die nog niet
Het overspel van Ares en Aphrodite
Lachen met Odyssee 8.266-366 in Nonnus'  Dionysiaca
Berenice Verhelst

Summary: The story of Aphrodite's adultery, sung by Demodocus in Odyssey 8, was in antiquity both well-known and controversial. Many later Greek and Latin authors refer to this myth in their works, but no one as often as Nonnus of Panopolis, the Novus Homerus of late antiquity and author of the long epic Dionysiaca. We can find references to the story in twelve separate passages. Two of them are fully developed and highly original adaptations of the story, combining humour and explicit intertextuality. They can be read as parodic sequels of the story. Both also seem to refer to the points of discussion in the Homeric scholia regarding the song of Demodocus. This article presents a full discussion of the story of Aphrodite's adultery in the Dionysiaca, with special attention to Nonnus' attitude towards Homer.

1 Inleiding

Hoe Aphrodite in de armen van Ares wordt betrapt door haar bedrogen echtgenoot Hephaestus lezen we in de oudste en meest uitgebreide versie van het verhaal in het lied van Demodocus, de aoide aan het hof van de Faeaken, in Odyssee 8.266-366. De allesziende Helius verklikt het overspelige koppel, waarop Hephaestus een gouden net smeedt. Daarin worden de overspeligen gevangen, op heterdaad betrapt en in schaamte aan de andere goden getoond. Het verhaal behoort vandaag tot de best gekende mythologische verhalen. In Ovidius'  Metamorphoses, waar het verhaal  door Leuconoë aan haar zusters wordt verteld, besluit zij met de woorden haec fuit in toto notissima fabula caelo 'dit was het meest ruchtmakende verhaal op de Olympus' (Metamorphoses 4.189).
Dit 'ruchtmakende verhaal' is echter niet zonder controverse. Afkeurende reacties op de inhoud lezen we bij Xenophanes en Plato. (noot 1) De tien 'ergste' verzen (333-342) werden al in de oudheid gecensureerd, zoals blijkt uit de scholia. Dit 'omwille van de ongepaste inhoud' (dia; to; ajprevpeian ejmfaivnein) die volgens de scholiast dan ook van recentere datum moet zijn (newteriko;n ga;r to; frovnhma 'want deze opvatting is nieuwlichterij'). (noot 2) Het gaat hier om het vrolijke gesprek tussen Apollo en Hermes, twee van de goddelijke toeschouwers van het beschamende tafereel. In plaats van het overspel te veroordelen, laat Hermes hier blijken dat hij maar al te graag van plaats had gewisseld met de zonet betrapte Ares. Lucianus verwerkt het humoristische fragment in een van zijn Godendialogen (17).
Dezelfde combinatie van censuur en tekstkritiek als in de scholia vinden we ook in de moderne editiegeschiedenis van Odyssee 8. Een goed overzicht van de argumenten om het volledige lied van Demodocus - een losstaand geheel dat gemakkelijk geschrapt zou kunnen worden - al dan niet als een interpolatie te beschouwen, wordt verschaft in een rtikel van Christine Hunzinger. (noot 3) Vandaag ligt de focus van het onderzoek echter op de interpretatie van het verhaal binne het bredere kader van de Odyssee en wordt de authenticiteit niet langer betwist. (noot 4)
De betwiste authenticiteit en moraliteit van de passage hebben echter niet kunnen beletten dat deze passage in de latere Griekse en Latijnse literatuur een sterke weerklank kreeg. Naast de verschillende herwerkingen in Ovidius en de pastiche van Lucianus, kunnen we ook verwijzen naar de vermelding in de Georgica (4.345-346) en de homerische vergelijking van Helena met de betrapte Aphrodite bij Quintus van Smyrna (Posthomerica 14.47-53). Geen enkele auteur gebruikt het verhaal van Ares en Aphrodite echter zo intensief als Nonnus van Panopolis (vijfde eeuw na Chr.), de dichter van het monumentale epos de Dionysiaca (48 zangen). Naast een tiental kortere verwijzingen naar deze mythe, bevat het lang uitgespnonen verhaal van de jonge god Dionysus ook twee langere en erg opvallende parodieën van het homerische origineel. Met dit artikel wil ik met Ares en Aphrodite als rode draad ook een inkijk bieden in de complexe poëzie van Nonnus. De langere passages zijn uitstekende illustraties
voor de eigenwijze houding die Nonnus aanneemt ten opzichte van zijn grootste voorbeeld Homerus. Humor en intertekstualiteit gaan hand in hand.

