DIONUSIAKWN PRWTON                                             




Prw'ton  e[cei  Kronivwna, faesfovron  a{rpaga nuvmfh~, 
kai; palavmai~ Tufw'no~ ajrassovmenon povlon  a[strwn.              
                                                                                                                     



r. 1 - 10

Eijpev, qeav, Kronivdao diavktoron ai[qopo~ aujgh`~,
numfidivw/ spinqh`ri mogostovkon a[sqma keraunou`,
kai; steroph;n Semevlh" qalamhpovlon: eijpe; de; fuvtlhn
Bavkcou dissotovkoio, to;n ejk puro;" uJgro;n ajeivra"
Zeu;" brevfo" hJmitevleston ajmaieuvtoio tekouvsh",
feidomevnai" palavmh/si tomh;n mhroi'o caravxa",
a[rseni gastri; lovceuse, path;r kai; povtnia mhvthr, 
eu\ eijdw;" tovkon a[llon, ejpei; gonoventi karhvnw/,
a[sporon o[gkon a[piston e[cwn ejgkuvmoni kovrsh/,
teuvcesin ajstravptousan ajnhkovntizen   jAqhvnhn.      
                      

 BOEK I van de DIONYSIACA




Het eerste bevat Kronion, lichtbrengende grijper van de nimf,
en de sterrenhemel, gebeukt door de handen van Typhon.





r. 1 - 10

Vertel, godin, over Kronides' boodschapper van flitsend licht,
het met bruiloftsvuur barensnood brengend gehijg v
an donder,
en de bliksem als slaapkamerdienaar van Semele; vertel over het ontstaan 
van twee maal geboren Bakchos, die Zeus nog nat uit het vuur tilde,
een half voltooide baby van een nog niet bevallen moeder,                             5
en die hij, met voorzichtige handen een scherpe snee in zijn dij makend,
met mannenbaarmoeder baarde, vader en vereerde moeder tegelijk; 
nog goed wetend van een andere bevalling, toen hij uit zijn vruchtbare hoofd,
met die ongelooflijke zonder zaad gevormde massa in zijn zwangere schedel,
Athena schitterend in haar wapenrusting omhoog schoot.                              10


Inhoudsopgave: Kronion: zoon van Kronos = Zeus
r. 1: Kronides: zoon van Kronos = Zeus
r. 7: Ilias VI Andromache tegen Hektor
r. 8-10: Zeus, eens lijdend aan een vreselijke hoofdpijn, vroeg Hefaistos met een bijl zijn schedel te splijten.
Na enig aarzelen voldeed Hefaistos aan dit verzoek.
Uit Zeus' opengebarsten hoofd verscheen in volle wapenrusting de godin Athena.

Ilias A en Odyssee a.


r. 11 - 15

[Axatev moi navrqhka, tinavxate kuvmbala, Mou'sai,
kai; palavmh/ dovte quvrson ajeidomevnou Dionuvsou:
ajlla; corou' yauvonta, Favrw/ para; geivtoni nhvsw/,
sthvsatev moi Prwth'a poluvtropon, o[fra faneivh
poikivlon ei\do" e[cwn, o{ti poikivlon u{mnon ajravssw:


r. 11 - 15

Breng mij reuzenvenkel, schud de cymbalen, Muzen,
en geef aan mijn hand de thyrsus van Dionysos die bezongen wordt;
en zet neer voor mij vindingrijke Proteus, de dansplaats aanrakend,
bij het naburige eiland Pharos, dat hij verschijnt
met steeds wisselende vorm, omdat ik een steeds wisselend lied sla;


Pharos is het eiland waar Menelaos Proteus ving (Od.4,351 evv.).
Nonnos komt zelf uit Panopolis in Egypte, en kan het eiland dus 'naburig' noemen.



