Correctie Les 39

Oefening 2

1. míttere: sturen
2. mitti: gestuurd worden
3. delevisse: vernietigd hebben
4. casurus esse: zullen vallen
5. caesum iri: gedood / geveld zullen worden
6. consultus esse: geraadpleegd zijn
7. cessisse: gegaan / geweken zijn
8. mansurus esse: zullen blijven
9. venisse: gekomen zijn
10. scribi: geschreven worden
11. lusurus esse: zullen spelen
12. conténdere: zich inspannen, marcheren, strijden
13. coactum iri: samengebracht / gedwongen zullen worden
14. teneri: gehouden worden
15. ductum iri: geleid zullen worden
16. sentire: voelen, merken
17. motum iri: bewogen zullen worden
18. moturus esse: zullen bewegen
19. defensurus esse: zullen verdedigen
20. dividi: verdeeld worden
21. sepultus esse: begraven zijn
22. vidisse: gezien hebben
23. repertus esse: gevonden zijn
24. dícere: zeggen
25. dixisse: gezegd hebben
26. didicisse: geleerd hebben
27. ductus esse: geleid zijn
28. clausisse: gesloten hebben
29. clausum iri: gesloten zullen worden
30. pepulisse: verdreven hebben

Oefening 3

1. delêre -> deleri
2. teneri -> tenêre
3. carpturus esse -> carptum iri
4. clausum iri -> clausurus esse
5. consuluisse -> consultus esse
6. dictus esse -> dixisse
7. emi -> émere [emi is inf. praes. pass.!]
8. apertum iri -> aperturus esse
9. hausisse -> haustus esse
10. daturus esse -> datum iri
11. visum iri -> visurus esse
12. scríbere -> scribi
13. ductus esse -> duxisse
14. missurus esse -> missum iri
15. caedi -> caédere
16. coactum iri -> coacturus esse
17. defendisse -> defensus esse
18. divisus esse -> divisisse
19. sepultus esse -> sepelivisse
20. incéndere -> incendi

Oefening 4

1. Verum dicere non dubitavit: Hij aarzelde niet de waarheid te zeggen.
2. Cogi non poterat: Hij kon niet gedwongen worden.
3. Oppidum incendere non audebunt: Zij zullen het niet wagen de stad in brand te steken.
4. Longas epistulas scribere solebas: Jij placht lange brieven te schrijven.
5. In casa manere decernent: Zij zullen besluiten in het huis te blijven.
6. Victorias reportare sciunt: Zij weten overwinningen te behalen.
7. In castra venire cogebantur: Zij werden gedwongen naar het kamp te komen.
8. Negare perseverant: Zij houden het vol / volharden erin te weigeren / ontkennen / Zij blijven hardnekkig ...
9. Tuum librum legere gaudemus: Wij verheugen ons jouw boek te lezen.
10. Mihi oboedire debebant: Zij moesten mij gehoorzamen.