Anakreonteia

I. Vertaald door John Nagelkerken.
(Kox is blij en trots, dat hij hier John's vertaling mag presenteren.)
N.B. Onder nummer 33 vindt u ook een vertaling van dit gedicht door Albert Verwey.

II. IN ANACREONS BAN
Gedichten van wijn, van min en van levensvreugd uit de latere oudheid.
Uit het Grieks vertaald door Dr. J.D. Meerwaldt,
in het voorjaar van 1951 gezet uit de letter Romulus van J. van Krimpen en gedrukt door H. Veenman & Zonen te Wageningen, is als vijf en twintigste deel van De Ceder uitgegeven door J.M. Meulenhoff te Amsterdam

III. De Griekse tekst
, ontleend aan Greek Lyric II, de Loeb-editie van David A. Campbell uit 1988. Voor tekstkritisch commentaar verwijst Kox u naar die editie.



I.

ANAKREONTEIA


voor Marja

1

Anakreon, de muzenzoon
van Teos, wenkte in mijn droom
en sprak op vriendelijke toon.
Zijn woorden stelden mij gerust,
ik gaf hem vlug een zoete kus.
Hij was een oude man, maar lief,
een mooie, lieve hartendief.
De geur van wijn hing rond zijn mond;
maar toen hij wankelend opstond,
greep Eros hem vlug bij de hand.
Hij pakte van zijn hoofd de krans
en wilde dat ik hem omwond.
Die geurde naar Anakreon.
Ik, arme dwaas, heb die aanvaard
en om mijn eigen hoofd gelegd.
Sindsdien word ik niet meer gespaard,
voor altijd ben ik Eros' knecht.

2

Geef mij de lier van Homeros,
ontdaan van de bloedige snaar.
Breng mij een mengvat: conventies
en wetten meng ik door elkaar.
In dronkenschap dans ik uitzinnig
mijn dans van bewuste verblinding.
Met de lier begeleid ik de klank
van mijn heerlijke dronkemanszang.
Geef mij de lier van Homeros,
ontdaan van de bloedige snaar.

3

Alsjeblieft, bijzondere schilder,
hoor de Muze, godin van lyriek.
Schilder eerst uitbundige steden
vol vrolijk lachend publiek,
en Bakchanten op speelse dagen,
als de dubbelfluit hen verheugt,
en, wanneer je was dat kan dragen,
schilder weiden vol minnende jeugd.

4

Hefaistos, klop uit het zilver
voor mij iets fraais met je hamer.
Maar maak alsjeblieft geen wapens;
wat moet ik met helmen en schilden?
Klop liever uit het metaal
een mooie, diepe bokaal
die van buiten reliŽfs moet dragen;
maar maak, zo wil ik je vragen,
geen sterren: wat zegt mij de Wagen,
BoŲtes of de Pleiaden,
of Orion, grimmige jager?
Versier hem voor mij met ranken,
druiventrossen en wilde Bakchanten
die over de beker dansen.
Maak een wijnpers waar most uit druipt
en een groep die danst in de kuip,
maak satyrs, vrolijk en blij,
Eroten in goud op een rij,
laat Kythera lachend genieten
en mooie Lyaios daarbij,
Eros en Afrodite.

5

Edelsmid, klop eens voor mij
een drinkbeker voor de lente.
Hamer dus die heerlijke tijd
in zilveren ornamenten,
die ons weer verblijdt met rozen:
zo mag de wijn mij verblijden.
Maar ik wil je in hemelsnaam vragen
om vreemde beelden te mijden,
die de drinker de lust doen verliezen.
De zoon van Zeus mag je kiezen,
Bakchos, die juicht met Mainaden,
hoe mystieke Kypris gaat baden
en huwelijksliederen zingt,
Eros zonder wapenrusting,
GratiŽn, lachend en dansend;
en onder huivende ranken
vol trossen en bladerkransen
fraai gebouwde jongelingen
tenzij Foibos daar zelf wil zingen.

6

Ik vlocht eens een krans van rozen
waarin Eros zich had verscholen.
Ik tilde hem op aan zijn vleugels
en doopte hem in de wijn
die ik dronk met volle teugen.
In mijn lijf tinkelt nu zoete pijn,
want hij kietelt mij met zijn vleugels.

7

De meisjes roepen allemaal:
"Anakreon, je wordt bejaard.
Wanneer je in de spiegel staart,
dan blijkt je hoofd volledig kaal:
geen enkel sprietje haar.
Geen haar? Wel haar? Wat raakt het mij!
Ik weet alleen: de Dood komt snel
gezien mijn jaren naderbij;
dus ben ik als een kind zo blij
met mijn naieve spel.

8

Ik geef niet om Sardes' winsten
waar Gyges heerste als vorst:
ik heb nooit naar zijn rijkdom gedorst
en ben niet jaloers op prinsen.
Ik wil mijn baard laten druipen
van heerlijk geurende balsem;
ik wil mijn slapen omsluiten
met bloeiende rozenkransen.
Ik geef alleen om vandaag
en stel over morgen geen vraag.
Laat ons onder een stralende hemel
van drinken en spelen genieten.
Dus richt tot Lyaios een bede
dat hij ons behoedt voor ziektes
die ons het drinken verbieden.

9

Ik smeek je bij alle goden,
laat me ademloos drinken, drinken.
Ik wil in waanzin verzinken.
Alkmaion is gek geworden
en Orestes ging blootsvoets voort
nadat zij hun moeder vermoordden.
Maar ik heb niemand vermoord,
ik wil wijn, rode wijn blijven drinken
en zo in waanzin verzinken.
Ooit is Herakles gek geworden:
hij liet zijn afschuwlijke pijlen
van de boog van Ifitos ijlen.
Ook Aias is ooit gek geworden:
hij zwaaide zijn schild in het rond
en het zwaard dat Hektor hem schonk.
Ik wil met mijn drinkbeker klinken
en niet met de boog of het zwaard;
met een bloemenkrans om mijn haar
wil ik in waanzin verzinken.

10

Wat wil je, krijsende zwaluw,
wat wil je dat ik je doe?
Dat ik je luchtige vleugels
aan beide kanten besnoei?
Of liever dat ik je tong
met een mes uit je bek wegsnijd,
zoals Tereus dat deed indertijd?
Waarom heeft je gekwetter vanmorgen
het dromen van lieve Bathyllos
zo vroeg veranderd in zorgen?

11

Een jongeman verkocht
een wassen beeld van Eros.
Ik heb hem opgezocht
en hem gevraagd: 'Wat kost
dat fraaie beeld dat je daar hebt?'
Hij sprak in Dorisch dialect:
'Wat je maar biedt. Neem hem maar mee.
Ik zeg in alle eerlijkheid:
ik ben geen beeldhouwer, o nee.
Ik word maar al te graag bevrijd
van Eros, louter zwijnerij.'
'Een drachme, hier, geef maar aan mij;
een maatje voor mijn nachten.'
Dus Eros, geef me koorts;
doe je dat niet, dan mag je
zelf branden als een toorts.

12

Volgens sommigen riep Attis
in de bergen, half vrouw, half man,
luid om de schone Kybebe,
beroofd van zijn verstand.
Een ander drinkt de bronnen
van het klaterend water bij Klaros,
gewijd aan gelauwerde Foibos,
en raast daarna onbezonnen.
Ik wil Lyaios indrinken
om door mijn liefste gelaafd
in mirregeuren gebaad
diep in waanzin weg te zinken.

13

Nu ben ik tot liefde bereid.
Eros wilde me eerder al dwingen,
maar ik met mijn dwaze geest
liet me daar nog niet toe dringen.
Hij pakte zijn boog onverwijld
en de gouden koker met pijlen
en daagde me uit tot de strijd.
Ik heb toen zoals Achilleus
om mijn schouders het harnas gelegd,
met de lans en het schild in handen
zocht ik Eros voor het gevecht.
Zijn pijlen kon ik ontwijken.
Toen ze alle waren verstrooid
heeft hij in woede zichzelf
als een pijl in mijn hart gegooid.
Midden in mij is hij gekomen
en heeft mij mijn kracht ontnomen.
Mijn schild draag ik nu zonder reden:
wat moet ik buiten nog raken
als de strijd in mijn hart wordt gestreden.

14

Kun jij het totaal berekenen
van alle blaadjes op aard,
kun jij de golven tellen
die de hele zee heeft gebaard?
Ik zal jou een topfunctie geven:
accountant van mijn liefdesleven.
Noteer dat ik in Athene
met twintig stuks heb gevrijd,
nee, doe er maar vijftien bij.
Tel verder: want in Korinthe
had ik liefjes per dozijn,
Korinthe ligt in Achaia
waar de leukste meisjes zijn.
En voeg daar dan nog van Lesbos
en van Ionische makelij,
van KariŽ en van Rhodos
zeker tweeduizend liefjes bij.
Wat zeg je? Ben je de tel kwijt?
 Ik heb SyriŽ nog niet vermeld,
en de schatjes van Kanobos
en van Kreta, zo welgesteld:
daar drijft Eros steden massaal
tot een liefdesbacchanaal.
En dan heb je de meisjes nog niet
die ik achter Gadeira vind
tot in Baktrisch en Indisch gebied,
alle liefjes die ik heb bemind.

15

Duifje, lief duifje,
waarvandaan stuif je
zo snel door de lucht
en ademt je vlucht
een hemelse geur?
Wie ben je, wat wil je?
"Ik breng hier een brief
van Anakreon lief
voor Bathyllos, de jongen
die hem heeft bedwongen.
Anakreon zong
voor de liefste der goden,
Kythera; zij schonk
mij aan hem als zijn bode.
Anakreons briefjes
breng ik naar zijn liefjes.
Straks laat hij me vrij,
zegt hij tegen mij.
Maar als vrije duivin
blijf ik toch zijn slavin.
Waarom zou ik snellen
langs bergen en velden,
slecht wonen in bomen,
van honger omkomen?
Anakreon biedt
mij zelf nu de hapjes
waarvan ik geniet.
Ik krijg wijn te drinken
waarmee hij wil klinken.
Daarna dans ik kwiek
en wuif met mijn vleugels
bij zijn liermuziek.
Die lier is mijn slaapplaats
zodra hij naar bed gaat.
Genoeg, ik ga weer;
door u klets ik meer
dan een ekster, mijnheer.
 