r. 16 - 33


eij ga;r ejferpuvsseie dravkwn kuklouvmeno" oJlkw/,
mevlyw qei'on a[eqlon, o{pw" kisswvdei> quvrsw/
frikta; drakontokovmwn ejdai?zeto fu'la Gigavntwn:
eij de; levwn frivxeien ejpaucenivhn  trivca seivwn,
Bavkcon ajneuavxw blosurh'" ejpi; phvcei>    JReivh"
mazo;n uJpoklevptonta leontobovtoio qeaivnh":
eij de; quellhventi metavrsio" a{lmati tarsw'n
povrdali" ajivxh/ poludaivdalon ei\do" ajmeivbwn,
uJmnhvsw Dio;" ui|a, povqen gevno" e[ktanen   jIndw'n
pordalivwn ojcevessi kaqippeuvsa" ejlefavntwn:
eij devma" ijsavzoito tuvpw/ suov", ui|a Quwvnh"
ajeivsw poqevonta suoktovnon eu[gamon Au[rhn,
ojyigovnou tritavtoio Kubhlivda mhtevra Bavkcou:
eij de; pevloi mimhlo;n u{dwr, Diovnuson ajeivsw
kovlpon aJlo;" duvnonta korussomevnoio Lukouvrgou:
eij futo;n aijquvssoito novqon yiquvrisma titaivnwn,
mnhvsomai   jIkarivoio, povqen para; quiavdi lhnw'/
bovtru" aJmillhth'ri podw'n ejqlivbeto tarsw'/.


r. 16 - 33


want mocht hij kruipen als een slang, ronddraa
iend in een kronkel,
dan zal ik de strijd van de god bezingen, hoe hij met zijn klimoprijke thyrsus
de huiveringwekkende stam van de Giganten die slangenhaar hebben vernietigde; mocht  hij als een leeuw zijn manen om zijn nek schuddend opzetten,
dan zal ik voor Bakchos 'Eua!' roepen, terwijl hij op de arm van imposante Rheia
stiekem de borst drinkt van de leeuwen voedende godin;
mocht hij met een stormachtige sprong van zijn poten hoog de lucht in
schieten als een luipaard, zijn kunstig gevarieerde vorm veranderend,
dan zal ik zingen van de zoon van Zeus, hoe hij het volk van IndiŽrs doodde
en met zijn strijdwagen van luipaarden olifanten vertrapte;
mocht hij zijn gestalte gelijkmaken aan de vorm van een zwijn, dan zal ik de zoon van Thyone bezingen, terwijl hij verlangt naar zwijndodende Aura, goed om te trouwen,
dochter van Cybele, moeder van de laatgeboren derde Bakchos;
mocht hij imitatie van water zijn, dan zal ik Dionysos bezingen,
terwijl hij in de boezem van de zee duikt, wanneer Lykourgos zich wapent;
mocht hij ritselen als een struik, nagemaakt geruis stemmend,
dan zal ik herinneren aan Ikarios, hoe bij de extatische wijnpers
de druiventros door het wedijverende vlak van zijn voeten werd geplet.
 


Aura: xlviii 238 ff.
Diodorus III 63
Cicero Nat Deorum III 23

Lykourgos: een Thracische koning die Dionysos vervolgde; zie xx.182 ev.
Ikarios: een Athener aan wie Dionysos de wijnbouw leerde; zie xlvii.34 ev.



r. 34 - 44

 [Axatev  moi navrqhka, Mimallovne", wjmadivhn de;
nebrivda poikilovnwton ejqhvmono" ajnti; citw'no"
sfivgxatev moi stevrnoisi, Marwnivdo" e[mpleon ojdmh'"
nektarevh", buqivh/ de; par  j  Eijdoqevh/ kai;   JOmhvrw/
fwkavwn baru; devrma fulassevsqw Menelavw/.
eu[iav moi dovte rJovptra kai; aijgivda", hJdumelh' de;
a[llw/ divqroon aujlo;n ojpavssate, mh; kai; ojrivnw
Foi'bon ejmovn: donavkwn ga;r ajnaivnetai e[mpnoon hjcwv,
ejx  o{te Marsuvao  qehmavcon aujlo;n ejlevgxa"
devrma parh/wvrhse futw'/ kolpouvmenon au[rai",
gumnwvsa" o{la gui'a liporrivnoio nomh'o".


