LXIV.

Pronomina (uitbreiding)
Genitivus subiectivus en obiectivus 


Leer
de volgende woorden:

amans aequi : rechtschapen
beneficium : weldaad
brevi : binnenkort
cárpere viam : een weg (stap voor stap) afleggen
consensus, -us : instemming
consúlere + dat. : zorgen voor
consúlere + acc. : raadplegen
cotidianus : dagelijks
defícere ab : afvallen van
desiderium : verlangen
diu : lang(e tijd)
ex(s)ul, ex(s)ulis : balling
fere : bijna, vrijwel
gérere bellum : oorlog voeren
(im)memor : (on)gedachtig
impéllere : aanzetten
(impuli, impulsum)
languêre : (weg)kwijnen
maleficium : euveldaad
metuens deorum : godvrezend
miseret me : ik heb medelijden
nobilitas, nobilitatis : adel
odium : haat
orbis, orbis : kring, wereld
párcere + dat. : sparen
parêre + dat. : gehoorzamen
pérdere : te gronde richten
(perdidi, perditum)
pererrare : doorzwerven
pervenire : aankomen
prius (bijwoord) : eerder
prohibére +abl. : afhouden van
quanto ... tanto : hoe ... des te
quisque : ieder
reditio, reditionis : terugkeer
reputare (secum) : overleggen (bij zichzelf)
res novae : omwenteling
reverentia : eerbied
studium : ijver, lust, sympathie
téndere : uitstrekken
tóllere : opheffen
(sustuli, sublatum)
turpis, turpis : schandelijk

Onthoud door associatie:

amans aequi > amare en aequus: eerlijk, billijk
beneficium > bene = goed en fácere = doen; benefiet
brevi > brevis = kort; bref (fa)
cárpere viam > carpe diem
consensus > consensus wordt in het Nederlands gebruikt
consúlere + dat. > ?
consúlere + acc. > consult
cotidianus > cotidien (fa)
defícere ab > de en facere; defect
desiderium > desire (en)
diu > ?
ex(s)ul, ex(s)ulis > exile (en); Exil (du)
fere > ?
gérere bellum > bellum = oorlog; togam gérere = toga dragen
(im)memor > memoria; memory (en)
impéllere > impuls, impulsief
(impuli, impulsum)
languêre > languide; languid (en)
maleficium > male = slecht en fácere = doen
metuens deorum > metúere = vrezen en deus = god
miseret me > misery (en)
nobilitas, nobilitatis > nobel; nobility (en)
odium > ?
orbis, orbis : orbit (en)
párcere + dat. > ?
parêre + dat. > ?
pérdere > ?
(perdidi, perditum)
pererrare > errare = zwerven, dwalen, zich vergissen; errare humanum est : vergissen is menselijk
pervenire > venire
prius : prioriteit
prohibére +abl. : prohibition (en)
quanto ... tanto : quantiteit
quisque > ?
reditio, reditionis > redire = teruggaan
reputare (secum) > putare = menen, denken; reputatie
res novae > nieuwe dingen = revolutie
reverentia : revere (en)
studium > studie
téndere > tent
tóllere > ?
(sustuli, sublatum)
turpis, turpis > turpitude (en)


A. Reflexief gebruik van het persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

In les 35 is het persoonlijk voornaamwoord (pronomen personale) behandeld: ego, tu, nos en vos, met daarbij de verschillende naamvallen.
De derde persoon, enkelvoud en meervoud, is daar niet besproken.

Er zijn verschillende mogelijkheden:
1 : Diu silentio sedet : Hij zit lang in stilte.
Het onderwerp is niet expliciet uitgedrukt. Het werkwoord geeft aan dat het om een 3e persoon gaat.
De zin kan ook betekenen : Zij zit in stilte.
2 : Is diu silentio sedet : Hij zit lang in stilte.
Het onderwerp is expliciet uitgedrukt met het aanwijzend voornaamwoord is; dit wordt gebruikt om te verwijzen naar een persoon die al eerder is genoemd. Zie les 36.
Ea diu silentio sedet : Zij zit lang in stilte.
3 : Ille diu silentio sedet / Iste diu silentio sedet : Hij zit lang in stilte.
Het onderwerp is expliciet uitgedrukt met het aanwijzend voornaamwoord ille / iste. Zie les 40.
Illa diu silentio sedet / Ista diu silentio sedet : Zij zit lang in stilte.