16

Toe, uitmuntende schilder,
bewijs je, uitmuntende schilder,
trots van de Rhodische school:
maak voor mij, al is ze nu weg,
mijn liefste zoals ik je zeg.
Schilder de harenpracht,
diepdonker en zijdezacht;
en laat, als je was dat kan,
de haren welriekend geuren.
Schilder haar volle wangen
onder haren in donkere kleuren,
en het voorhoofd in ivoor.
De wenkbrauwen lopen niet door,
maar staan ook niet in rechte lijn:
de welvingen moeten haar ogen
omhullen, zoals ze ook zijn,
onmerkbaar ineengebogen.
Wil je goed de ogen aanzetten,
laat dan het vuur eruit spetten
met de grijze kleur van Athena
en het vochtige van Kythera.
Schilder de neus in de wangen
als een roos die in room is gevangen,
en lippen die overtuigd vragen
en tot een kus uitdagen.
En laat de GratiŽn zweven
rond haar halsje onder de kin
waar het marmer lijkt te leven.
Kleed haar vervolgens in
een waas van purperen kleden
waardoorheen de teint van haar huid
een tastbaar lichaam aanduidt.
Genoeg; ik zie haar getekend.
Lieve was, straks ben je echt sprekend.

17

Schilder mijn vriendje Bathyllos:
ik zeg je wel hoe hij er uitziet.
Geef hem een glanzende haardos,
aan de onderkant zwart als grafiet,
aan de punten een coupe soleil.
Laat zijn golvende haren in lange
lokken vallen, losjes en vrij,
zoals ze vanzelf neerhangen.
Op zijn voorhoofd met vochtige glans
zijn de wenkbrauwen boven de ogen
als donkere slangen gebogen.
De ogen zijn diepzwart en fel
met een vleugje sereniteit;
daardoor lijkt hij Ares wel
met Kythera's bevalligheid:
het een drijft je op de loop,
het ander geeft je juist hoop.
En maak van zijn donzige wangen
als een appel een rozerood vlak;
laat een waas van Schroom ze bevangen,
als jij dat kunt met je vak.
Bij de lippen twijfel ik nog
hoe je die voor mij dient te maken:
wel zacht en vrij van bedrog;
maar de was moet hun wezen raken,
sprekend al klinkt er geen woord.
En schilder na zijn gelaat
een prachtige hals van ivoor
waarmee hij Adonis verslaat.
De beide armen, de borst
moeten zijn als die van Hermes,
de dijen van Polydeukes
en de buik van Dionysos.
Maak boven zijn dijenpracht,
waar vuur en tederheid strijden,
een klein, maar stevig geslacht,
dat de liefde wil belijden.
Helaas is je vak afgunstig:
we zien slechts de voorste helft
al schilder je nog zo kunstig.
De voeten? Bedenk die maar zelf.
Het maakt me niet uit wat het kost.
Wacht, Apollon daar staat me wel aan;
verander die maar in Bathyllos.
En doe je Samos ooit aan,
schilder dan naar Bathyllos een Foibos.

18a

Laat mij, laat mij, lieve meisjes,
ademloos drinken van Bromios' wijn.
Want in koortsige vermoeidheid
kreun en jammer ik van de pijn.
Vlecht voor mij zijn bloemenkransen
om mijn slapen dicht te omhangen
ter verkoeling van mijn hoofd.
Hoe wordt anders de liefdeskoorts
van mijn brandend hart verdoofd?

 
18b

Ik zal in de schaduw neerzijgen
van Bathyllos, mijn heerlijke boom:
hij schudt met zijn tere blaadjes
aan zijn allerteerste twijgen.
En naast hem fluistert de bron
waaruit overreding stroomt.
Wie zou zo een plek passeren,
wanneer hij daar rusten kon?

19

Eros werd, met kransen geboeid,
door de Muzen overgedragen
aan Schoonheid om haar te dienen.
Kythereia zoekt nu alle dagen
haar kind; voor een hoge prijs
wil zij haar Eros bevrijden.
Maar ook al koop je hem vrij,
hij blijft steeds aan Schoonheids zijde,
geschoold in de slavernij.

20

Zoetzingend is Anakreon,
zoet is de zang uit Sapfo's bron;
meng die met een Pindarisch lied
als u iets in mijn beker giet.
Als u die drie zo mengt voor mij,
komt Dionysos snel nabij,
en Afrodite, zacht van vel,
met Eros, trouwe drinkgezel.

21

De zwarte aarde drinkt,
de bomen drinken aarde.
De zee drinkt de rivier.
De zon drinkt zee,
de maan drinkt zon.
Dus vriend, maak geen bezwaren:
ook ik drink, met plezier.

22

Tantalos' dochter versteende
in het Frygische heuvelland,
Pandions dochter beroerde
als een zwaluw de hemelrand.
Ach was ik maar jouw spiegel
waarin jij mij steeds weer zag;
ach werd ik maar jouw chiton:
dan droeg je mij elke dag.
Ik wil wel het water worden
om steeds maar je huid te spoelen;
mijn lief, ik wil balsem worden
om steeds  je lichaam te voelen.
De band om je borstjes zo zoet,
de robijn om je hals wil ik zijn,
en het schoentje om je voet:
dan loop je alleen met mij.

23

Ik wil dichten van Atreus' zonen
en ik wil van Kadmos zingen,
maar de snaren bevelen mij tonen
over Eros te laten klinken.
Ik heb laatst de snaren vervangen,
zelfs een andere lier gezocht
om Herakles in mijn gezangen
te roemen. De lier liet toch
slechts klanken van Eros horen.
Ik laat jullie verder maar gaan,
fiere helden: vaarwel! Voortaan
wil mijn lier slechts Eros bekoren.

24

Natuur gaf horens aan de stier
en sterke hoeven aan het paard.
De hazen snellen vliegensvlug,
de leeuwenmuil brult onvervaard.
De vissen kregen zwemmerskunst.
Aan vogels werd de vlucht gegund,
aan mannen wijsheid toebedacht.
Voor vrouwen restte er niets meer.
Wat nu? De schoonheid is hun kracht,
die alle schilden overtreft,
die alle zwaarden overtreft.
Sterker dan ijzer en sterker dan vuur
is een vrouw met een mooi figuur.

25

Jij, lieve zwaluw, ieder jaar
kom jij hier 's zomers heen en
vlecht jij je nestje in elkaar.
Maar 's winters ben je in enen
naar de Nijl of Memfis verdwenen.
In mijn hart weeft Eros aldoor
een nestje voor zijn kinderkoor.
De ene liefde vliegt al uit
als het ei de tweede nog omsluit
en de derde juist naar buiten kruipt.
De kuikens maken steeds herrie
als ze gretig hun snavel sperren.
Door de grote Eros telgen
worden de kleintjes gevoerd
en zij die al zijn gegroeid
broeden zelf weer op nageslacht.
Waar vind ik de juiste methode?
Mij ontdoen van zo veel Eroten,
daarvoor mis ik voldoende kracht.

26

Jij beschrijft Thebes lot in je zangen,
hij Trojes luidruchtige slag,
ik zing hoe ik zelf ben gevangen.
Wat mij aan het wankelen bracht
was geen paard, vreemde vloot, pijl en boog;
een veel verrassender macht
wondde mij: de blik van een oog.

27

Aan het merk op de flanken
herken je een paard,
en Parthen zijn om
hun tiara vermaard.
Verliefden herken ik
onmiddellijk; want
in hun ziel staat een heel fijn
merkje gebrand.

28

Toen de echtgenoot van Kythera
in zijn gloeiende ovens op Lemnos
de liefdeswapens gesmeed had,
de ijzeren pijltjes van Eros,
heeft Kypris het scherpe metaal
met zoete honing besmeerd,
waarna Eros het doopte in gal.
Zodra Ares met stevige speer
uit de strijd was teruggekomen
en om Eros' pijltjes lachte,
zei Eros: 'Die zijn loodzwaar.
Test daarop maar eens je krachten.'
Kypris glimlachte stil
toen Ares een pijltje wou pakken;
verbijsterd gaf hij een kreet:
'Pak hem zelf eens. Hij is echt zwaar.'
Maar Eros zei: 'Houd hem maar.'

29

Het is pijnlijk niet te beminnen,
het is pijnlijk wel te beminnen,
maar wat je het pijnlijkst steekt:
een beminde die met je breekt.
Liefde buigt niet voor stand
en treedt wijsheid, karakter met voeten.
Alleen geld maakt liefde charmant.
Van mij mag hij naar de hel
die als eerste hield van het geld.
Je broer verlies je door hem,
je ouders verlies je door hem,
moord en oorlog bestaan door hem.
Door hem gaan zelfs wij ten gronde,
ware minnaars, de ergste zonde.

30

In mijn droom rende ik vliegensvlug
met vleugeltjes op mijn rug.
Eros' voetjes waren verzwaard
met lood; toch wist hij onvervaard
mij te volgen en in te halen.
Wat leren mij zulke dromen?
Ik denk: in de liefde ben ik
aan vele listen ontkomen,
maar in deze blijf ik verstrikt.

31

Eros dwong mij wreed tot draf
met zijn hyacintenstaf.
Zo moest ik hem wel volgen
door bergbeken vol kolken,
door kreupelhout en kloven;
het ging mijn kracht te boven.
Mijn hart sprong in mijn borst omhoog,
het leek of het naar buiten vloog;
ik zakte bijna in elkaar.
Maar Eros vleugels wuifden mij
heel zachtjes koelte toe; hij zei:
"Valt liefde jou te zwaar?" 

32

Ik wil mijn leden spreiden
op mirte in lotusweiden
en toosten op het leven.
Eros, bind je soepel gewaad
om je hals met papyrusdraad
en kom mij de beker geven.
Net als het wiel van de wagen
rolt het leven maar af en aan.
We zijn stof tot in eeuwige dagen
als de botten zijn vergaan.
Moet parfum mijn grafsteen drenken?
Moet u zinloos wijn voor mij plengen?
Zalf me liever tijdens mijn leven
en omkrans mijn slapen met rozen;
laat een meisje mij liefde geven.
Totdat ik ginds moet verblijven
in de reidans van de doden
wil ik, Eros, mijn zorgen verdrijven.

33

Het was eens midden in de nacht,
als Arktos zich al omdraait
gehoorzaam aan BoŲtes' macht
en  heel de wereld slaapt
door vermoeienis bedwongen,
toen Eros aan mijn deur kwam staan
en met de grendel begon te slaan.
Ik riep: "Wie staat daar te bonken
en kapt mijn droom door midden?
Eros sprak: "Toe, laat me binnen.
Ik ben een kind. Vrees niet. Doe open.
Al uren heb ik door de regen gelopen.
Ik ben verdwaald in de maanloze nacht.
Vol deernis hoorde ik zijn klacht
en maakte onmiddellijk licht.
Ik deed open; daar stond een wicht
dat aan zijn schouders vleugeltjes had,
een pijlenkoker en een boog.
Ik heb het bij de haard gezet,
zijn handen warm gewreven met
de mijne, en met een doek direct
zijn natte haartjes afgedroogd.
Maar toen hij weer was opgeknapt
zei hij: "Ik wil even zien
of door de regen misschien
de boogpees is verslapt.
Hij spande en schoot trefzeker
als een horzel een pijl in mijn lever.
Schaterend riep hij me toe:
"Je mag wel blij voor me zijn,
vreemdeling: de pees is nog goed.
Dat betekent voor jou liefdespijn."