2 Novus Homerus

Als de auteur van het laatste grote mythologische epos in Griekse hexameters staat Nonnus aan het einde van een traditie en zo profileert hij zich ook in zijn werk. In de tweede proloog van zijn Dionysiaca, precies halverwege het werk, geeft hij aan met 'oude en nieuwe dichters te willen wedijveren' (25.27 nevoisi kai; ajrcegovnoisin ejrivzwn). Hij noemt in de Dionysiaca zijn voorbeelden Homerus (vijf keer) en Pindarus (eenmaal) expliciet bij naam. Homerus wordt in de Dionysiaca geïmiteerd en geparodieerd, geëerd en bekritiseerd. (noot 5) Nonnus schrijft geen vervolg op Homerus, zoals Quintus van Smyrna in zijn Posthomerica, maar wil met zijn epos, dat in veel aspecten ook erg vernieuwend is, Homerus overtreffen. Tijdgenoten van Nonnus worden door hem weliswaar nergens expliciet vermeld, maar de extreme metrische dwangbuis van de Nonniaanse hexameter (met slechts 9 mogelijke patronen) die Nonnus en zijn tijdgenoten en navolgers zichzelf oplegden, moeten we waarschijnlijk kaderen in een poëtische concurrentiestrijd. (noot 6)
Nonnus staat tegelijk ook in de christelijke traditie, hoewel daar in de Dionysiaca niet veel van te merken is. Op zijn naam is namelijk nog een tweede, bescheidener dichtwerk overgeleverd, een hexametrische parafrase van het Johannesevangelie. Vandaag wordt algemeen aanvaard dat beide werken door dezelfde auteur geschreven zijn. Er wordt ook niet langer uitgegaan van een bekering of apostasie, maar van een christelijke auteur die zonder gewetensbezwaren over de Grieks godenwereld kan schrijven als essentieel deel van de Griekse paideia waarin hij geschoold is. (noot 7)
Sinds de voltooiing van de Budé-editie van de Dionysiaca (1976-2006) en de Italiaanse BUR-reeks (2003-2004) kent het Nonnusonderzoek een ongekende bloei. De Novus Homerus van de late oudheid werd lang onderbelicht. De Dionysiaca werd beschouwd als weinig originele en onverteerbare barok, onsamenhangend en veel te lang. De vele recente publicaties tonen echter het literair belang en de veelzijdigheid van dit epos. Ik hoop daartoe, ook met dit artikel, een steentje bij te dragen.

3 Het overspel in de Dionysiaca

Iets wat onmiddellijk opvalt bij het lezen van de Dionysiaca is de hoge concentratie aan mythologische referenties, vaak aan verhalen die helemaal niets te maken hebben met de cyclus rond Dionysus. Mythologische verhalen worden meestal gebruikt als vergelijkingspunt. Ze geven daarnaast ook achtergrond bij de (voornamelijk goddelijke) personages, waardoor hun handelingen en onderlinge relaties verklaard kunnen worden.
Het valt op hoe bepaalde mythes meer terugkomen dan andere. Tot Nonnus' 'favorieten' lijken bijvoorbeeld de dood van Hyacinthus (ten minste 13 keer), het gruwelijke verhaal van Philomela, Procne, Itys en Tereus (ten minste zes keer) en de val van Phaethon in de Eridanus (ten minste 13 keer) te horen. (noot 8) De Phaethonmythe is van deze voorbeelden de enige die een meer uitgebreide behandeling krijgt. De mythe wordt namelijk als verklaring bij een hemelteken volledig verteld op verzoek van Dionysus door de god Hermes (38.105-434).
De mythe van het overspel van Ares en Aphrodite, waarop ik in totaal 12 toespelingen heb geteld, valt in de Dionysiaca niet alleen op door de frequentie  van de verwijzingen naar het verhaal, maar zoals reeds vermeld ook en vooral door de creatieve en humoristische manier waarop Nonnus in zangen 24 (230-329) en 29 (325-381) het verhaal herwerkt. In dit artikel volg ik de verwijzingen grotendeels in de volgorde zoals die in de Dionysiaca voorkomen. Ik heb ervoor gekozen ook aan de kortere en minder opvallende de nodige aandacht te geven om een zo volledig mogelijk beeld te geven van hoe Nonnus dit verhaal door zijn epos heen verschillende gestaltes geeft. Er kunnen verschillende  redenen aangehaald worden waarom sommige mythologische verhalen in de Dionysiaca mer aandacht krijgen dan andere. In het geval van Ares en Aphrodite lijkt dit voort te vloeien uit de controverse rond dit verhaal in Odyssee 8.

