DAFNIS EN CHLOň

 

 

De zee, de zon, het rotsig strand ...
Eens liep daar in Oud-Griekenland
een herdersjongetje, haast naakt ;
zijn haar geleek van vlas gemaakt.

Hij droeg het vachtje van een schaap,
en 't liefste maatje van die knaap
was 't vossejong waarmee hij sliep.
Maar reeds een kinderhart is diep.

Een vissersmeisje, donker-mooi,
met ook maar een half hemd als tooi,
zond hem over het brakke nat
een aarden schaal zoetwater dat

hij schuw en dankbaar dorstig dronk.
En toen begon beider gelonk
naar elkaars lichaam, elkaars blik -
de bange strijd van jij en ik.

Het trieste, eeuwige verhaal
van elke jeugd, groots en banaal.
Ze dorsten niet, deden zich zeer,
beloofden alles en nog meer.

Een groter knaap heeft haar verkracht,
en 't jongetje smoorde zijn klacht
in 't brandend zout aan dat zoet strand
van ons aloude Griekenland.

 


 

Johan Daisne.

Uit : Verzamelde gedichten.

Brugge / Nijmegen, 1978.