Hier volgt een vertaling van Albert Verwey, aangetroffen in de:
Klassieke Bibliotheek: Griekse Varia:
Bloemlezing uit de werken van een vijftiental Griekse dichters en prozaschrijvers,
in vertaling bijeengebracht en ingeleid door
Dr W.E.J. Kuiper.
Haarlem 1956. N.V. Drukkerij De Spaarnestad.


Eroos' nachtbezoek

Eenmaal, toen het middernacht was,
Toen de Wagen zich al wendde
Naar de hand heen van den Ploeger -
Al de sterfelijke zielen
Lagen sluimer-overweldigd -
Hoord' ik Eroos, welbekend mij,
Hoe hij morreld' aan den deurbout.
"Wie is daar die op mijn deur slaat,"
Zei ik, "en mijn droom uiteenscheurt?"
Eroos toen: "Doe open," zei hij.
"Wees niet bang: ik ben een kind maar,
En ik ben doornat van zwerven
Door den nacht, waar niet een maan schijnt."
Meelij voeld' ik toen ik 't hoorde,
Wijlde niet, maar vatt' een lamp en
Opend'; en ik zag een kind wel,
Dat een boog droeg en een pijlbus,
En zijn schouders hadden vleugels.
Toen, hem zettend' aan het haardvuur,
Warmd' ik zijn verkleumde handen
In mijn palmen en ik perste
Uit zijn haren 't natte water.
Maar, bekomen van de koude,
Zei hij: "Kom, beproeven wij nu
Hier dien boog of niet de pees mij
Werd bedorven door den regen,"
Spand' opeens en schoot, zijn schot stak
Midd' in 't hart mij, als een horzel,
En hij, lachend sprong hij op en
"Gastheer," riep hij, "dat 's een heilwens
Waard: mijn boog is onbedorven,
Maar uw hart zal lang nog lijden."

35

Op een dag zag Eros niet
dat een bij in een roos, pas ontloken,
voor een slaapje was weggedoken,
en werd prompt in zijn vinger gestoken.
Hij schreeuwde van pijn en verdriet.
Huilend vloog en rende hij vlug
naar mooie Kythera terug
en riep:  Moeder, het is voorbij!
 t Is voorbij, nu verlies ik mijn leven.
Een slangetje heeft me gebeten
met vleugeltjes aan zijn zij;
de boeren noemen het bij.'
Zij sprak: Jij huilt al van pijn
door het angeltje van een bij.
Hoeveel pijn lijden, denk je, dan zij
die door Eros gestoken zijn?'

36

Als een mens erop kon hopen
met goud zijn leven te kopen,
dan zou ik steeds op wacht staan
om de Dood, wanneer die langs kwam,
te betalen om verder te gaan.
Wanneer goud dus niet de mens
laat leven zo lang hij wenst,
wat heeft het dan verder voor zin
dat gezucht en gejammer klinkt?
Als de dood mij is beschoren,
kan dat goud mij niet bekoren.
Dan kan ik beter drinken
en met mijn vrienden klinken,
genietend van heerlijke wijn,
en in donzen bedden wegzinkend
Afrodite's lieveling zijn.

 
37

's Nachts lag ik in slaap verzonken
onder een zeepurperen kleed
en droomde heerlijk beschonken
dat ik een spelletje deed:
ik vloog met jeugdige snelheid
achter meisjes aan in een wedstrijd.
Maar jongens, die nog zachter
dan Lyaios waren, lachten
mij uit en bespotten me wreed
omdat ik met meisjes streed.
Toen ik een kus wilde geven
ontvluchtten allen mijn slaap.
Ik arme, alleen gebleven,
verlangde terug naar de slaap.

38

Weg met de zorgen, laat ons drinken,
laat er een lied op Bakchos klinken,
hij die de reidans heeft bedacht,
die naar alle liederen smacht,
die altijd met Eros optrekt,
en aan Kythera dierbaar is,
die van de Roes de vader is,
door wie de Gratie is verwekt,
wiens gave alle pijn verzoet
en alle leed inslapen doet.
Lieve jongens lopen aan
met goed gemengde bekers wijn;
stormen mengen zich met de pijn
en blazen die ver van ons vandaan.
Kom, pak dus de beker,
laat je gepieker varen.
Er valt geen winst te garen
uit zorgen, dat is zeker.
Voor ons is de toekomst ongewis.
Een mens weet nooit hoe het morgen is.
Dansen wil ik, blij en dronken,
heerlijk geuren en harten stelen,
(spelen met de mooie jongens),
met de mooie meisjes spelen.
Wie dat wil maakt zich maar druk
om toekomstig ongeluk.
Weg met de zorgen, laat ons drinken,
laat een lied op Bakkhos klinken.

39
 
Ik houd van een vrolijke grijsaard,
ik houd van de dansende jeugd;
dus als een grijsaard wil dansen,
draagt zijn hoofd wel grijze kransen,
maar zijn hart draagt jeugdige vreugd.

40

Als sterveling ben ik geboren
om te gaan langs het levenspad.
Ik weet wat ik heb gehad,
maar heb geen idee van morgen.
Laat me dus, toekomstzorgen.
Wat kunnen jullie mij schelen.
Totdat ik mijn einde bereik
zal ik met de mooie Lyaios
lachen, dansen en spelen.

41

Wat is het heerlijk te gaan,
waar de weiden volop bloeien,
waar de strelende Zefyros
zijn zoele briesje laat stoeien,
om de wijnstok van Bakchos te zien
waar je onder het bladerdak duikt
met een meisjelief in je armen,
dat volkomen naar Kypris ruikt.

42

Ik wil graag dansen in de rei
in Dionysos' spel bedreven
en met een drinkmaat aan mijn zij
me op de lier uitleven.
Ik wil getooid met kransen
van hyacinten om de slapen
het liefst van al mijn kansen
bij lieve meisjes wagen.
Mijn hart kent geen jaloezie,
geen moordende jaloezie,
ik verafschuw de flitsende pijlen
van een tong vol ironie.
Ik haat ook dronkemansruzie.
Ik wil bij feestmaaltijden
met frisse jonge meiden
dansend op liermuziek
een leven in vrede leiden.

 
43

Laten we getooid met rozen
tot een krans gevlochten
ons verheugd met wijn verpozen.
Op slanke enkels danst
een meisje bij de lier,
ze draagt daarbij in haar hand
de thyrsos klimop versierd.
Een jongeman met donzen haren
speelt op de harpsnaren,
helder klinkt het lied in  t rond
uit zijn zoet ademende mond.
De goudgelokte Eros
met de mooie Lyaios
en Kythera in feestdos
voegt zich verheugd bij de stoet
die ouderen juichen doet.

44

Laat ons de roos van Eros
mengen met Dionysos,
de roos met zijn mooie bladeren
siert schitterend onze slapen.
Kom, laten we drinken en schateren.
Roos, allerheerlijkste bloem,
favoriet van het lenteseizoen,
roos waarnaar goden verlangen,
roos die de donzige wangen
van Kythera's zoon omkranst
als hij met de GratiŽn danst.
Dionysos, schenk mij de krans;
op mijn lier speel ik  u een wijsje
als ik met een rondborstig meisje
door de rozengeur in trance
bij uw heiligdommen dans.

45

Zo lang ik drink van de wijn,
waken mijn zorgen niet.
Ik voel niet de druk van verdriet,
zware zorgen, snijdende pijn.
Moet gepieker mijn leven bederven?
Onvermijdelijk zal ik eens sterven.
Dus laten we nogmaals klinken
op Lyaios: hij schonk ons de wijn.
Want het leven kan zorgeloos zijn
als wij maar wijn blijven drinken.

46

Kijk, de GratiŽn hebben de lente
onder rozenknoppen bedolven.
Kijk, op zee kalmeren de golven
tot een spiegel die zeelui zich wensen.
Kijk, de taling duikt in het nat,
kijk, de kraanvogel kiest zijn pad.
De zon schijnt rimpelloos aan de lucht,
de schaduw van sombere wolken vlucht,
het boerenland ligt te glanzen.
Terwijl de olijf aan de boom ontgroeit,
terwijl het sap van Bromios vloeit
in de bladeren, in de ranken,
staat een rijke oogst weldadig in bloei.

47

Al ben ik gerimpeld en oud,
bij het drinken versla ik de jongens.
Voel ik me tot dansen gedwongen,
ik zal dansend hun middelpunt zijn:
als een Seilenos de tweede
leun ik op een zak met wijn,
want de thyrsos is niets voor mijn leden.
Wil iemand een drinkwedstrijd,
kom maar op: bij mij moet hij zijn.
Beste jongen, meng jij voor mij
nog wat honingkleurige wijn
en breng me een heerlijke beker.
Al ben ik gerimpeld en oud,
bij het drinken versla ik de jongens.

48

Wanneer Bakchos naderbijkomt
vallen mijn zorgen in slaap.
Dan bezit ik Kroisos' rijkdom.
Ik verlang naar lieflijk gezang,
lig aan met een krans om mijn slaap
en hecht aan niets anders belang.
Maak nog maar iets klaar, beste knaap,
ik wil nog een beker met wijn.
Want ik kan beter dronken zijn
dan rusten in eeuwige slaap.

49
 
Als uit Zeus geboren Bakchos,
de zorgenbevrijder Lyaios,
aan mij de dronkenschap geeft
en hij in mijn binnenste leeft,
dan leert hij mij te dansen.
En ik, minnaar van drinkplezier,
word nog eens extra verkwikt
na mijn ritmische dans bij de lier
als Afrodite mij strikt.
Dus wil ik steeds weer dansen.

50

Wanneer ik drink van de wijn,
word ik helemaal warm van binnen
  ...
wil helder de Muzen bezingen

Wanneer ik drink van de wijn,
neemt de wind mijn zorgen mee
en blaast mijn verdriet en pijn
ver weg van mij over zee.

Wanneer ik drink van de wijn
omgeeft mij de lucht van rozen,
waarmee Bakchos, speels en vrij,
mij in dronkenschap laat verpozen.

Wanneer ik drink van de wijn
zing ik, met een krans rond mijn haren
om mijn hoofd tot sieraad te zijn,
van een leven op rustige baren.

Wanneer ik drink van de wijn
en mijn lijf met parfum begiet,
mag bij mij een meisje zijn:
dan zing ik voor Kypris een lied.

Wanneer ik drink van de wijn
uit een ruime beker, dan opent
mijn hart zich om blij te zijn
als de jongensstoet langs komt lopen.