4 Een overzicht

In het volgende overzicht worden de twaalf verwijzingen gesitueerd in de Dionysiaca. Naast de tekstreferentie staat kort het aspect van de mythe dat in elke verwijzing aan bod komt. De twee parodieën zijn gemarkeerd met een ster.
De eerste vier verwijzingen komen uit het eerste deel van de Dionysiaca. In zangen 1 - 8 wordt de voorgeschiedenis van de jonge god behandeld. Cadmus en zijn familie staan centraal. In een lange flashback wordt ook het verhaal van Zagreus, de eerste Dionysus en zoon van Zeus en Persephone, verteld. Zangen 9 - 12, met één verwijzing naar onze mythe, sluiten het eerste kwart van het epos af met het relaas van de jeugd van Dionysus. Het verhaal van de oorlog van Dionysus tegen de Indische koning Deriades beslaat het grootste deel van het epos: zangen 13 tot 40. Hier vinden we ook het leeuwendeel van de verwijzingen. In zang 25 wordt de tweede helft ingezet met een nieuwe proloog en een tijdssprong. In zangen 41 - 48 eindigt de Dionysiaca ten slotte met de terugtocht naar huis via Tyr, Beiroet, Thebe, Naxos en Athene en de apotheose van Dionysus. In de laatste acht zangen van de Dionysiaca wordt niet naar het verhaal van Ares en Aphrodite verwezen. Aphrodite is als moeder van Beroë (met Adonis) wel nog een belangrijk personage in de zangen 41 - 43. 

4.220-221
Aphrodite vs. Helius
5.80-82
Astrologie
5.135-143
Vaderschap van Eros
5.581-585
Hephaestus vrijgezel
10.201-202
Vaderschap van Eros
15.256
Aphrodite vs. Helius 
24.230-329
* Parodie op het verhaal
29.325-381
* Parodie op het verhaal
31.236-237
Aphrodite tweemaal echtgenote 
33.149-152
Aphrodite vs. Helius
33.309-311
Aphrodite vs. Helius
39.403-404
Ares vs. Hephaestus

5 Korte verwijzingen

De allereerste verwijzing naar de mythe is kenmerkend voor Nonnus' stijl. Selene bespot Harmonia omdat ze als dochter van Aphrodite evenmin als Selene gespaard is gebleven door de liefde: 'Dochter van Aphrodite, zeg tegen je moeder: "Phaethon kwelt jou en mij maakt Selene ten schande"'(4.220-221: Pafivh" tevko", eijpe; tekouvsh/: /"kertomevei Faevqwn se, kai; aijscuvnei me Selhvnh"). De mythe wordt kort geëvoceerd naar aanleiding van een analoge situatie, maar niet verteld. Nonnus gaat er - ook als hij naar minder bekende verhalen verwijst - steeds van uit dat de stof voor de lezer bekend is. Korte verwijzingen las deze komen het meeste voor. 
Op de vete tussen Aphrodite en Helius wordt eveneens erg kort gealludeerd in 15.256 (verwijzing 6) en 33.309-311 (verwijzing 11), waar respectievelijk Hymnus en Chalcomede Aphrodite verwijten dat ze hen niet gunstig gezind is en zich afvragen waarom: ze zijn nochtans geen afstammelingen van verklikker Helius. In 33.149-152 (verwijzing 10) verwijst Aphrodite ook zelf naar haar aanhoudende vete met Helius. Aphrodite is de overhand kwijt nu haar dochter Pasiphaë niet langer geplaagd wordt door haar liefde voor een stier en Helius haar opnieuw uitlacht
terwijl zijn kleinzoon, de Indische koning Deriades, tegen Dionysus vecht. Deze vier terloopse verwijzingen naar de vete tussen Aphrodite en Helius worden in de mond gelegd van personages. Wanneer personages bij Nonnus het woord krijgen, is dit meestal in lange monologen die bol staan van dergelijke verwijzingen. Ook verwijzingen 5 en 9 horen thuis in dit rijtje. In 10.201-202 (verwijzing 5) wordt door Dionysus verwezen naar Eros als het kind van Ares óf Hephaestus. De verwijzing maakt deel uit van een omslachtig compliment in een amoureuze rede vol mythologische allusies. Dionysus wil zijn geliefde Ampelus niet 'Eros' noemen, want dat zou hem het kind maken van oorlogsgod Ares of de kreupele Hephaestus. Beide opties vindt de verliefde Dionysus onaanvaardbaar. In zang 31 (236-237, verwijzing 9) noemt Hera Aphrodite haar tweevoudige schoondochter omdat ze met zowel Ares als Hephaestus getrouwd is. Hiermee probeert ze Aphrodite te overtuigen haar te helpen in Nonnus' versie van de Dios Apate (Ilias 14).
Verwijzingen 2 tot 4 vinden we geconcentreerd in zang 5, maar telkens erg verschillend en in een andere context. De tweede is een astronomische uitweiding bij de opsomming van de zeven poorten van Thebe: Helius (zon) staat aan de hemel tussen Aphrodite (Venus) en Ares (Mars) om de geliefden uit elkaar te houden (5.80-82). Dit soort astrologische verwijzingen komen ook regelmatig voor. Omwille van de opvallende aanwezigheid van astrologie in de Dionysiaca is in het verleden zelfs geprobeerd om deze als sleutels voor een totaalinterpretatie te gebruiken. (noot 9)
De derde verwijzing, in 5.135-143, is waarschijnlijk de enige van de twaalf die echt vanuit de hoofdverhaallijn verwacht kan worden. Op de bruiloft van Cadmus en Harmonia geeft Aphrodite haar dochter namelijk een mooie, maar gevaarlijke halsketting. Hierbij geeft de verteller de nodige achtergrondinformatie: bij de geboorte van Eros, wiens uiterlijk verraadt dat hij door een ander dan Hephaestus is verwekt, schonk de bedrogen echtgenoot dit vergiftigd geschenk aan de nietsvermoedende Aphrodite die het hier doorgeeft. Over het uiteindelijke effect van deze ketting lezen we niets in de Dionysiaca.
De vierde verwijzing komen we tegen in één van Nonnus' vele opsommingen, namelijk in een cataloog van mannelijke Goden die in de lange flashback (5.563-7.109) over de geboorte van Zagreus (de eerste Dionysus) bij bosjes vallen voor de charmes van Persephone. Hephaestus is daar één van, want hij heeft op dat moment, zo legt de verteller uit, Aphrodite immers al verstoten nadat hij haar met Ares had betrapt (5.581-585). Met deze opmerking wordt het overspel van Aphrodite chronologisch voor alle andere gebeurtenissen in de Dionysiaca geplaatst.

