Sermo - een gesprek (1)

Kox: Ave, Luci. Ut vales?
Dag, Lucius. Hoe gaat het ermee?

Lucius: Bene valeo, quamquam ...
Ik maak het goed, hoewel ...

Kox: Nonne adhuc in Montibus villam habitas?
Je woont zeker nog steeds in dat huis in Bergen?

Lucius: Itavero. Villa splendida est, at ...
Jazeker. Het is een schitterend huis, maar ...

Kox: Tibi invideo. Montes locus iucundus est.
Ik ben jaloers op je. Bergen is een aangename plek.

Lucius: Uxor mea abiit. Hypothecam absolvere non iam possum. Volo migrare.
Mijn vrouw is er vandoor gegaan, Ik kan de hypotheek niet meer betalen. Ik wil verhuizen.

Kox: Eheu! Non bene vales.
Ojee! Het gaat niet goed met je.

Lucius: Vita poena est. Solitudo terribilis est.
Het leven is een straf. De eenzaamheid is verschrikkelijk.

Kox: Venus te deseruit.
De liefde heeft je in de steek gelaten.

Lucius: Ita est. Cupido tamen me vexat.
Zo is het. Maar verlangen blijft mij kwellen.

Kox: Te philosophiae studere oportet.
Je moet je toeleggen op de filosofie.

Lucius: Philosophia consolari non potest.
De filosofie kan (mij) niet troosten.

Kox: Obdura! Persevera! Firmus sis! Te virum praestes!
Word hard! Houd vol! Wees flink! Betoon je een kerel!

Lucius : (flens) Ubi sunt deliciae meae? Ubi cor meum?
(huilend) Waar is mijn liefje? Waar mijn hartje?

Kox: Iam hora decima est. Me exspectant. Vale!
Het is al het tiende uur. Men wacht op mij. Doeg!

Lucius: Eheu! Et amici me deserunt.
Ach! Zelfs mijn vrienden laten mij in de steek.

Kox: Te telephonaturus sum.
Ik bel je nog wel.