Wanneer ik drink van de wijn,
is dat winst voor mij alleen:
die mag mijn eigendom zijn,
want sterven is algemeen.

51
 
Waarom drijven mijn grijze haren
jou toch zo snel op de vlucht?
Je bent in de bloei van je jaren,
maar toon me niet steeds je rug
als ik, liefste, van liefde wil zingen.
Want ook in bloemenslingers
worden witte lelies gekozen
omdat ze passen bij rozen.

52a

Waarom leer je mij schoolse regels
en dwing je me onder het juk?
Het brengt me geen enkel geluk.
Je toespraken maken me kregel.
Leer me liever de wijn te genieten
door zoete Lyaios gegeven;
leer me liever het spel te spelen
met gouden Afrodite.

52b

Grijze haren omkransen mijn hoofd.
Breng water, jongen, schenk wijn.
Mijn hart moet worden verdoofd.
Weldra zal ik voor eeuwig rusten.
De dode kent geen lusten.

53

Als ik de jeugd om mij heen zie,
stroomt in mij het jeugdige bloed.
Dan voel ik van binnen de passie
die een oude man dansen doet.
Mij grijpt Kybeles razernij.
Geef bloemen: ik wil mij omkransen.
Van grijze ouderdom vrij
zal ik jong onder jeugdigen dansen.
Laat nu de wijnschenker komen:
Dionysos' oogst moet stromen
opdat hij de krachten ziet
van een grijsaard die kan zingen
van een grijsaard die kan drinken
en stijlvol zichzelf verliest.

54

Zie je die stier, beste jongen:
dat is Zeus zonder enige twijfel.
Hij draagt het Sidonische meisje
dat op zijn rug is gesprongen.
Kijk hoe hij het zeevlak berijdt,
met zijn hoeven de golven doorsnijdt.
Geen enkele andere stier
zou de kudde achter zich laten
voor een tocht over grenzenloos water;
dat doet alleen deze hier.

55

Nu het voorjaar kransen brengt,
wil ik helder de tere rozen,
haar eeuwig gezelschap, bezingen.
Ze zijn als de adem der goden,
bieden mensen blije warmte,
aan de GratiŽn voorjaarscharme,
en doen Eros en Afrodite
speels van bloemenpracht genieten.
Als bloem de Muzen lief
maakt de roos dichters creatief.
Ze is zoet voor wie zich wil wagen
op doornige liefdespaden,
zoet voor ieder die haar plukt
en warmt in zijn zachte handen,
ze is Eros' lichte geluk.
Bij een rijke feestmaaltijd
en Dionysos' drinkgelagen
verschijnt de roos altijd.
Rooskleurig zijn Eos' vingers,
roosarmig zijn ook de nimfen,
rood is Afrodite's huid
zoals bij dichters verluidt.
Ook prozaÔschen worden verkwikt
door de roos die voor ziekte behoedt,
die beschermt als de doodsklok tikt,
die de tijd zelfs wijken doet.
De charme van oude rozen
spreidt toch een jeugdige geur.
Ik wil bij de oorsprong verpozen.
Toen uit zeeschuim met grijsblauwe kleur
Kythera werd geboren,
de vochtige liefdesgodin,
toen krijgshaftige Athena
uit het hoofd van Zeus opging,
vreeswekkend voor de Olympos,
was dat het moment dat de aarde
de loten van dierbare rozen
als veelkleurige kinderen baarde.
Om de roos te laten lijken
op de eeuwig zalige goden
liet Lyaios er nectar op strijken
en aan de dorens ontsproot
de onsterfelijke loot.

56

De god die tegen ongeluk volharding geeft,
die zorgt dat jeugd naar ongeremd genoegen streeft
en dat in dronkenschap de danser schoonheid heeft,
is op de aarde neergedaald met een geschenk,
een heerlijke vertroosting voor de mens.
Hij bracht een drank als middel tegen pijn,
geboren uit de moederstok, de wijn.
Die wordt door hem beschut als aan de rank
de druiven voor de oogst ontsprongen zijn
om allen tegen ziekte te bewaren,
zodra ze trossen van de ranken garen,
hun prachtig lijf beschermend tegen pijn,
hun zoete hart beschermend tegen kwaad,
totdat het nieuwe jaar weer oogsten laat.

57

Wie maakte de zee in metaal,
wie goot met bezeten techniek
de golven omhoog in een schaal?
Welk genie, de aarde ontstegen
en tot in de hemel gevlogen,
heeft de teer blanke Kupris verbeeld,
de geboorte van de goden
op de ruggen van de zee?
Naakt heeft hij haar ingekrast
behalve wat niet past
voor de ogen; dat heeft hij met golven
bedekt. Als een zeewieren kleed
sleept zij langs haar pad een spoor
van schuim door de witte zee
als haar lichaam met zachte huid
snel uit het water opduikt.
Waar haar lieflijke hals verwijst
naar haar zachte roze borsten
doorklieft een golf haar lijf.
Daar rijst Kypris in een vore:
als een lelie tussen viooltjes
kan ze door het water bekoren.
Op de zilveren rand verschijnen
op dansende dolfijnen
Eros met slinkse plannen
voor mensen, en lachend Verlangen,
en gekromde vissen omringen
op een rij in de golven het lijf
van de Paphische, dartel springend
rond de plek waar zij lachend drijft.

58

Wanneer de wegloper Goud
op vleugels wiekt door de lucht
en mij snel vliegend ontvlucht
(er is niets dat hem bij mij houdt),
ga ik hem nooit achterna.
Want wie jaagt na wat hij haat?
Ik denk niet aan achtervolging,
als de wegloper Goud verschijnt,
maar zorg dat de grauwe bewolking
door de wind uit mijn hart verdwijnt.
Ik pak mijn lier vol verlangen
en zing mijn liefdesgezangen.
Wanneer mijn hart dan weer blij
en trots heeft leren zingen,
komt plots de wegloper mij
een roes van zorgen opdringen,
opdat ik me op hem stort
en mijn heerlijke lier stoffig wordt.
Goud, onbetrouwbare gluiper,
je magie is vergeefs en onecht.
Mijn snaren haten met recht
het verlangen naar goud en luister.
Jij maakt dat mannen streven
naar bedrog en afgunstig leven.
De lier mengt wijn zonder leed
met verlangen naar slaapvertrekken
waar je kussend je zorgen vergeet.
Dus vlucht alsjeblieft hiervandaan,
want zonder de zang van mijn lier
kan ik geen moment bestaan.
Ga vreemden in plaats van de Muzen
maar behagen met vals gevlei;
ik bespeel voor eeuwig de lier,
want de Muzen wonen in mij.
Ga maar elders je onrust stichten,
laat je glans maar elders oplichten.

59

Mannen en meisjes dragen
de trossen met donkere huid
in manden op de schouders
en storten die in de kuip,
waarna de mannen ze treden
en de druif bevrijden van sappen,
als ze bij de wijnpers hymnes
voor de god in hun handen klappen
en zien hoe in de kuip
jonge Bakchos begerig schuimt,
die een grijsaard op bevende voet
dansen en wankelen doet
en zijn grijzende haren laat schudden.
Begerig loert de jongen,
tot diep in zijn hart doordrongen
van Lyaios die schroom verdrijft,
naar het zachte meisjeslijf,
dat onder het bladerdek
in diepe slaap ligt gestrekt,
waarin schalkse Eros haar bracht
tot verraad van de huwelijksnacht:
hij denkt er niet aan haar te vleien,
maar droomt uitsluitend van vrijen.
Want Bakchos voert de jongen
in verwarrende speelsheid dronken.

60a

Ik ontlok aan mijn lier muziek
al komt er nog geen festival;
door te trainen, altijd, overal,
pluk je de vrucht van techniek.
Met mijn plectrum van ivoor
begeleid ik mijn lied sonoor,
ik zing in Frygische maat
zoals met zijn vleugels de zwaan
zijn lied aan de Kaystros zingt
bij het fluiten van de wind.
Kom, Muze, danst u met mij
aan Foibos zijn immers de drievoet,
laurierboom en lier gewijd.
Ik zing van de liefde van Foibos,
zijn onvervulde vervoering.
Het meisje ontweek zijn beroering.
Ze ontvluchtte zijn angel beschroomd
en wortelde na haar vervorming
voor hem als een welige boom.
Daar kwam Foibos, Foibos nabij,
denkend dat zij hem zou gerieven.
Maar hij plukte slechts teergroene blaadjes
ter vervulling van zijn liefde.

60b

Mijn hartje, wat ben je van streek
door de beste waanzin geslagen?
Kom schiet een pijl om je doel,
voordat je weggaat, te raken.
Maar vergeet Afrodites boog
waarmee ze goden kon vangen.
Imiteer toch Anakreon,
de alom bezongen zanger.
Drink de jongens toe met je beker,
gevuld met woorden vol charme.
Een teugje nectar brengt zeker
verkoeling bij hondse warmte
die het liefst door ons wordt ontweken.