6 Aphrodite aan het weefgetouw

Wanneer de aandachtige lezer zang 24 bereikt, is het verhaal van het overspel van Ares en Aphrodite met reeds zes verwijzingen in zangen 4-15, net als de andere vaak voorkomende mythen bij Nonnus, tot het onmiddellijke referentiekader gaan behoren voor de verdere lectuur. In zang 24 wordt eerst de context van het verhaal in Odyssee 8 in herinnering gebracht. Zoals Demodocus optreedt aan het hof van de Phaeaken, zo laat Nonnus in zang 24 een zekere Leucus optreden voor de troepen van Dionysus na hun overwinning bij de Hydaspes (22) en het gevecht met de rivier (23).
Het lied van Leucus is net als dat van Demodocus in indirecte rede weergegeven en wordt voorafgegaan door een eerste optreden dat kort wordt geparafraseerd. De formulering in 24.242 (aujta;r oJ formivzwn ajnebavlleto Kuvprin ajeivdein  'En al spelend begint hij over Aphrodite te zingen') is een duidelijke verwijzing naar Odyssee 8.266-267 (aujta;r oJ formivzwn ajnebavlleto kalo;n ajeivdein / ajmf  j  [Areo" filovthto" ejustefavnou t   j  jAfrodivth"  'En al spelend begint hij zijn mooie lied te zingen over de liefde van Ares en de gekroonde Aphrodite'). (noot 10)
Het verhaal van Leucus kennen we echter enkel uit de Dionysiaca. Naar alle waarschijnlijkheid is het een eigen creatie van Nonnus. Hij speelt in op het verwachtingspatroon van de lezer en verrast door een heel andere Aphrodite te tonen. In dit verhaal legt Aphrodite haar taken als liefdesgodin neer om zich op haar
nog stuntelige handwerk te concentreren. Zoals Neil Hopkinson opmerkt heeft zij net als in Odyssee 8 als hoofdpersoon een zwijgende rol. (noot 11)
Het is opmerkelijk hoe het verhaal van Aphrodite en Ares in de Latijnse traditie zowel bij Ovidius als Vergilius in navolging van Homerus gekoppeld wordt aan een ingebedde vertelling. Leuconoë (Ovidius Metamorphoses 4.167-189) vertelt het aan haar zusters. In de Georgica vertelt Clymene (4.345) het aan de andere nimfen. Nonnus' aanpak is erg origineel. Hij introduceert de aoide Leucus en behoudt enkele duidelijke verbale resonanties, maar koppelt die aan een nieuw maar verwant verhaal vol knipogen en verwijzingen naar het homerische voorbeeld.
Aphrodite begaat in dit verhaal een misdrijf van een heel andere aard dan overspel. Al wevend lijkt ze meer op de trouwe Penelope dan op de overspelige Aphrodite. Ze verwaarloost haar eigen taken en wijdt zich aan de weefkunst, die aan Athena toebehoort. De formulering kai; povno" h\n ajgevlasto" (24.256 'en het was werk waarmee niet te lachen viel') voor de noeste arbeid van Aphrodite lijkt een verwijzing naar de e[rga gevlasta ('lachwekkende daden') waarop Ares en Aphrodite in Odyssee 8.307 betrapt werden. Uit het homerische lexicon van Apollonius Sophista (eerste eeuw na Chr.) kennen we ook het alternatief e[rg  j  ajgevlasta ('niet lachwekkende daden'). (noot 12) Deze vorm werd door een aantal moderne uitgevers verkozen boven de overgeleverde vorm e[rga gevlasta. (noot 13) Hopkinsons conclusie is dat Nonnus met ajgevlasto" tegenover gevlasta het verschil wil benadrukken tussen zijn verhaal en dat uit de Odyssee. (noot 14) Nonnus blijkt ook elders vertrouwd met de homerische scholia en lexica. Het lijkt erg waarschijnlijk dat hij hier op een spitsvondige manier naar een discussiepunt binnen de contemporaine Homerusstudie verwijst.
Athena is de 'Hephaestus' in dit verhaal en roept er verontwaardigd de andere goden bij (24.279-291 ~ Odyssee 8.306-320). Haar verwijten richten zich tegen Zeus omdat de weefkunst aan haar is toegekend als een soort privilege (280 dovsin 'geschenk' en 281 klh'ron ejmo;n suvlhse 'ze heeft mijn toegewezen deel geroofd'). Hephaestus heeft het in zijn monoloog over de e[edna 'bruidsgeschenken' die Aphrodites vader zou moeten terugbetalen. Deze transpositie (e[edna in Odyssee - dovsi" in Dionysiaca) is één van de vele omzettingen die Nonnus maakt. Een groot deel van de verhaalelementen uit het origineel krijgt zo een tegenhanger die aan de nieuwe context is aangepast.
Ook het gesprek tussen Apollo en Hermes uit Odyssee 8 heeft een tegenhanger bij Nonnus. Hermes neemt het woord en drijft de spot met de wevende Aphrodite: kai; gelovwn ajgovreue pavlin filokevrtomo"   JErmh'": 'en lachend nam spotvogel Hermes opnieuw/op zijn beurt het woord' (296). Het woord pavlin kan in deze context op verschillende manieren gelezen worden. Hermes neemt hier voor het eerst het woord, wat voor de minder sterke vertaling 'op zijn beurt' pleit. Hopkinson en Fayant merkten echter op dat het hier waarschijnlijk om een speelse knipoog naar het homerische voorbeeld gaat. (noot 15) Na eerst bij Homerus, neemt Hermes bij Nonnus voor de tweede keer, dus 'opnieuw', in een erg vergelijkbare situatie het woord. Verschillende parallellen in de Dionysiaca ondersteunen deze pregnante lezing van het woord als een intertekstuele verwijzing. (noot 16)
In de monoloog van Hermes wordt de link met het overspelverhaal expliciet gemaakt. Na een spottende opmerking dat Aphrodite dan ook maar het schild en de speer van Athena moet overpakken, beweert hij plots Aphrodites beweegredenen te doorzien (300-316):