De genitivus, dativus, accusativus en ablativus van de aanwijzende voornaamwoorden fungeren vaak als vormen van het persoonlijk voornaamwoord.
Voorbeelden:

pater eius / illius / istius pauper est : Zijn vader / Haar vader is arm.
filius ei / illi / isti paret : De zoon gehoorzaamt hem.
filia eum / illum / istum amat : De dochter houdt van hem.
mater cum eo / illo / isto ambulat : De moeder maakt een wandeling met hem.

dux eorum / illorum / istorum audax est : Hun leider is (over)moedig.
mater earum / illarum / istarum semper tacet : Hun moeder (van die vrouwen) zwijgt altijd.
consul eis / illis / istis libertatem promittit : De consul belooft hun de vrijheid.
virtute eos / illos / istos vincunt : Zij verslaan hen door moed.
cum eis / illis / istis urbes visam : Met hen (die mannen / vrouwen) ga ik steden bezoeken.

Het wederkerend voornaamwoord van de derde persoon is in het Nederlands zich:
Hij wast zich / Zij wast zich / Zij wassen zich.

In het Latijn heet dit pronomen reflexivum:
nominativus : - (zich kan geen onderwerp zijn)
genitivus : sui
dativus : sibi
accusativus : se
ablativus : se
Deze vormen worden voor de 3e persoon enkelvoud én meervoud gebruikt.
Voorbeelden:
se lavat : Hij wast zich / Zij wast zich.
se lavant : Zij wassen zich.
secum reputant : Zij overleggen met zichzelf / overdenken.

Het pronomen reflexivum wordt gebruikt in een aci (zie les 41) wanneer het onderwerp van de aci gelijk is aan het onderwerp van de hoofdzin die de aci inleidt. Dat is nogal abstract, liever een voorbeeld:

dicit se oppidum perdidisse : Hij zegt dat hij de stad heeft vernietigd.

Vergelijk met:
dicit illum oppidum perdidisse : Hij zegt dat hij (iemand anders) de stad heeft vernietigd.

Het bezittelijk voornaamwoord suus (zijn / haar / hun) slaat ook altijd terug op het onderwerp van de zin.
Voorbeeld:
amicos suos perdidit : Hij heeft zijn eigen vrienden te gronde gericht.

Vergelijk met:
amicos eius perdidit : Hij heeft zijn (van iemand anders) vrienden te gronde gericht / ... diens vrienden ...


Oefening 1 :
Vertaal : 
(let op het reflexief gebruik van het persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord)


1. Non credidit se avum suum brevi visurum esse.
2. Magister dixit pueros improbos a se punitum iri.
3. Dux hostium suos monebat, ut quisque suae saluti consuleret.
4. Prius se domum non venisse dolebat.
5. Promittunt se eos ad nos mox missuros esse.
6. Diu silentio sedebat aliquid magni secum reputans.
7. Daedalus filium monebat, ut sibi pareret et se duce carperet viam.
8. Biennium sibi ad hoc opus satis esse dicit.
9. Suam audaciam eum perdidisse constat.
10. Non mihi, non tibi, sed sibi ipsi oraculum consuluit.
11. Legatus Romanus nuntium ad hostium ducem mittit rogatum, ut sibi militibusque parcat.
12. Helvetii fere cotidianis proeliis cum Germanis contendunt, cum aut suis finibus eos prohibent aut ipsi in eorum finibus bellum gerunt.
13. Helvetii dicunt sibi in animo esse sine ullo maleficio iter per provinciam facere.
14. Helvetii iam per fines Sequanorum suas copias traduxerant et in Haeduorum fines pervenerant.
15. Galli dixerunt se ita a maioribus suis didicisse, ut magis virtute quam dolo contenderent.

Kijk na: KLIK HIER!


B. Genitivus subiectivus en obiectivus

De genitivus is de naamval, waarmee twee zelfstandige naamwoorden aan elkaar worden gekoppeld. De combinatie kan soms op meer manieren worden geïnterpreteerd:

amor patris : de liefde van vader - vader is degene die liefheeft, zijn vrouw of kinderen bijvoorbeeld; vader is subject van het liefhebben en daarom wordt deze genitivus subiectivus genoemd.
amor patris : de liefde voor vader - vader wordt liefgehad, bijvoorbeeld door zijn vrouw of kinderen; vader is object van het liefhebben en daarom wordt deze genitivus obiectivus genoemd.

amor meus : mijn liefde, de liefde van mij (voor iemand anders) (het bezittelijk voornaamwoord drukt de subjectieve relatie uit)
amor mei : liefde voor (tot) mij (genitivus obiectivus)

Oefening 2 :
Vertaal :


1. odium inimici (2 keer)
2. desiderium vestri
3. pauci nostrum
4. immemor beneficiorum
5. memoria tua
6. memoria tui
7. cupiditas liberandi
8. cum multis nostrorum
9. amor sui 
10. iniuria populi Romani (2 keer)
11. eius metus periculi
12. amor liberorum (2 keer)
13. misericordia nostra
14. misericordia nostri
15. spes domum reditionis
16. reverentia legum
17. memor illius consilii
18. miseret me istius viri
19. cupidus pugnandi

Kijk na: KLIK HIER.