 
Verklarende lijst van eigennamen

Adonis           mooie jongeman, geliefde van Afrodite (17)
Aias               Griekse held die in waanzin een kudde schapen afslachtte (9)
Achaia           landstreek in Zuid Griekenland (14)
Achilleus       Griekse held (13)
Afrodite         godin van de liefde, geboren uit het schuim van de zee (4, 20, 36, 49, 52a, 60b)
Alkmaion       doodde zijn moeder om zijn vader te wreken (9)
Anakreon       zie inleiding (1, 7, 15, 20, 60b)
Apollon          jonge god van de kunsten, boogschutter (17)
Ares               oorlogsgod, minnaar van Afrodite (17, 28)
Arktos            de (Grote of Kleine) Beer (33)
Athena           godin van de wijsheid, beschermgodin van de stad Athene, geboren in volle wapenrusting uit het hoofd van Zeus (16, 55)
Athene           stad in Oost Griekenland (14)
Atreus            vader van twee grote Griekse helden (23)
Attis               mooie jongeman, geliefd aan Kybele; castreerde  zich om priester te zijn in haar eredienst (12)
Bakchanten    volgelingen van de god Bakchos die in een roes zijn eredienst beleefden (3,. 4)
Bakchos         god van de wijn en de roes, met vele namen genoemd (5, 38, 41, 48, 49, 50, 59)
BaktriŽ           landstreek in het huidige Afghanistan (14)
Bathyllos       geliefde jongen van Anakreon (10, 15, 17, 18b)
BoŲtes           sterrenbeeld Ossendrijver (4, 33)
Bromios        de luidruchtige', bijnaam van Bakchos (18a, 46)
Dionysos       andere naam van Bakchos (17, 20, 42, 44, 53, 55)
Eos                godin van de dageraad (55)
Eros               liefdesgod, zoon van Afrodite en Ares (1, 4, 5, 6, 11, 13, 14, 19, 20, 23, 25, 27, 28, 30, 31, 32, 33, 35, 38, 43, 44, 55, 57, 59)
Foibos        bijnaam van Apollon (5, 12, 17, 34, 60a)
FrygiŽ        landstreek in Klein AziŽ (22, 60a)
Gadeira       Cadiz (14)
GratiŽn       drie godinnen van schoonheid en charme (5, 16, 38, 44, 46, 55)
Gyges     koning van het rijke land LudiŽ in Klein AziŽ (8) 
Hektor        aanvoerder van Troje in de oorlog tegen de Grieken (9)
Hefaistos     god van het vuur, smid van de goden, gehuwd met Afrodite, maar vaak door haar bedrogen (4)
Herakles      beroemdste Griekse held (9, 23)
Hermes        bode van Zeus, altijd jong afgebeeld (17)
Homeros       episch dichter van de Ilias en de Odyssee uit de 8e eeuw v.C. (2)
Ifitos        door Herakles in een vlaag van waanzin gedood (9)
IndiŽ     het huidige IndiŽ (14)
IoniŽ     door Grieken bewoonde landstreek in Klein AziŽ (14)
Kadmos        stichter van de Griekse stad Thebe, voorvader van een beroemd koningsgeslacht, o.a. van Oidipous (23)
Kanobos       plaats in Egypte (14)
KariŽ     landstreek in Klein AziŽ (14)
Kaystros      rivier in Klein AziŽ (60a)
Klaros        stad in Klein AziŽ met beroemd orakel van Apollon (12)
Korinthe      stad in Zuid Griekenland (14)
Kreta     eiland ten Zuiden van Griekenland (14)
Kroisos       afstammeling van Gyges, beroemd om zijn rijkdom (48)
Kybebe        = Kybele (12)
Kybele        moeder godin, in allerlei vormen vereerd in het Middellandse Zee  gebied (53)
Kypris        bijnaam van Afrodite vanwege haar eredienst op Cyprus (5, 28, 41, 50, 57)
Kythera       bijnaam van Afrodite die bij het eiland Kythera geboren zou zijn (4, 15, 16, 17,
28, 35, 38, 43, 44, 55)
Kythereia     = Kythera (19)
Lemnos        eiland voor de kust van Klein AziŽ met eredienst voor Hefaistos (28)
Lesbos        eiland voor de kust van Klein AziŽ (14)
Lyaios         'de bevrijder', bijnaam van Bakchos (4, 8, 12, 37, 40, 43, 44, 45, 49, 52a, 55,
59)
Mainaden      andere naam voor Bakchanten (5)
Memfis        stad in Egypte (25)
Muzen     negen godinnen van de kunsten die het gevolg van Apollon vormen (3, 19, 34,
50, 55, 58, 60a)
Nijl      rivier in Egypte (25)
Olympos       berg in Noord Griekenland, woning van de goden (55)
Orestes       doodde zijn moeder om zijn vader te wreken (9)
Orion     jager, als ster aan de hemel geplaatst (4)
Pandion       koning van Athene, gaf zijn dochter ten huwelijk aan Tereus (22)
Pafos     stad op Cyprus met eredienst van Afrodite (57)
Parthen       Aziatisch volk (27)
Pindaros      moeilijke Griekse dichter, zeer gewaardeerd in eigen land (20)
Pleiaden      zeven zusters die in een noodsituatie zelfmoord pleegden en aan de hemel
werden geplaatst als sterrenbeeld (4)
Polydeukes    zoon van Zeus, geducht bokser (17)
Rhodos        eiland ten Zuiden van Klein AziŽ (14, 16)
Samos     eiland voor de kust van Klein AziŽ (17)
Sapfo     Griekse dichteres uit de 6e eeuw v.C. van liefdespoŽzie voor meisjes, woonde
op Lesbos (20)
Sardes        stad in Klein AziŽ (8)
Seilenos      oude geilbok uit het gevolg van Bakchos, meestal dronken (47)
Sidon     stad in Libanon, geboorteplaats van de prinses Europa die door Zeus, in de
gedaante van een witte stier, werd ontvoerd (54)
SyriŽ     ongeveer het huidige SyriŽ (14)
Tantalos      testte de goden door hun tijdens de maaltijd het vlees van zijn zoon te eten
te geven (22)
Teos      stadje in Klein AziŽ, geboorteplaats van Anakreon (1)
Tereus        rukte zijn schoonzuster, nadat hij haar verkracht had, de tong uit (10)
Thebe     stad in Midden Griekenland (26)
Troje     stad in het Noord Westen van Klein AziŽ, door de Grieken veroverd in de oorlog waarover Homeros' Ilias vertelt (26)
Wagen     een sterrenbeeld (4)
Zefyros       naam van de westenwind (41)
Zeus      oppergod (5, 49, 54, 55)




II.

IN ANACREONS BAN

Gedichten van wijn, van min en van levensvreugd uit de latere oudheid.
Uit het Grieks vertaald door Dr. J.D. Meerwaldt,
in het voorjaar van 1951 gezet uit de letter Romulus van J. van Krimpen en gedrukt door H. Veenman & Zonen te Wageningen, is als vijf en twintigste deel van De Ceder uitgegeven door J.M. Meulenhoff te Amsterdam

WOORD VOORAF
...


DE MAGISCHE KRANS [= Nagelkerken 1]

Anakreoon, van Teos
De speelman zoet van stem,
In droom mij zag en groette;
Ik ijlvoets hem gemoette,
Ten kus omarmde ik hem.

Oud was hij, ja, maar schoon toch,
Schoon en een vriend van wijnvreugd,
Wijn geurde om lip en mond;
Zijn tred al wankel tastte,
Maar Eros' hand hem vastte,
Dat zeekre baan hij vond.

Daar, lichtend van de slapen
Sieraad van rozen schoon,
Bood hij die mij, - ik speurde er
Geur van Anakreoon.

En, dwaas, ik wond ze om 't voorhoofd,
Van onheil onbewust;
Ach, sedert is het minnen,
Immer, zonder rust.


LIER EN BEKER [= Nagelkerken 2]

Geef de lier mij van Homeros,
Maar zonder snaar van moord;
Reik beekren mij vol zangwijs,
Dat ik meng het recht akkoord,
Dat ik danse welbeschonken,
Dat in maatbezonnen dolzijn,
Ik een drinkzang op dit speeltuig
Rijkluidend roep te voort;
Geef de lier mij van Homeros,
Maar zonder snaar van moord.


BIJ DEN KUNSTSMID [= Nagelkerken 4]

Neen, mij niet van dat zilver,
Hephaistos, smid der smeden,
Een pantser om de leden;
Wat zullen ik en strijd?
Neen; mij gehold een drinkschaal,
Diep als gij kunt en wijd.

En op die drinkschaal boots mij
Geen sterrenbeeld, geen Wagen;
Niet - grimmig aan 't belagen -
Jager Orion fel;
Wat mij Uw Ster van Zeven,
Wat mij Boiotes hel?

Neen; mij gebeeld een wijngaard,
Van trossen rijkbeladen;
Aan 't plukken de Mainaden -
Een kuip ook zal er zijn,
En Eros en Bathullos,
Bij 't stampen Bacchos' makkers,
Twee goudgelokte rakkers,
Aan 't dansen in de wijn.


DE VANGST [= Nagelkerken 6]

Eens, kransen vlechtend, vond ik
Bij rozen Eros klein;
Gevangen - bij de wiekjes
Doopte ik hem in de wijn.

Ik nam de wijn en dronk hem;
Maar, sedert ben ik ziek,
Want altijd is daarbinnen
Dat kriewlen van een wiek.


AFGEWEERD [= Nagelkerken 7]

"Anakreoon", zo zeggen
De vrouwtjes, "je bent oud;
Kijk zelf maar in je spiegel,
't Is voorhoofd, vůůr en achter,
Geen haar die 't bij je houdt."

Wel, of mijn haar nog daar is,
Of dat mijn haar verdween,
Ik weet het niet; ik weet maar
Een enkel ding alleen:

Dit ene, dat wie, voeglijk,
In 't oudren zich bezint,
Hoe minder 't lot hem tijd laat,
Hoe meer te minnen vindt.


CARPE DIEM [Nagelkerken 8]

Wat lust mij al de schatten
Van Guges, heer te Sardeis,
Geen afgunst kan mij vatten,
Mij trekken staat noch macht;

Mijn lust alleen te sprenklen
Met mirregeur de baard mij,
Mijn lust alleen te omstrenglen
't Hoofd mij met rozendracht.

Mijn lust wat heden daar is;
Het morgen - wie voorziet het?
Zolang dan hemel klaar is,
Drink, speel uw kans, geniet;

En - pleng tot welbehagen
Uw eergaaf aan Luaios,
Dat nooit een kwaal mag dagen,
Die "Weg de kruik" gebiedt.


DE KOOP [= Nagelkerken 11]

Met wassen Erosbeeldje
Ging ventend over straat
Een jonge kwant; ik nader,
En "Wel", zo zeg ik, "vader,
Wat prijs, jouw fabrikaat?"

En hij, zo op zijn boers wat:
"Al naar je liekt, sinjeur;
Maar 'k zeg het jou maar eerlijk,
'k Ben heel geen moddeleur;
Alleen, 'k wil hem de deur uut -
Dat lastpak Albegeer."

"Hier - 'k geef een drachme - hier mij,
Dat prachtstuk mingezel;
En Eros jij, laat gloeien m'
Of - smeltend zul je vloeien,
Jij zelf, in vlammen hel!"


WEDKAMP [= Nagelkerken 13] 

"'k Wil minnen; ja, 'k wil minnen". -
Tot minnen zacht al ried
Mij Eros, maar ik dwaashoofd
Zijn winnend woord verstiet ...

Daar pakt hij op zijn kromboog
En pijlenkoker goud;
Een wedkamp zal het worden,
En ik - een krijger stout -

Ik gesp mij om de schouders,
Of ik een Ajax waar,
Mijn pantser, grijp de lansen,
En hef mijn beukelaar,

Daar vechten we, hij mikkend,
Ik dekkend mij terdeeg;
In 't einde, tot zijn woede,
Raakt vijands koker leeg.

Maar zie, daar flitst hij grimmig
Zichzelf af als een schicht,
Recht mij in 't hart; al weerkracht
Daar nu gebroken ligt.

Om niet heb ik mijn schild nu,
Om niet mijn lansen goed;
Wat zal naar buiten kampen,
Die binnen zwichten moet ...


WIE TELT ZE [= Nagelkerken 14]

Kunt gij 't getal mij noemen
Van aller bomen bla‚n,
De golven mij besommen
Van werelds oceaan?
Zo ja, - 'k stel u als tel-man
Van al mijn liefdes aan.