   oi\da, povqen, Kuqevreia, poluvkroton iJsto;n uJfaivnei".
   so;" dovlo" ou[ me levlhqe: teo;" tavca numfivo"   [Arh"
   eij" gavmon iJmeroventa" ajpaitivzei se citw'na".
   [Arei pevplon u{faine: neoklwvstw/ d  j ejni; pevplw/
   ajspivda mh; poivkille: tiv ga;r sakevwn   jAfrodivth/;
   teu'ce teh'" Faevqonta feraugeva mavrturon eujnh'",
   fwvrion ajggevllonta tew'n sulhvtora levktrwn:
   h[n ejqevlh/", poivkille kai; ajrcaivou" sevo desmouv",
   kai; qeo;n ajskhvseie novqon povsin aijdomevnh ceivr:  (308)
   crusw'/ teu'xon   [Arha meta; crush'"   jAfrodivth"  (314)
   kerkivda ceiri; fevronta kai; ouj pavllonta boeivhn,  (315)
   divplaka poikivllonta su;n ejrgopovnw/ Kuqereivh/.  (316) (noot 17) 

   Ik weet, Aphrodite, waarom je weeft met het ratelende weefgetouw. Je list ontgaat me niet. Waarschijnlijk vraagt je bruidegom Ares een aantrekkelijke mantel voor de bruiloft. Weef hem een jurk. Maar borduur geen schild op de nieuw geweven jurk. Wat heeft Aphrodite immers met een schild te maken? Maak een afbeelding van Phaethon, de lichtgevende getuige van je huwelijk die de boodschap heeft verspreid dat Ares in het geheim je bed innam. Als je wilt, borduur dan ook je vroegere boeien en maak met beschaamde hand een afbeelding van de god die je onechte echtgenoot was. Borduur Ares in het goud naast gouden Aphrodite met een weefspoel in zijn hand in plaats van zijn schild en laat hem samen met de ijverige Aphrodite een dubbele mantel weven.