r. 34 - 44


Breng me de reuzenvenkel, Mimallonen, en bind over mijn schouder
bontgevlekte reeŽnhuid in plaat van de gebruikelijke chiton
stevig op mijn borst, vol van de nectarische geur van
Maron, en laat bij Eidothea diep in de zee en bij Homerus
het zware vel van zeehonden  bewaard worden voor Menelaos.
Geef mij Bakchische tamboerijnen en geitenvellen, maar geef aan een ander
de zoetzingende dubbele fluit mee, dat ik niet
mijn Phoibos provoceer; want hij wil niets te maken hebben met ademend geluid van rietstengels, sinds hij de godvechtende fluit van Marsyas weerlegde
en diens huid, gebold door de winden, hoog in een boom hing,
nadat hij alle ledematen van de huidloze herder had ontbloot.


Mimallonen: Macedonische naam van de Bacchanten.
Hom. Od. 9, 197.
Hom. Od. 4, 406
Maron: naam van Thracische priester, die Odysseus wijn gaf > wijn.
Athena is de uitvindster van de dubbele fluit, maar zij gooide het instrument weg, omdat ze vond dat ze er lelijke dikke wangen van kreeg. Marsyas
nam het tweedehandsje over en werd een prima fluitist. Zo goed vond hij zich zelf, dat hij Apollo uitdaagde voor een wedstrijd fluit tegen lier.
Apollo won uiteraard fluitend - pardon, met gemak, en vilde Marsyas levend als straf voor zijn impertinentie.


r. 45

jAllav, qeav, masth'ro" ajlhvmono" a[rceo Kavdmou.                 


r. 45

Maar, godin, begin met de dwalende zoeker Kadmos.


Nonnus vertelt eerst (van alles, maar vooral) over Kadmos, over diens huwelijk met Harmonia, en over de vurige liefde van Zeus voor Semele. Pas aan het einde van boek 8 wordt Bakchos geboren, of liever: als baby gered uit zijn verkoolde moeder. 