Eerst dan die uit Athene;
Zet twintig - schrijf erbij
Nog vijftien; dan Korinthe:
Een snoer, een minne-rij;
Mooi toch als in Achaje
Vindt nergens vrouwen gij.

Dan komen die van Lesbos,
IoniŽ, KariŽ's lust,
En Rhodos: saam tweeduizend.
Teveel? - Noteer gerust ...
Ik zweeg nog van Egypte's,
Van SyriŽ's vreugdekust,

Van Kreta, boordvol steden
Waar Eros om-pleiziert;
Wie telt wat boven Gades,
In 't West aan minne tiert,
Wie wat in de Oost, tot IndiŽ,
Dit hart aan liefde viert!


DICHTERS BODE [= Nagelkerken 15]

Kom zeg mij, duifje - beeldje -
Vanwaar, vanwaar gekomen,
Op wiekje geuren-wuivend,
Al druppend van aromen,
Doortrip je daar de lucht?
Kom zeg mij: wie je meester,
En - waarheen wel je vlucht? -

"Naar vriendje, naar Bathullos;
Hij - wist je 't - als gebieder,
Zo viert en dient hem ieder ...
Mijn heer? Anakreoon;
Die, voor een liedje simpel,
Kocht mij in Kupris' woon.

Eťn liedje - en voor wat diensten
Was ik al niet van node ...
Ook nu weer; kijk, als bode
Bestel ik hier dit briefje;
En kom ik thuis, de vrijheid
- Zo zegt hij - wacht me als loon.

Maar laat hij mij ook vrij al,
Toch blijf ik; is dat leven,
Maar eeuwig tussen akkers
En bergen om te zweven,
Niets - op een tak gezeten -
Dan rauwe veldkost eten!

Thuis eet ik brood, als meester,
't Zelf uit de hand hem pikkend,
En drinkt hij, ik drink met hem,
MeÍ uit zijn beker nippend.
Dan, dans na dronk, is 't zwieren,
Mijn zangerheer, bij 't lieren,
Omstrelen op mijn veder;
En komt de slaap, ik vlij mij
Op 't eigen speeltuig neder ...

Dat 's al, nu opgestapt!
Door jou - man - heb ik erger
Dan 'n ekster hier geklapt."


SCHILDERSOPDRACHT [= Nagelkerken 16]

Op, gij puik van al wat schildert,
Maal mij, pronk van 't Rhodisch gilde,
Vorst en meester van 't paneel,
Maal mij 't beeld van lief die ver is;
Mij zij 't woord; aan U 't penseel.

Schilder me eerst van al de lokken,
Zacht vergolvend; zwart hun kleur;
En - heeft verf zo groot vermogen -
Schilder ze overvleugd van geur.

Geef dan, van de wangen opwaart,
Beide recht in 't zicht van voor,
Overdonkerd van de haarwrong
Haar een voorhoofd van ivoor.

Midweegs drijf de wenkbrauwbogen
Sa‚m niet en ook schei ze niet,
Maar on-speurlijk vloei' ineen daar
't Zwarte welven boven de ogen,
Zo, als bij haarzelf men ziet.

Nu haar blik; die zult gij malen
Smeltend, maar in vuren pracht,
Helder, als Athena's ogen ,
Als Kuthere's ogen zacht.

Meng voor neus haar en voor wangen
Melk en zweem van rozenrood;
Geef haar lippen als van Peitho,
Zo, of zij tot kussen noodt.

Om de hals dan, rank en teder,
Binnen 't ronden van de kin,
Laat op donzen veder zweven
Alle GratiŽn der min.

Lest het kleed; een waas-licht purper;
Even, dat men 't lichaam rade,
Scheemre een blank van vlees erdoor ...
Al genoeg; zij is het zelve,
Schier of ik haar spreken hoor.


BESCHUTTING [= Nagelkerken 18 a en b]

Vrouwen reikt, o reikt de beker,
Kil hier klaag ik u mijn nood;
Drinken wil ik - teugen groot.
Reikt ook bloemen, Bacchos heilig,
Kransweer die de slapen veilig',
Wijngloed vlamt het voorhoofd rood;
Maar, wŠŠr vindt het hart, wat zeker
Tegen brand van Eros bood ...

In de schaduw van Bathullos,
Daar te zitten. - Schoon de boom;
Lokkenzwier, in 't overneigen,
Wuift aan tederste van twijgen,
En een bron, daarneven vloeiend,
Ruist bekoren in zijn stroom.
Wie, dit ziende, in gloed zich moeiend,
Ging voorbij zulk Wellekoom.


EROS DIENSTBAAR [= Nagelkerken 19]

Voor Schoon als buit gevangen
Ontvoerden - kransomhangen -
De Muzen Eros klein.

En zie, nu draagt Dione
Rijk losgeld, Haar ten lone,
Mag Eros weer vrij zijn.

Maar schenkt men hem al vrijheid,
Hij blijft, - in Schoons nabijheid
Leerde hij slaafje zijn.


DE HOOFDIGE LIER [= Nagelkerken 23]

Ik wil de Atreiden zingen,
Ik brengen Kadmos prijs,
Maar cither, niet te dwingen,
   Zij zingt minnewijs.

Korts, wisslend al mijn snaren,
Ja, heel mijn speeltuig, zong 'k
Van Herkles' kampgevaren ...
   Spel van minne klonk.

Voor goed dan, al gij sagen,
Gij helden al, vaarwel;
Mijn lier wil eenmaal dragen
   Enkel minnespel.


DRINKWET [= Nagelkerken 21]

Drinkt het aardzwart niet de wolken,
Drinkt de boom zijn bodem niet?
Drinkt de zee niet wat in kolken
Bruisend van de bergen schiet?
Drinkt de zon niet de oceaan?
Drinkt niet van de zon de maan?
Daarom, makkers hou-je stil,
Als ook ik drinken wil.


MENGDRANK [= Nagelkerken 20]

Zoetluidend is Anakreoon,
Zoetluidend Sappho's lied,
Daarbij meng klank van Pindaros,
En 't in ťťn beker giet.

Mocht Dionusos komen dan,
Of Paphia, blank van huid,
Of Eros zelf, - dat drie-in-ťťn,
Mijn woord, zij dronken 't uit.


METAMORPHOSEN [= Nagelkerken 22]

Versteend aan Phrugia's hoogten
Dreef Niobe de wind;
Verzwaluwd vloog, een vogel,
Pandioons treurend kind.

En ik, - waar' ik de spiegel,
Die, lief, uw ogen vangt;
Ik, - ach, waar' ik de chitoon,
Die om uw leden hangt.

Te vloeien, o, als bronwel,
Dat gij in mij u baadt;
Te vlijen mij, een balsem,
Vrouw, over uw gelaat.

Een band u om de boezem,
Uw hals een paarlen snoer ...
Sandaal ja wil ik worden,
Mits mij uw voet beroer'.


NATUURS GAVEN [= Nagelkerken 24]

Natuur gaf stieren horens,
't Haasvolk een snelle schuil,
't Paard kreeg zijn harde hoeven,
De leeuw zijn tandenmuil.

De vis gaf zij de zwemvin,
Zijn vlucht aan 't vooglenheir,
De man zijn trotse denkkracht,
De vrouw ... daar was niet meer.

Wat toen? - Zij gaf haar schoonheid,
Aan schilden al ten hoon,
Ten hoon aan duizend schichten;
Vuur ook en staal zij zwichten
Voor blik uit ogen schoon.


EROS' WAPEN [= Nagelkerken 26]

Gij zingt van krijg om Thebe,
Van kamp om Troja's wal
Klinkt heldendicht van andren;
Mijn lied van eigen val.

Geen voetvolk, dat mij neersloeg,
Geen ruitermacht, geen vloot;
Mijn vijand, nieuw en wonder,
Schichten uit ogen schoot.


DE EROTENKOLONIE [= Nagelkerken 25]

Vriend zwaluw, telken jaar weer
Als gast ons lief begroet,
Jij bouwt voor zontij enkel
Je nest hier; jij, als 't wintert,
Verzwindt je uit ogen, Memphis
En Nijldal tegemoet.

Maar Eros kent voor nestbouw
In 't hart mij uur nog tijd;
Hier jonge Smacht bevleugeld,
Een tweede daar in 't ei juist,
Een derde half omschaald nog,
Maar half ook al bevrijd.

En - altijd open bekjes,
Eťn klagen, ťťn rumoer;
Voor 't jongste Minnebroedje
Staag de oudjes uit op voer,
En, amper twee volwassen,
Of zij ook va‚r en moÍr ...

Wat raad; wat zal ik trachten!
Al had ik Stentors krachten,
'k Verjoeg niet al de amoer.


LIEFDES MERK [= Nagelkerken 27]

't Raspaard staat op de flanken
Zijn stempel ingebrand;
Aan zijn tiara kent gij
Heerschap uit Parthenland.

En zo ontging mij nimmer
Waar Eros binnenviel;
Verliefden staat het eigen
Teer kenmerk in de ziel.


GELADEN [= Nagelkerken 28]

Kuthere's echtvriend hamerde
op Lemnos, in de smids',
Op 't aambeeld voor de Eroten
   De felle flits.

En iedre nieuwe schicht weer
Door Kupris werd gedrenkt
In honing, trouw door eros
   Met gal gemengd.

Eens keert van 't slagveld Ares;
Hoog drillend speers gewicht,
Spot hij met Eros' pijltuig:
   "Een veer zo licht".

"Licht? - Zwaar zeg ik; hier, weeg ze",
Dit Eros, en terstond
Heft Ares ťťn; - een glimlach
   Om Kupris' mond ...

"Ja, zwaar; o, niet te dragen,"
Zo steunt de Krijgsheer nu,
"Hier, neem hem weer"; maar Eros:
   "Hij was voor U."


HET ERGSTE [= Nagelkerken 29]

Hard lot geen min te kennen,
Te minnen wel: hard lot;
Maar hardste lot van alle,
Wel minnen, maar - bespot.

Die liefheeft baat geen afkomst,
Hart's deugd wordt niet geteld;
Talent? - de voet vertreedt het;
Het oog ziet enkel: Geld!

Haal' dan de droes, die 't eerst zich
Door Zilver strikken liet!
Door hem, dat men geen broer meer,
Geen ouder meer ontziet;

Door hem de plaag van rooftocht,
Van oorlog en van moord;
Door hem - en dit het ergste -
Wij minnaars on-verhoord.