Hermes spoort de onhandige Aphrodite schertsend aan om een ingewikkeld borduurwerk te maken. Na de beschrijving van haar grove handwerk (246-249) lijkt het echter onwaarschijnlijk dat ze hiertoe in staat zou zijn. (noot 18) De expliciete verwijzingen naar het overspel bevestigen en versterken niet alleen het intertekstueel spel met Odyssee 8, Nonnus grijpt hiermee ook de kans om een komische travestie van Ares te schetsen.  We krijgen het effect van een mise en abyme met de suggestie om de overspelscène op de mantel te borduren. Met de tweede suggestie, om Ares en Aphrodite er samen op af te beelden als weversduo, wordt de mise en abyme nog complexer. De situatie in Odyssee 8 en die in Dionysiaca 24 versmelten in dit beeld. Hopkinson en Shorrock lezen hierin ook een metapoëticale boodschap met betrekking tot het verweven van homerische motieven. (noot 19) Deze mise en abyme doet ook denken aan de wevende Helena in de Ilias (3.125-128), die op haar handwerk taferelen uit de Trojaanse oorlog afbeeldt.
Hierna volgt nog een apostrofe aan het adres van Eros, die ook wordt aangespoord Aphrodite bij het handwerk te helpen. Hij maakt de scène compleet. Het beeld van de overspelscène, zoals Nonnus die ongetwijfeld ook van afbeeldingen kende, wordt omgebouwd
tot een nieuw tafereel met Ares, Eros en Aphrodite samen aan de weefarbeid. Hermes eindigt zijn monoloog ten slotte in een geheel andere toonaard. In 24.317-320 spreekt hij Aphrodite vermanend toe en spoort haar aan haar taken als liefdesgodin weer op te nemen. Hij is blijkbaar erg overtuigend, want in 24.322-326 eindigt het lied van Leucus met een snelle vermelding dat Aphrodite hierna beschaamd naar Cyprus vluchtte en alles gauw terug bij het oude was.
Het is kenmerkend voor de stijl van Nonnus dat de dialoog tussen Hermes en Apollo uit de Odyssee in de Dionysiaca een langere monoloog
van Hermes is geworden. (noot 20) Van de dialoog tussen Poseidon als verzoeningsfiguur en Hephaestus vinden we bij Nonnus geen spoor. De vermanende woorden van Hermes in het laatste deel van zijn monoloog nemen die functie over en dienen samen met de zwijgende reactie van Aphrodite als sluitstuk voor de zang.
Nonnus geeft zijn humoristische verhaal ook een kosmische geladenheid, die we bij Homerus niet vinden. (noot 21) Aphrodite verstoort de harmonie in de wereld. Er is geen liefde, vruchtbaarheid of voortplanting meer op aarde. Het belang van de kosmische orde waarvoor de goden garant staan, is een terugkerend thema in de Dionysiaca. Naast Dionysus zelf, Zeus, Aphrodite en Eros treden er ook abstractere ordebewaarders op: Aion, Harmonia, Astraeus en de seizoenen. (noot 22) Dit kosmische aspect van het lied van Leucus zorgt voor een zekere continuïteit met de algemene verhaallijn.
Tegelijkertijd maakt het lied van Leucus deel uit van een hele reeks passages in de centrale zangen van de Dionysiaca die bol staan van de homerische verwijzingen. In 22-23 is er de slag bij de Hydaspes (tegenhanger van de Scamander) met Aeacus (grootvader van Achilles en Aias) als belangrijkste krijger. In 25 is er de tweede proloog, waarin Homerus twee maal expliciet vermeld wordt en krijgen we de lange beschrijving van het schild van Dionysus. In 26 volgt de troepencataloog van de Indiërs. Een dergelijke concentratie van homerisch materiaal vinden we nergens anders in de Dionysiaca. (noot 23)
Wat het verhaal van Ares en Aphrodite betreft kan hier nog toegevoegd worden dat er met verschillende verhaalniveaus wordt gespeeld. In de Odyssee gaat het om een ingebedde vertelling door een fictieve 'collega' van Homerus. Bij Nonnus zijn de expliciete referenties aan de overspelmythe in dit lied van Leucus beperkt tot het commentaar van Hermes. We zakken dus nog een verhaalniveau (of misschien zelfs twee), want het gaat om verhalende afbeeldingen die een personage in een ingebedde vertelling suggereert te borduren.

