startpagina > deze bladzijde : biografie Horatius

[ga naar het menu en lees de gedichten van Horatius]

 

Uit Suetonius' Leven van Horatius

De Romeinse schrijver Suetonius, die leefde van ca. 70 tot 140 na Chr., is vooral bekend om zijn biografieën van Romeinse keizers. In een ander werk van hem, De Viris Illustribus, Over Beroemde Mannen, werd het leven van Horatius beschreven. Van Suetonius' biografie is niets méér over dan de nu volgende fragmenten.

 

 

Quintus Horatius Flaccus

 

 

 

Quintus Horatius Flaccus was afkomstig uit Venusia. Zijn vader was, zoals hij zelf vertelt, een vrijgelaten slaaf en ontvanger van heffingen. Men denkt ook wel, dat hij handelaar in gezouten vis was, omdat iemand de dichter in een ruzie het volgende verwijt had gemaakt: "Hoe vaak heb ik jouw vader zijn neus niet zien snuiten in zijn arm".

In de oorlog bij Philippi werd hij ingeschakeld door de opperbevelhebber Marcus Brutus en diende als krijgstribuun. Na het verlies van zijn partij werd hem gratie verleend en kreeg hij de functie van secretaris van de quaestor.

Hij won de sympathie, eerst van Maecenas, al gauw ook van Augustus, en had in beider vriendschap geen onbelangrijke plaats.

Hoe zeer Maecenas op hem gesteld was, blijkt voldoende uit dit epigram:
Als ik niet al méér aan je gehecht ben, Horatius, dan aan mijn eigen ingewanden, mag jij je makker mager als een lat zien worden.
Maar nog veel meer uit het oordeel, dat hij gaf toen hij op sterven lag en Augustus de volgende aanbeveling deed: Vergeet mijn beste Horatius Flaccus niet.

Augustus bood hem ook het ambt van secretaris aan, zoals blijkt uit dit schrijven aan Maecenas: Voorheen was ik zelf in staat de brieven aan mijn vrienden te schrijven: maar nu ik het zeer druk heb en niet erg sterk ben, wil ik graag onze Horatius bij jou weghalen. Hij zal dan van die tafel van uitvreters gaan naar de koninklijke tafel hier en ons helpen bij het schrijven van brieven.
Zelfs toen Horatius weigerde, werd hij niet boos op hem of hield hij op hem zijn vriendschap te betuigen. Er zijn brieven over, waaruit ik enkele passages laat volgen, om dit te laten zien:
Veroorloof je gerust enige vrijheid bij mij, alsof je mijn tafelgenoot was; want je zou dat terecht en niet zó maar doen, omdat ik zou willen, dat wij zo met elkaar omgingen, als jouw gezondheid dat zou toelaten.
En elders: Hoe zeer ik aan je denk, zul je ook van onze Septimius kunnen horen; want toevallig werd jij door mij ter sprake gebracht, waar hij bij was. Want al heb jij onze vriendschap in jouw trots afgewezen, daarom is het nog niet zo, dat wij ook anquperhfanoumen [ter vergelding jou negéren].
Bovendien maakt hij vaak grappen en noemt hem bijvoorbeeld 'purissimum pene(m)' (?) [woordspeling met senem?] en 'bijzonder vermakelijk mannetje' en gaf hem met grote vrijgevigheid herhaaldelijk rijke geschenken.
Zijn geschriften schatte hij zo hoog en hij was zo overtuigd van hun blijvende waarde, dat hij hem niet alleen opdroeg het Carmen Saeculare [eeuwdicht] te dichten, maar ook het gedicht ter gelegenheid van de overwinning op de Vindelici voor zijn stiefzoons Tiberius en Drusus, en hem hierdoor dwong aan zijn drie boeken 'Carmina' na een lange onderbreking een vierde boek toe te voegen.
Na het lezen van een aantal satiren klaagde hij er als volgt over, dat hij er helemaal niet in werd genoemd: Je moet weten, dat ik boos op je ben, dat je niet in de meeste van die geschriften mij het liefst als gesprekspartner neemt. Ben je soms bang, dat het jouw reputatie bij het nageslacht niet ten goede zal komen, wanneer men ziet, dat je een vertrouwde vriend van ons bent? En hij dwong hem een gedicht af, aan hem gericht, waarvan dit het begin is:

Omdat u alleen zoveel zo grote zaken op u neemt,
Italia met uw wapens beschermt, met uw karakter siert,
met uw wetten verbetert, schaadde ik het publieke welzijn,
als ik met een lang gesprek uw tijd zou verdoen, Caesar.

Van lichaamsgestalte was hij klein en dik, zoals hij door zichzelf in zijn satiren wordt beschreven, en door Augustus in deze brief:
Onysius bracht mij jouw boekje. Ik ben er heel tevreden over, ook al vind ik het jammer, dat het zo klein is. Je wekt bij mij de indruk, dat je bang bent, dat jouw boekjes groter zijn dan jij zelf bent. Maar jij mist lengte, geen omvang. Je mag dus best (in sextariolo?) [in de breedte] schrijven; dan wordt de omtrek van jouw boekrol ogkwdestatoj [zeer kolossaal], zoals die van je buik.

De traditie wil, dat hij in liefdeszaken nogal mateloos was; want, zo wordt verteld, hij ontving zijn hoeren in een slaapkamer, waar overal spiegels waren opgesteld, zodat waar hij maar keek het beeld van de coitus zijn ogen bereikte.

De meeste tijd bracht hij door in de afzondering van zijn Sabijnse landgoed, of zijn landgoed in Tibur [Tivoli]; zijn huis kan men nog zien bij het kleine bos van Tibur.

In mijn handen zijn ook elegieën onder zijn naam gekomen, en een brief in proza, waarin hij zichzelf aanbeveelt bij Maecenas, maar beide houd ik voor vals; want de elegieën zijn heel gewoontjes, de brief zelfs obscuur, een fout waar hij heel weinig last van had.

Horatius is geboren op 8 december, toen L. Cotta en L. Torquatus consul waren [65 v.Chr.], en overleed op 27 november, in het jaar dat C. Marcius Censorinus en C. Asinius Gallus consul waren [8 v.Chr.], negenenvijftig dagen na de dood van Maecenas, in zijn zevenenvijftigste levensjaar. Hij benoemde Augustus tot erfgenaam, publiekelijk, omdat hij door zijn ziekte niet meer in staat was het testament te ondertekenen. Hij is begraven en bijgezet aan de rand van de Esquilinus, naast de grafheuvel van Maecenas.

 

 

[de gedichten van Horatius] [startpagina]