GEDROOMDE TEST-RACE [= Nagelkerken 31]

Ongenadig op mij slaande
Met een roe van hyacinth,
Zweepte me Eros op tot draven,
En ik vloog, zÚ vliegt de wind,

Dwars door wilde stort van beken,
Dwars door kloven en struweel,
Zweet-gekweld, arm hart aan 't bonzen,
Dat het opsprong tot de keel.

Als in 't eind ik zwijmend neerzeeg,
Klonk het, en een donzen vlerk
Wuifde koel mij 't brandend voorhoofd:
"Minnen - ach, voor u geen werk."


ZINRIJK [= Nagelkerken 30]

'k Droomde ik rende voort op wieken,
Maar klein godeke van min,
Loden boei om voetjes teder,
Joeg mij na en - haalde me in.

Wat dit wŪl? Dit, zou ik menen,
Dat van minnekens omstoeid,
Ik aan alle kon ontglippen,
Maar aan deze blijf geboeid.


DUM LICET [= Nagelkerken 32]

Op zachte mirtetwijgen,
In weke lotoswei,
Zo liggend wil ik drinken;
Mijn schenker, Eros, gij:
In koorden vang de chitoon
Hoog op uw schouder zij.

Want, als een wiel gewenteld
Zo rolt dit leven om;
Dra liggen wij - van beendren
Wat as en ach, waarom
Dan balsem op de zerken,
Dan wijn op aarde stom ...

Veel liever, zalf mij levend,
Vlecht kransen, roos aan roos,
Om 't hoofd mij; roep de liefste;
'k Wil Eros, eer altoos
Mijn dans gaat met de schimmen,
HiŤr vieren, zorgeloos.


EROS' LIST [= Nagelkerken 33]

Middernacht was 't, Hemels Wagen
Zwenkte alree aan Drijvers hand,
Slaap lag zwaar op stad en land;
Daar heeft Eros op mijn deur geslagen.

Ik: "Wie klopt daar? Wat gedruis
Scheurt zo wreed uiteen mijn dromen?"
"Vrees niet; laat mij binnenkomen;
'k Ben een kindje, zwervend, ver van huis ...

Donker is 't, en nat, en koud;
Nergens waar ik mij kan warmen". -
't Vleien roerde tot erbarmen,
Licht ontstekend schoof ik weg de bout.

Ja een kind; maar - voor een wijle
Nauw geloven kon 't mijn oog -,
Vlerkjes had het en een boog,
En een koker, welgevuld met pijlen ...

'k Zette dicht aan 't vuur hem neer,
Druipend haar met wringen drogend,
Koestrend weer te warmen pogend
In mijn handen handjes kleum en teer.

Dan, de koude week en rad
Sprak hij: "Kom nu vlug proberen
Deze boog hier; 't zou mij deren,
Als het weer de pees bedorven had."

Nauw gesproken of hij spant,
En hij treft, met feilloos mikken;
'k Voel in 't hart een horzel prikken -,
Op springt Eros, juichend triomfant:

"Gastheer, deel nu dit verblijden!
Dwaas en ijdel was mijn vrees,
Ongedeerd mijn boog en pees;
Maar Uw hart - ai, dat zal moeten lijden."


AAN DE KREKEL

Wie zal ooit uw weelde meten,
Krekel, van een dauw gedrenkt,
Waar ge op hoogste tak gezeten
Enkel maar aan zingen denkt.

Eigen deel is U al 't schone,
Dat ge op wijde velden schouwt,
U, klein koninkje ten trone,
Heel de rijkdom van het woud.

Geen is aan den landman dierder,
Schadeloze gast dan gij,
Geen dan gij bij elk gevierder,
Lustheraut van zomertij.

Liefste vriend van Zanggodinnen,
Phoibos zelf in u geniet,
Zelf, waar elk u om zou minnen,
Schonk hij u dit helder lied.

Oudrend immer jong gebleven,
Aardkind, in uw zingen rijk,
Bloedloos lijfje, aan leed ontheven,
Schier een god zijt gij gelijk.


EROS EN DE BIJ [= Nagelkerken 35]

Bijtje, sluimrend in een roos,
Als 't van Eros wakker schrikte,
Bits hem in de vinger prikte;
Godeke was radeloos.

Vlieglings - armpjes uit naar voren -
Borg hij zich aan Kupris' schoot:
"Moeder, moedertje, ik ga dood;
O, 'k ga dood; ik ben verloren.

Klein gevleugeld slangedier,
Dat in 't bloembed zat te loeren,
Bij, zo noemen hem de boeren,
Stak mij, in mijn vinger hier". -

"Maar als jou", was 't wederwoord,
Eťn zo'n prikje al zo doet klagen,
Wat dan - denk je - moet wel dragen,
Eros, die jij 't hart doorboort?"


DROOMJACHT [= Nagelkerken 37]

's Nachts eens, diep in slaap verzonken,
Onder weelde-dons van purper,
Glansgezaligd van Luaios,
Droomde ik van een dartle jacht.

IJlend zo, dat vlucht van voeten
Nauw de grond beroerde, vloog ik,
Vloog ik achter mooie meisjes,
Haar te vangen in mijn macht ...

Maar, mij om die schonen plagend,
Met een spot die mij in 't hart beet,
Daagde daar een zwerm van knapen,
Als Luaios week en teer;

En - juist als ik ťťn wou kussen,
Vlogen ze allen uit de droom mij;
En ik, arm, alleengelaten,
Zocht vergeefs te slapen weer.


SUUM CUIQUE [= Nagelkerken 38]

Wij - de wijnvreugd laat ons minnen,
Zingen Dionusos' prijs;
Vriend hij van al spel der Muzen, 
Vinder van der dansen wijs;
Zwier-gezel hij van Eroten,
Zwichter hij voor Kupris' lonk,
Die als dochter teelde Gratie,
Die als zoon won Goededronk;
Die nog nimmer
ons kwam troosten
Of al leed in slaap verzonk.

Want, als welgemengde dronk ons
Lieflijkschone knapen reiken,
Dan - als wolk en vlagen - wijken
Al ons ach en wee in 't niet ...
Laat ons vatten dan de beker,
Laat dan af van zorg onzeker;
Wat baat denken-met-verdriet?
Duister is de gang van 't Leven;
Wie, die tot in 't morgen ziet! -

Dronkgezaligd wil 'k dan dansen,
Vrolijk, balsemovergoten,
Rond mij schoon van reigenoten,
Schalken - naar Luaios' wijs;
En die 't lust, laat hij zich winnen
Wat daar steekt in zorglijk zinnen;
Wij - de wijnvreugd laat ons minnen,
Zingen Dionusos' prijs!


VOORJAAR [= Nagelkerken 41]

Hoe schoon, te treden weer
Door pluimgekuifde weiden,
Bij strelezoet verglijden
Van Westerzuchten teer,

Te zien hoe wingerd bloeit,
Te omvangen, schuil in 't lover,
Zacht lief, om wie ťťn tover,
Kupris' adem vloeit.


GODEN OP 'T FEEST [= Nagelkerken 43]

Laat ons rozen kransgewonden
Vlijzaam voegen om de slapen,
Laat ons drinken, lachen zoet;
Dans' voor ons - de thyrs in klimveil -
Op de maatzang van de snaren
Meiske, wende-snel te voet,
Zo dat omzwier al de blaren
Om de stafrank gonzen doet.

Lokken welig, adem geurend,
Zangerknaap de snaren strele;
Klaar ontvloei' zijn stem in 't lied;
Eros, goudgelokte danser,
Met zijn schone reigespelen,
Bacchos schoon, schoon Aphrodiet',
Vreugd van zang en feestgang delen,
Vreugd, waar oudvaar in geniet.


SIC VIVERE [= Nagelkerken 42]

Vreugde mij met Dionusos,
Vriend van dans, ten rei te gaan;
Vreugde mij voor makker jeugdig,
Saam bij dronk, de lier te slaan;
Maar van vreugden 't hoogst - bij zwieren
Saam met schonen, waar zich windt
Krans om 't hoofd van hyacinth,
Dartel spel van min te vieren.

Afgunst kent dit hart noch haat,
Nimmer zocht het wondend bitsen;
Vreemd mij immer 't schamper flitsen
Van een tong belust op smaad.

Thuis bij feest van dis en rei,
Ver van dronken vechtgelagen,
Moge ik stoorloos zo mijn dagen
Oogsten, om mij Schoonheids Mei.


EROS' ROZEN [= Nagelkerken 44]

Laat ons van Eros' rozen
Omstrenglen vreugd van wijn;
Laat rozen schoongebladerd
Ons om de slapen zijn,
Bij drinken en bij lachen
In weelde van festijn.

Gij rozen, Lente's liefsten,
Rozen gij, lust der goŰn,
Gij, die om gulden krullen
U vlecht van Kupris' zoon,
Waar dartel hij ten rei gaat
Met GratiŽn alschoon,

Kom en omvlecht ook mij thans,
En 'k zing U; - hel mijn lier!
Bij Uw kapel, Dionusos,
Met weelge deerne hier,
Wil dansen ik, - maar 't kransen
Van rozen ons omsier'.


LENTE [= Nagelkerken 46]

Zie hoe als de Lente weerkomt,
Zacht van GratiŽn geroerd,
Rozelaar ontbot in weelde,
Zie hoe zee haar overstreelde
Deiningloze banen vloert.

Zie hoe eendvolk dompeduikelt,
Zie hoe vlucht van kranen vaart;
Zon weer klaar aan open luchten,
Klaar - zie vluchten wolk en schaduw -
't Glanzen over veld en gaard.

Kiem van bloeidracht zwelt uit aarde,
Bloeikiem aan olijf ontspringt;
Bacchos in zijn rank gevloten
Kranst - ombladerd al de loten -
Dracht van bloei die opendringt.


ONBEZWEKEN [= Nagelkerken 47]

'k Ben oud; maar geen bij jonkheid
Die drinkt als ik zo straf;
En daagt ge mij tot dansen,
Uw thyrsen zijn mij kaf;
Ik dans U Bacchos' pleegvaar,
De wijnbuil mij tot staf.

Waag die het wil de kampstrijd,
Hij koom - en kamp zal 't zijn;
Meng, knaap, en breng de beker,
Giet honingzeemse wijn;
'k Ben oud; maar geen bij jonkheid
Krijgt mij als drinker klein.


BESCHEID [= Nagelkerken 39]

"Mij zint een oudvaar monter;
Jong mij een danser meest."-
Maar gaat die oudvaar dansen,
Wit haar mag 't hoofd al kransen,
't Is Jong in hart en geest!


LUAIOS [= Nagelkerken 45]

Wanneer ik leeg mijn beker trouw,
Dan slapen alle zorgen;
Wat weet ik dan van leed of last,
Wat komm'r ik dan om 't Morgen?

Eens heeft dit uit, en of ik wil,
Of niet wil, ik zal sterven;
Waartoe daarom in jammerdool
Door 't leven om te zwerven?