r. 46 - 137

Sidonivh" pote; tau'ro" ejp  j hj/ovno" uJyivkerw" Zeu;"
iJmeroven muvkhma novqw/ mimhvsato laimw'/
kai; gluku;n ei\ce muvwpa: metocmavzwn de; gunai'ka,
kuklwvsa" palavma" peri; gastevra divzugi desmw'/,
baio;"   [Erw" kouvfize, kai; ejgguvqen uJgropovro" bou'"
kurto;n uJpostorevsa" lofivhn ejpibhvtori kouvrh/,
dovcmio" ojklavzwn, kecalasmevna nw'ta titaivnwn,
Eujrwvphn ajnaveire: diessumevnoio de; tauvrou
plwto;" o[nux ejcavraxe bath'" aJlo;" a[yofon u{dwr
i[cnesi feidomevnoisin: uJpe;r povntoio de; kouvrh
deivmati pallomevnh boevw/ nautivlleto nwvtw/
ajstemfh;" ajdivanto": ijdw;n dev min h\ tavca faivh"
h] Qevtin h] Galavteian h] eujnevtin ejnnosigaivou
h] lofivh/ Trivtwno" ejfezomevnhn   jAfrodivthn:
kai; plovon eijlipovdhn ejpeqavmbee kuanocaivth",
Trivtwn d  j hjperoph'a Dio;" mukhqmo;n ajkouvwn
ajntivtupon Kronivwni mevlo" mukhvsato kovclw/
ajeivdwn uJmevnaion: ajeiromevnhn de; gunai'ka
qau'ma fovbw/ keravsa" ejpedeivknue Dwrivdi Nhreuv",
xei'non ijdw;n plwth'ra kerasfovron: ajkrobafh' de;
oJlkavda tau'ron e[cousa boostovlo" e[plee nuvmfh,
kai; dierh'" tromevousa metavrsion a{lma poreivh"
phdavlion kevra" e[sce, kai;   {Imero" e[pleto nauvth".
kai; dolovei" Borevh" gamivh/ dedonhmevnon au[rh/
fa'ro" o{lon kovlpwse dusivmero", ajmfotevrw/ de;
zh'lon uJpoklevptwn ejpesuvrisen o[mfaki mazw'/.
wJ" d  j o{te Nhrei?dwn ti", uJperkuvyasa qalavssh",
eJzomevnh delfi'ni cuth;n ajnevkopte galhvnhn,
kaiv oiJ ajeiromevnh" ejlelivzeto mudalevh cei;r
nhcomevnh" mivmhma, fevrwn dev min a[brocon a{lmh"
hJmifanh;" pefovrhto di j u{dato" uJgro;" oJdivth",
kurtwvsa" eJa; nw'ta, dierpuvzousa de; povntou
divptuco" a[kra kevleuqa katevgrafen ijcquvo" oujrhv:
w}" o{ ge nw'ton a[eire: titainomevnoio de; tauvrou
boukovlo" aujcevna dou'lon  [Erw" ejpemavstie  kestw'/,
kai; nomivhn a{te rJavbdon ejpwmivdi tovxon ajeivrwn
Kupridivh/ poivmaine kalauvropi numfivon   {Hrh"
eij" nomo;n uJgro;n a[gwn Posidhvion: aijdomevnh de;
parqenivhn povrfure parhivda Palla;" ajmhvtwr
hJnivocon Kronivwno" ojpipeuvousa gunai'ka.
kai; Dio;" uJdatoventi diessumevnou povron oJlkw'/
ouj povqon e[sbese povnto", o{ti brucivhn   jAfrodivthn
oujranivh" w[dinen ajp  j  au[lako" e[gkuon u{dwr:
kai; boo;" ajfloivsboio kubernhvteira poreivh"
kouvrh fovrto" e[hn kai; nautivlo". eijsorovwn de;
mimhlh;n tacuvgounon ejcevfrona nh'a qalavssh"
toi'on e[po" perivfoito"   jAcaiiko;" i[ace nauvth":
"   jOfqalmoiv, tiv to; qau'ma; povqen posi; kuvmata tevmnwn
nhvcetai ajtrugevtoio di  j u{dato" ajgronovmo" bou'";
mh; plwth;n Kronivdh" televei cqovna; mh; dia; povntou
uJgro;" aJlibrevktoio caravssetai oJlko;" aJmavxh";
paptaivnw kata; ku'ma novqon plovon: h\ rJa Selhvnh
a[zuga tau'ron e[cousa met  j aijqevra povnton oJdeuvei,
ajlla; Qevti" buqivh diero;n drovmon hJnioceuvei;
ouj boi>; cersaivw/ tuvpon ei[kelon eijnavlio" bou'"
e[llacen - ijcquoven ga;r e[cei devma" -, ajnti; de; gumnh'"