7 Rollenspel

De tweede parodie op het verhaal van het overspl is een komisch vervolgverhaal. In 29.323 wordt het vechten gestaakt bij avondval. Ares, die openlijk aan de zijde van Deriades meevecht (cf. 25.344), legt zich te slapen en Rhea, de goddelijke adoptiemoeder van Dionysus, stuurt hem een bedrieglijke droom. In de droomscène combineert Nonnus elementen uit de bedrieglijke droom die Zeus aan Agamemnon stuurt in Ilias 2, de list van Hera in Ilias 14 (Dios Apatè) en het verhaal van Ares en Aphrodite. (noot 24) Het doel van de droom is Ares weg te lokken van het slagveld. De droom stuurt hem achter Aphrodite aan, die weer zou zijn ingetrokken bij haar eerste echtgenoot Hephaestus. De droom spoort Ares aan om Aphrodite en Hephaestus op zijn beurt te betrappen en hen in een nieuw net, gesmeed door de Cyclopen, als overspeligen aan de goden te tonen. De rollen zijn nu dus omgekeerd.
Nonnus geeft hier onopvallend een oplossing voor een oud vraagstuk. In Ilias 18.382 bij het bezoek van Thetis aan Hephaestus, blijkt deze getrouwd te zijn met Charis. In Odyssee 8 is Hephaestus de echtgenoot van Aphrodite. In de antieke scholia bij de passage uit de Ilias lezen we als oplossing dat Charis moet worden geïnterpreteerd als een personificatie. Ofwel van de gratie en schoonheid (cavri") die Hephaestus steeds aan zijn kunstwerken kan toevoegen, ofwel van de dank (cavri") die Hephaestus nog aan Thetis verschuldigd was. (noot 25) Charis wordt bij Nonnus daarentegen vermeld als de jaloerse tweede echtgenote van Hephaestus, die - let wel: volgens een bedrieglijke droom - op haar beurt door Hephaestus verstoten wordt wanneer hij zich met Aphrodite verzoent. Een alternatieve oplossing werd ook al bedacht door Lucianus (Godendialogen 17), die beide godinnen in een andere woonplaats van de god Hephaestus situeerde. Als je alle verwijzingen naar het verhaal van Ares en Aphrodite in de Dionysiaca naast elkaar legt, lijkt Nonnus een totaalbeeld te geven dat vrij coherent is. We weten bijvoorbeeld al uit 5.581-585 dat Aphrodite na haar overspel door Hephaestus verstoten werd, waardoor zijn tweede huwelijk met Charis hier niet als een verrassing komt. (noot 26)
Als inleiding bij het narratieve eerste deel van de droom (29.328-339) wordt Ares nog aangespoord te blijven slapen (29.328 su; me;n eu\de 'slaap jij maar'), weliswaar op ironische toon. (noot 27) Het tweede deel van de droom start met e[greo 'word wakker'. Hierop volgt een reeks suggesties waar Ares Aphrodite (en Hephaestus) zou kunnen vinden. Verzen 29.346-347 (ajndrofovnon gavr / oJ bradu;" wjku;n   [Arha parevdrame 'want de trage is de snelle Ares, moordenaar van mannen, te vlug af geweest') zijn een duidelijke verwijzing naar Homerus (Odyssee 8.330-331: wJ" kai; nu'n   {Hfaisto" ejw;n bradu;" ei\len   [Arha, / wjkuvtatovn per ejovnta qew'n 'zo heeft nu ook Hephaestus, hoewel hij traag is, Ares gevangen, die de snelste van de goden is'.) (noot 28)
In het derde en laatste deel van de droom wordt Ares ten slotte aangespoord tot weerwraak op Hephaestus. De droom voorspelt zelfs de lovende reactie van de andere goden als Ares op zijn beurt de overspeligen zal hebben gevangen (357-358). (noot 29) De droomrede eindigt met een laatste spitsvondige verwijzing naar het verhaal van het overspel (29.361): sigh; ejf  j hJmeivwn, Faevqwn mh; mu'qon ajkouvsh/ 'Maar stil nu, dat Phaethon ons niet hoort'. Zoals Hélène Frangoulis opmerkt, is er hier een speelse omzetting van Helius als alziende god naar een mogelijk alhorende Helius - die deze keer wel eens niet aan de kant van de bedrogen echtgenoot zou kunnen staan! (noot 30)
Zang 29 eindigt met de reactie van Ares die als een waanzinnige op zoek gaat naar Aphrodite. De parodie bereikt nog een hoogtepunt in 29.377-378 wanneer Ares bevangen wordt door schrik bij de gedachte dat Hephaestus' zwarte rook het fijne gezichtje van Aphrodite wel eens vuil zou kunnen maken. (noot 31)
De context van de Indische oorlog is in de droomscène volledig naar de achtergrond verdreven. Enkel in de voorlaatste zin van de droomrede worden we er nog even aan herinnerd. Met tiv soi kaka; Dhriadh'o"; ' wat kunnen jou de problemen van Deriades schelen'  (29.360) wordt Ares'  motivatie om op het slagveld te blijven onderuit gehaald. Dit is de enige verwijzing naar de Indische oorlog binnen deze hele passage. Zonder dit halfvers zou deze passage ook los van enige context als een op zichzelf staande homerische parodie gelezen kunnen worden. (noot 32) Anders dan het lied van Leucus, dat als ingebed verhaal geen directe invloed heeft op de plot, heeft deze passage echter wel een zekere invloed op het verloop van de Indische oorlog. In zang 30.1-12 hervat Dionysus met hernieuwde moed de strijd als hij ziet dat Ares de Indiërs in de steek gelaten heeft (30.9). Ares duikt pas in 32.162-180 opnieuw op.

