven,
´t regeert en voorschrijft, oordeelt en besluit.

19 Daar, afgezonderd door den nauwen hals
van wat in ´t lijf zich verder mag voltrekken,
is het in rust gezeteld. Nooit verwekken
de driften daar in ´t minst beroering, als
zij, opgestegen uit den lagen buik,
´t hart, dat ze tegenhoudt, in opstand brengen,
en door het vurig samenweefsel zengen,
waarin ´t besloten ligt als in een fuik.
Maar in het hoofd dat, als de wereld, rond is,
wentelen, voor de duur der levensdagen,
het Eendere en het Andere immer voort.
En daarom wordt het ook, zooals behoort,
daar het de Rede omvat, die uit Gods mond is,
omhoog, ten hemel opgericht, gedragen.

20 Want eer de ziel des menschen, uit Gods hand
gekomen, aan het Aardsche wordt gebonden,
heeft Hij omhoog haar naar een ster gezonden,
en haar aldaar voor de eerste maal geplant.
Daar houdt zij dan aanvankelijk verblijf,
en wordt zij van het Eendere doortrokken,
opdat het Andere haar niet verlokke,
wanneer zij één is met een stoflijk lijf.
En daarop eerst geeft God haar aan de Goden,
die met de lichaamsvorming zijn belast,
dat Zij haar met het sterflijke verweven.
Maar in dat Andere houdt zij zich vast
aan ´t hemelsche Eendere en deszelfs geboden.
En daardoor blijft van zelf ´t hoofd opgeheven.

( ... )

39 Maar heeft de mensch behoorlijk zich gekweten
van wat in ´t leven hem was opgelegd,
heeft hij gedaan, wat hem de rede zegt,
geluisterd naar de stem van zijn geweten,
dan keert de ziel, bij ´t ons beschoren einde,
terug naar de haar toegewezen ster,
om daar in zaligheid te wonen, ver
van al, wat stoort, in zich verzonken zijnde.
Haar valt dan ook het scheiden hier niet zwaar,
want na ´t verblijf binnen dit Andre, waar
zij naar vermogen ´t Eendere betrachtte,
komt zij terug bij wat haar is verwant.
Dan is de ziel weer in haar vaderland,
waarnaar zij hier op aarde als balling smachtte.

( ... )