ajllofanh;" ajcavlinon ejn u{dasi pezo;n oJdivthn
Nhrei>;" eJlkesivpeplo" ajhvqea tau'ron ejlauvnei.
eij pevle Dhmhvthr stacuhkovmo", uJgropovrw/ de;
glauka; diascivzei boevw/ podi; nw'ta qalavssh",
kai; su; buqou' meta; ku'ma, Poseidavwn, metanavsth"
gaivh" divyia nw'ta metevrceo pezo;" ajrotreuv",
nhi; qalassaivh/ Dhmhvtero" au[laka tevmnwn,
cersaivoi" ajnevmoisi bato;n plovon ejn cqoni; teuvcwn.
tau're, pareplavgcqh" metanavstio": ouj pevle Nhreu;"
boukovlo", ouj Prwteu;" ajrovth", ouj Glau'ko" aJlweuv",
oujc e{lo", ouj leimw'ne" ejn oi[dmasin, ajlla; qalavssh/
ajtrugevtw/ plwvonte" ajnhvrota nauvlocon u{dwr
phdalivw/ tevmnousi kai; ouj scivzousi sidhvrw/:
au[laka" ouj speivrousin ojpavone" ejnnosigaivou,
ajlla; futo;n povntoio pevlei bruva kai; spovro" u{dwr,
nautivlo" ajgronovmo", plovo" au[lake", oJlka;" ejcevtlh.
ajlla; povqen meqevpei" tina; parqevnon; h\ rJa kai; aujtoi;
tau'roi ejrwmanevonte" ajfarpavzousi gunai'ka";
h\ rJa Poseidavwn ajpathvlio" h{rpase kouvrhn
taureivhn kerovessan e[cwn potamhivda morfhvn;
mh; dovlon a[llon u{fhne pavlin meta; devmnia Turou'",
wJ" kai; cqiza; tevlessen, o{q  j uJdatovei" parakoivth"
ceuvmasi mimhloi'si novqo" kelavruzen   jEnipeuv"; "
Toi'on e[po" perovwn   JEllhvnio" e[nnepe nauvth"
qambalevo".  boevou" de; gavmou" manteuvsato kouvrh,
kai; plokavmou" tivllousa gohvmona rJh'xen ijwhvn:
Kwfo;n u{dwr, rJhgmi'ne" ajnaudeve", ei[pate tauvrw/,
eij bove" eijsai?ousin: ' ajmeivlice, feivdeo kouvrh". '
ei[patev moi, rJhgmi'ne", ejmw'/ filovpaidi tokh'i
Eujrwvphn lipovpatrin ejfezomevnhn tini; tauvrw/
a{rpagi kai; plwth'ri kai;, wJ" dokevw, parakoivth/.
mhtevri bovstruca tau'ta komivssate, kuklavde" au\rai.
naiv, livtomai, Borevh", wJ" h{rpasa"  jAtqivda nuvmfhn,
devxov me sai'" pteruvgessi metavrsion: i[sceo, fwnhv,
mh; Borevhn meta; tau'ron ejrwmanevonta nohvsw. "
{W" famevnh rJacivh/si boo;" porqmeuveto kouvrh:



r. 46 - 137


Eens, op het strand van Sidon, bootste als stier met hoge horens Zeus 
geloei vol verlangen na met onechte keel
en voelde een aangename prikkel; haar vastgrijpend,
zijn handen in een dubbele band om haar buik cirkelend,
tilde kleine Eros de vrouw op, en vlak bij legde het waterbevarend rund
zijn bolle nek neer onder het bestijgende meisje,
hurkte opzij, boog zijn ontspannen rug,
en tilde Europa op; de drijvende hoef van de wegschietende stier
sneed door het rumoerloze water van de begaanbare zee
met voorzichtige sporen; boven de zee voer het meisje,
bleek van schrik, op de runderrug,
zonder te bewegen, zonder nat te worden; als je haar zag zou je snel denken,
dat zij Thetis was of Galatheia of de bedgenote van de aardschokker
of Aphrodite, zittend op de nek van een Triton;
...

  

De ontvoering van Europa: vgl. Moschus en Nonnus.


r. 138 - 145

Kavdmo" o{qen perivfoito" ajpo; cqono;" eij" cqovna baivnwn
a[stata numfokovmoio methvien i[cnia tauvrou.



r. 138 - 145





 
E. Or. 1685
Odyssee 4.351 evv.
Eur. Bacchae 530