8 De geschiedenis herhaalt zich ...

De enige toespeling op de mythe van het overspel van Ares en Aphrodite die nog niet in dit artikel is besproken is de twaalfde. De plaatsing en toon van deze laatste referentie aan de mythe in de Dionysiaca zijn opvallend. Wanneer aan het einde van de beslissende zeeslag de Indische troepen vluchten uit de brandende schepen, eindigt zang 39 met het hoongelach van Helius (39.403-4): kai; Faevqwn ejgevlassen o{ti protevrou" meta; desmouv" / ejk puro;"   JHfaivstoio pavlin fuvge nauvmaco"   [Arh" 'En Phaethon lachte, want zoals Ares eens vluchtte uit de boeien, zo vlucht hij in de zeeslag opnieuw voor het vuur van Hephaestus'. Het woord 'pavlin' verwijst net als in 24.296 naar het verhaal van het overspel zoals we het bij Homerus vinden.
Ares, die de Indische tropen op verschillende momenten in de Dionysiaca steunt, wordt hier de verpersoonlijking van de Indische krijgsmacht. Dionysus die ook al in de slag bij de Hydaspes de rol van Hephaestus aannam (Dionysus en de Hydaspes in 23.225-279 ~ Hephaestus en de Scamander in Ilias 21) wordt hier opnieuw met de vuurgod vergeleken. Deze opmerking sluit zang 39 af en daarmee ook de Indische oorlog. In zang 40 volgt enkel nog het duel tussen Dionysus en Deriades, die in de laatste verzen van 39 radeloos het land op vlucht (39.406-407). Het is een symbolisch erg belangrijk moment dat hier met het verhaal van het overspel van Aphrodite en Ares verbonden wordt. Anders dan bij de andere verwijzingen naar de mythe moeten we Ares en Hephaestus
hier tegelijkertijd zien als de antropomorfe goden uit het verhaal en als de abstracte begrippen van oorlog en vuur. Helius, de eeuwige toeschouwer, legt door zijn lach het verband. De lezer wordt als het ware uitgenodigd mee te lachen om de spitsvondige analogie.

9 Slotopmerkingen

Als we nu terugblikken op de rol van het overspelverhaal in de Dionysiaca, valt op hoe Nonnus steeds op de mythe terugkomt vanuit de gevolgen ervan: de aanslepende vete tussen Helius en Aphrodite, het betwiste vaderschap van Eros, de positie van Aphrodite als tweevoudige schoondochter van Hera. De twee langere passages kunnen gelezen worden als twee alternatieve vervolgverhalen. In het lied van Leucus blijft Aphrodite trouw aan Ares en wordt als het ware een nieuwe Penelope, voor wier trouw Aphrodite's overspel in de Odyssee en contrasterende tegenhanger is. Aphrodite blijkt echter erg onhandig in het handwerk dat symbool staat voor Penelopes kuise levenswijze. In de droom van Ares zien we een tweede mogelijkheid. Aphrodite wordt als liefdesgodin door de pijlen van haar eigen zoon Eros geraakt en zo opnieuw naar Hephaestus gedreven. Ares wordt op zijn beurt bedrogen en de rollen zijn omgedraaid.
Door één passage uit de Odyssee te herwerken tot twéé humoristische vervolgverhalen steekt Nonnus Homerus naar de kroon. Hetzelfde geldt voor de twee prologen (zangen 1 en 25), twee troepencatalogen (zangen 13-14 en 26) en twee lijkspelen (zangen 19 en 37) die de Dionysiaca telt. Humor is ook belangrijk bij een groot deel van de kleine verwijzingen. Denk maar aan de spot van Semele, de verliefde vrijgezel Hephaestus en het vergezochte compliment van Dionysus aan Ampelus. Nonnus had geen toepasselijker eindpunt voor het verhaal van Ares en Aphrodite in de Dionysiaca kunnen kiezen dan de lach van Helius in zang 39.

Berenice Verhelst
Vakgroep Letterkunde - Afdeling Latijn en Grieks, Universiteit Gent,
Blandijnberg 2, B 9000 Gent



Noten

Noot 1
Xenophanes fr. 21B11 Diels-Kranz (DK): ...



Bibliografie

Agosti, G. 2006. 'La voce dei libri: dimensioni performative dell' epica greca tardoantica' in E. Amato (ed.), Approches de la Troisième Sophistique: hommages à Jacques Schamp, Brussel, 35-62.
...