Sciurus et formica 1

Toon Tellegen
QUODAM DIE PRIMA LUCE SCIURUS
in ramo ante ianuam sedebat,
epistulam ad formicam scribens.

Cara formica,
   fragmentum corticis in quo
   scribo parvum est, attamen
   epistulam scr

Post verbum 'scr' fragmentum corticis betulae
completum erat, neque iam nomen subscribere
sciurus potuit.
   Epistulam semel atque iterum perlegit
mirans quid formica sentiret de epistula.
Intellexeritne scr non scr at scribere dicere velle?
secum cogitavit. Paululum cunctatus
se peccaturum nisi epistulam daret putans
eam sublime in caelum coniecit. Quam ventus abstulit.
   Paulo post formica epistulam sciuri legit.
Qua perlecta
parvum fragmentum coricis betulae
sumens scripsit.

Care sciure,
   gratias tibi ago quod epistulam scr

Nomen non subscribens
statim eam mist.
   Non multo post sciurus eam epistulam legebat.
Cor palpitabat ac rugis crassis frontem
contrahebat. Epistulam meam esse
videtur intellexisse, secum cogitavit. Sed quid
scr dicere vult?
   Fortasse scriptura fuit: 'Gratias tibi ago
quod epistulam scripsisti, at numquam post te videre cupio.'
Vel: 'Gratias tibi ago quod epistulam scrutariam dedisti,
at posthac aut veram epistulam ad me scribe aut alius nihil.'
Vel: 'Gratias tibi ago quod epistulam scrupulositate
plenam dedisti.'
   Sciurus frigore horruit.
Festinans omnibus in arcis atque angulis quaerebat
donec unum minimum frustulum corticis betulae reliquum
invenit. In quo scripsit:

Formica, mene salutatum venies? Sciu

Ille ego sum, secum cogitavit. Id certe intelleget.
Sed funditus animo tranquillo non erat. Fortasse
enim sciuberus vel sciumustela erat. Quot
animalia mihi ignota vivunt,
secum cogitavit.
   Paulo post minima particula corticis betulae
ad eum adflatus est. Ah! sciurus cogitavit.
   Particulam perlegit:

Veniam. For

inscriptum erat.
   Hoc ab ea, sciurus cogitavit. Hoc ab ea!
Exsultans maximam ollam
glandum fagearum melle onustam ex armario
deprompsit, ut formicae patellam confertam poneret.
Nam brevi proximi sedentes
permulta inter sese vario sermone
serturi erant quae scribi non possint.
OP EEN OCHTEND ZAT DE EEKHOORN OP DE
tak voor zijn deur en schreef een brief aan de
mier.

Beste mier,
   Het stuk schors waarop ik
   schrijf is maar klein, maar
   toch wil ik je graag een br

Na het woord 'br' was het stuk berkenschors
vol. De eekhoorn kon zijn naam er ook niet
meer onder zetten.
   Hij las de brief een paar keer over en vroeg
zich af wat de mier van de brief zou vinden. Zou
hij wel begrijpen dat een br geen br is, maar een
brief? dacht hij. Hij aarzelde. Maar hij vond het
zonde om de brief niet te versturen en gooide
hem in de lucht. En de wind voerde hem mee.
   Even later las de  mier de brief van de eek-
hoorn.
   Toen hij hem uit had, pakte hij een klein
stukje berkenschors en schreef.

Beste eekhoorn,
   Dank je wel voor je br

Hij zette zijn naam er niet onder en verstuurde
hem meteen.
   Niet lang daarna las de eekhoorn die brief.
Zijn hart bonsde en er verschenen dikke rim-
pels op zijn voorhoofd. Hij wist dus dat het
mijn brief was, dacht hij. Maar wat zou hij met
je br bedoelen?
   Misschien wilde hij wel schrijven: 'Dank je
wel voor je brief, maar ik wil je nooit meer zien.'
Of: 'Dank je wel voor je brabbeltaal, maar schrijf
me voortaan een echte brief of anders niets.' Of:
'Dank je wel voor je brutale onzin.'

   De eekhoorn kreeg het koud en rilde. En
haastig zocht hij in al zijn laden en hoeken tot
hij nog één, heel klein stukje berkenschors
vond. Daarop schreef hij:

Mier, kom je langs? Eekho

Dat ben ik, dacht hij. Dat moet hij begrijpen.
Maar hij voelde zich niet helemaal gerust. Want
misschien bestond de eekhobor wel, of de eek-
hozewezel. Er zijn zoveel dieren die ik niet ken,
dacht hij.
   Even later woei er een klein snippertje ber-
kenschors naar hem toe. Ah! dacht de eekhoorn.
   Hij las het snippertje:

Ja. Mi

stond erop.
   Dat is van hem, dacht de eekhoorn. Dat is
van hem! En hij sprong op en haalde de grootste
pot beukennotenhoning uit zijn kast en begon
alvast een bord voor de mier vol te scheppen.
Want het zou niet lang duren voor zij naast el-
kaar zouden zitten en elkaar duizend en een
dingen zouden vertellen die je toch nooit kon
schrijven.