Neen - drink, en vier Luaios schoon!
Bij hem zijn wij geborgen;
Want waar de beker wordt geleegd,
Daar slapen alle zorgen.


BETER ZO [= Nagelkerken 48]

Als Bacchos tot mij inkomt,
Dan sluimert elk verdriet;
Ik voel mij rijk als Kroisos,
En zoek een schoner lied.

Om 't hoofd een krans van klimop,
De wereld mij een duit,
Zů lig ik - jou de meng-nap;
Ik vat de beker uit.

Vol, knaap, mij dan de roemer
Van Dionusos' rood;
Weet - lig ik stil-gezaligd,
Veel beter zo, dan dood.


ZEVEN EN DE BEKER [= Nagelkerken 50]

I
Wanneer ik leeg de beker,
Omstreelt mij vreugd de zinnen,
Een lied wil ik beginnen
U, zangsteren, ten prijs.

II
Wanneer ik leeg de beker,
Al leed geef ik en zorgen,
Mijn komm'ren al om 't morgen
Zee's winden mee op reis.

III
Wanneer ik leeg de beker,
Dan, welgedrenkt en fleurend,
Omwaaid van zoelten geurend,
Zwier 'k, vrij, naar Bacchos' geest.

IV
Wanneer ik leeg de beker,
Roos dan aan roos mij hechtend,
Om 't hoofd een krans mij vlechtend,
Vier 'k levens vree-stil feest.

V
Wanneer ik leeg de beker,
Dan, balsemovergoten,
Zacht lief in de arm gesloten,
Deun ik der minne lied ...

VI
Wanneer ik leeg de beker,
Dan, vol de bocht der schalen,
Doorbreekt het hart zijn palen,
Waar jeugd in bent geniet!

VII
Wanneer ik leeg de beker,
Win ik deze ťne baat mij,
Gewin, dat dood ook laat mij
Bij aller gang, in 't niet.


STUDIEKEUS [= Nagelkerken 52 a en b]

Wat wilt gij 't recht mij leren,
En klem van argument:
Waartoe een redelijkheid,
Waar geen het nut van kent!

Leer liever mij hoe drink ik
't Zacht eÍl der wijnen wel;
Leer liever mij hoe speel ik
Der gulden minne spel.

Grijs haar is om mijn slapen;
Breng water, knaap; schenk wijn;
Omhul in roes mijn zinnen;
Niet lang meer dit festijn -
Dra hult gij me in voor immer;
Wensloos de doden zijn.


HARMONISCH [= Nagelkerken 51]

Wat vlucht ge, wijl ge omgrijsd mij
     De slapen ziet?
Wat weert, om eigen bloei, gij
     Wat ik u bied?

Zie hoe ook sier van kransen
     Al schoner vlecht,
Wanneer ge aan wit van leliŽn
     Rozen legt.


BEURTZANG [= Nagelkerken 55]

Vriend
Vierend bloeiomkranste Lente,
Vlijend hier naast lief mij neder,
Wil 'k in heldre beurtzang eren
Lente's liefst; u, rozen teder. -

Rozen, ogenlust der goden,
Sterflijken zoetst welbehagen,
Pronksier, die om lokken dragen
GratiŽn in bloeigetij;

Geliefde
Speeltooi, waar tot minne vuren
Kupris' telgen kransomhangen;
Stof tot sproken en gezangen,
EÍlste zorg der Muzen gij.

Vriend
Schoon, van doornen aan wegs randen
Eindlijk roos als buit te winnen.

Geliefde
Schoon - haar zachtkens opgeheven,
Koestrend om haar lichte handen,
Te aadmen geur van bloem der minne.

Vriend
Rozenvingrig heet de Morgen,
Rozenarmig Stroom- en Bosnimf,
Rozenverwig Aphrodite,
Zo bij dichteren geloofd.

Geliefde
Dichtren-niet ťťnzelfde vreugde:
Wat waar feest van weelde en taaflen,
Wat waar Dionusos' viertij
Zo van roos en tooi beroofd,

Vriend
Zij beschut bij ziekte 't leven;
Doden biedt ze een veilge weer.

Geliefde
Zij is aan Tijds macht ontheven;
Rozen oudrend blijft omzweven,
Onvervlogen, jonkheids geur.

Vriend
Thans bezongen haar geboorte. -
Als uit glans-azuren waatren
Zee in bruislicht schuimen baarde,
Kuthereia, dauwomvloten,

Geliefde
Als Athena, reÍ de waapnen,
Zeus ter kruin uit op kwam stoten,
Schouw, waar heemlen om vervaarden,

Vriend
Toen ter uur deed Aarde ontbloeien
Eerste wondre loot van rozen,
Kroost in eedle sier van vormen
Evenwaardig zaalge goŰn.

Geliefde
Haar uit Aardschoot te doen groeien
Deed Luaios nederleken
Nektar - en uit doorn kwam breken
Bloei van een onsterflijk schoon.


BACCHOS KEERT [= Nagelkerken 56]

Die den jonkman staalt in moeiten,
Die hem geeft in 't minnen moed,
Die hem maakt bij feest van beekren
Tot een danser wel te voet,

Tot de stervren kwam hij weder,
Met zijn streelse liefdedrank,
Met zijn klachtenloze minvreugd,
Met zijn dracht van wingerdrank,

Met zijn Wijn, die - zwaar de loten -
Tot in herfsttij hij behoedt,
Dat is eens de tros gesneden,
Jonge kracht die leven voedt,

Alle plaag en krankte kerend
In zijn schoon elk lijf bewaar,
In zijn vreugd elk hart bestendig
Tot een nieuw oogstbrengend jaar.


APHRODITE ZWEMMEND [= Nagelkerken 57]

Achterzijde van een spiegel

Wie schiep waatren met burijn?
Wat graveerkunst in vervoering
Goot er over plaatrond klein
Zee uit, levend in beroering?
Wie, ten goŰn de geest geheven,
Schouwend in der zaalgen wezen,
Ving daar, zwevend over zeerug,
Kupris' blank zo teer in lijn?

Naakt gaf hij al 't schoon der leden,
En alleen wat oog niet schouwe
Heeft in 't golven hij verhuld;
Blinkevlok op zee vergleden
Dolevaart er Kupros' Vrouwe,
Waar bij zwaai van palmen teder,
Licht in gang het ranke lichaam,
't Bruisen vůůr haar openkrult.

Schouder, boven rozen borsten,
Onder 't zacht van hals naar voren,
't Hoog der deining eerst doorsnijdt;
Kupris, in haar waatren vore
Lelie slippend in violen,
't Zeeklaar als een licht doorglijdt.

En daarboven, zie, in 't zilver
Op dolfijnen dansers rijden
"Smacht" en "Hunkering" gebeiden,
Lach van schelmen op 't gelaat,
Wijl een schaar krombochte vissen
Schalk ombuitlen tot geleide
Paphos' Vrouwe waar zij blijde,
Met een lach, door 't water gaat.


KUIPFEEST [= Nagelkerken 59]

Purpren vracht van wingerds trossen
Draagt aleender borst en meid,
Hoog ten schouder-op de manden,
Tot het stort in kuipen wijd;
Maar voor mans alleen daar 't stampen,
Dat uit boei de wijn bevrijdt.

Blij geschal van kuipfeestzangen
Klinkt alom, den god tot eer;
In de tonnen bruist - een ooglust -
Bacchos jong; 't is drinktij weer;
Trilbeens gaat een oudvaar dansen,
't Vlossend haarwit op en neer.

Slanke knaap, zijn deern belagend,
Slipt en glipt verholen aan,
Waar zij - loom gevlijde weelde -
Sluimert onder schut van bla‚n;
Vleit haar, hem om wil van minne
Voor-tijds 't bruidsuur te verra‚n ...

Dan, mag vleiend woord niet winnen,
Hij omvangt ze - wil of nil;
Bacchos op zijn feest gezaligd,
Viert aan jonkheids dartle zinnen
In het wild zijn godengril.


MEDELA CURARUM [= Nagelkerken 60b]

Waarom, hart, in razernij?
't Razen werd een baat gevonden;
Welgemikt uw schicht gezonden
En ťťn trefschot maakt u vrij;
Maar die boog waarmee verwonden
Kupris goden kon opzij!

Boots u naar Anakreoon,
Speelman eeuwen door bezongen,
Drink uw kelk toe kring van jongen,
Kelk doorvloeid van woorden schoon.
Vluchtend uit de brand der minne
Laat ons heul uit wijndronk winnen,
Dronk van eigen dis der goŰn!




III. De Griekse tekst:

1

   0Anakre/wn  i0dw/n  me
   o9  Th/ioj  melw|do\j
   o1nar  le/gwn  prosei=pen,
   ka0gw\  dramw\n  pro\j  au0to/n 
   peripla/khn  filh/saj.
   ge/rwn  me\n  h]n, kalo\j  de/,
   kalo\j  de\  kai\  fi/leunoj:
   to\  xei=loj  w]zen  oi1non,
   tre/monta  d 0  au0to\n  h1dh
   1Erwj  e0xeiragw/gei.
   o9  d 0  e0celw\n  karh/nou
   e0moi\  ste/foj  di/dwsi:
   to\  d 0  w]z 0   0Anakre/ontoj.
   e0gw\  d 0  o0  mwro\j  a1raj
   e0dhsa/mhn  metw/pw|:
   kai\  dh=qen  a1xri  kai\  nu=n
   e1rwtoj  ou0  pe/paumai.

Metrum: v _ v _ v _ _

(catalectische iambische dimeter)


2

   do/te  moi  lu/rhn   (Omh/rou
    foni/hj  a1neuqe  xordh=j,
    fe/re  moi  ku/pella  qesmw=n,
    fe/re  moi  no/mouj  kera/ssaj,
    mequ/wn  o3pwj  xoreu/sw,
    u9po\  sw/fronoj  de\  lu/sshj
    meta\  barbi/twn  a0ei/dwn
    to\  paroi/nion  boh/sw.
    do/te  moi  lu/rhn   (Omh/rou
    foni/hj  a1neuqe  xordh=j.

Metrum: v v _ v _ v _ _

(anaclastische ionische dimeter)

3

    a1ge, zwgra/fwn  a1riste,
    lurikh=j  a1koue  Mou/shj:
    gra/fe  ta\j  po/leij  to\  prw=ton
    i9lara/j  te  kai\  gelw/saj,
    filopai/gmona/j  te  Ba/kxaj 
    ◊ e9teropno/ouj  e0nau/louj: ◊
    o9  de\  khro\j  a2n  du/naito,
    gra/fe  kai\  no/mouj  filou/ntwn.


Metrum: v v _ v _ v _ _

(anaclastische ionische dimeter)

4