Anakreonteia

Vertaald door John Nagelkerken.

(Kox is blij en trots, dat hij hier John's vertaling mag presenteren.)




ANAKREONTEIA


voor Marja

1

Anakreon, de muzenzoon
van Teos, wenkte in mijn droom
en sprak op vriendelijke toon.
Zijn woorden stelden mij gerust,
ik gaf hem vlug een zoete kus.
Hij was een oude man, maar lief,
een mooie, lieve hartendief.
De geur van wijn hing rond zijn mond;
maar toen hij wankelend opstond,
greep Eros hem vlug bij de hand.
Hij pakte van zijn hoofd de krans
en wilde dat ik hem omwond.
Die geurde naar Anakreon.
Ik, arme dwaas, heb die aanvaard
en om mijn eigen hoofd gelegd.
Sindsdien word ik niet meer gespaard,
voor altijd ben ik Eros' knecht.

2

Geef mij de lier van Homeros,
ontdaan van de bloedige snaar.
Breng mij een mengvat: conventies
en wetten meng ik door elkaar.
In dronkenschap dans ik uitzinnig
mijn dans van bewuste verblinding.
Met de lier begeleid ik de klank
van mijn heerlijke dronkemanszang.
Geef mij de lier van Homeros,
ontdaan van de bloedige snaar.

3

Alsjeblieft, bijzondere schilder,
hoor de Muze, godin van lyriek.
Schilder eerst uitbundige steden
vol vrolijk lachend publiek,
en Bakchanten op speelse dagen,
als de dubbelfluit hen verheugt,
en, wanneer je was dat kan dragen,
schilder weiden vol minnende jeugd.

4

Hefaistos, klop uit het zilver
 voor mij iets fraais met je hamer.
Maar maak alsjeblieft geen wapens;
wat moet ik met helmen en schilden?
Klop liever uit het metaal
een mooie, diepe bokaal
die van buiten reliëfs moet dragen;
maar maak, zo wil ik je vragen,
geen sterren: wat zegt mij de Wagen,
Boötes of de Pleiaden,
of Orion, grimmige jager?
Versier hem voor mij met ranken,
druiventrossen en wilde Bakchanten
die over de beker dansen.
Maak een wijnpers waar most uit druipt
en een groep die danst in de kuip,
maak satyrs, vrolijk en blij,
Eroten in goud op een rij,
laat Kythera lachend genieten
en mooie Lyaios daarbij,
Eros en Afrodite.

5

Edelsmid, klop eens voor mij
een drinkbeker voor de lente.
Hamer dus die heerlijke tijd
in zilveren ornamenten,
die ons weer verblijdt met rozen:
zo mag de wijn mij verblijden.
Maar ik wil je in hemelsnaam vragen
om vreemde beelden te mijden,
die de drinker de lust doen verliezen.
De zoon van Zeus mag je kiezen,
Bakchos, die juicht met Mainaden,
hoe mystieke Kypris gaat baden
en huwelijksliederen zingt,
Eros zonder wapenrusting,
Gratiën, lachend en dansend;
en onder huivende ranken
vol trossen en bladerkransen
fraai gebouwde jongelingen
tenzij Foibos daar zelf wil zingen.

6

Ik vlocht eens een krans van rozen
waarin Eros zich had verscholen.
Ik tilde hem op aan zijn vleugels
en doopte hem in de wijn
die ik dronk met volle teugen.
In mijn lijf tinkelt nu zoete pijn,
want hij kietelt mij met zijn vleugels.

7

De meisjes roepen allemaal:
"Anakreon, je wordt bejaard.
Wanneer je in de spiegel staart,
dan blijkt je hoofd volledig kaal:
geen enkel sprietje haar.
Geen haar? Wel haar? Wat raakt het mij!
Ik weet alleen: de Dood komt snel
gezien mijn jaren naderbij;
dus ben ik als een kind zo blij
met mijn naieve spel.

8

Ik geef niet om Sardes' winsten
waar Gyges heerste als vorst:
ik heb nooit naar zijn rijkdom gedorst
en ben niet jaloers op prinsen.
Ik wil mijn baard laten druipen
van heerlijk geurende balsem;
ik wil mijn slapen omsluiten
met bloeiende rozenkransen.
Ik geef alleen om vandaag
en stel over morgen geen vraag.
Laat ons onder een stralende hemel
van drinken en spelen genieten.
Dus richt tot Lyaios een bede
dat hij ons behoedt voor ziektes
die ons het drinken verbieden.

9

Ik smeek je bij alle goden,
laat me ademloos drinken, drinken.
Ik wil in waanzin verzinken.
Alkmaion is gek geworden
en Orestes ging blootsvoets voort
nadat zij hun moeder vermoordden.
Maar ik heb niemand vermoord,
ik wil wijn, rode wijn blijven drinken
en zo in waanzin verzinken.
Ooit is Herakles gek geworden:
hij liet zijn afschuwlijke pijlen
van de boog van Ifitos ijlen.
Ook Aias is ooit gek geworden:
hij zwaaide zijn schild in het rond
en het zwaard dat Hektor hem schonk.
Ik wil met mijn drinkbeker klinken
en niet met de boog of het zwaard;
met een bloemenkrans om mijn haar
wil ik in waanzin verzinken.

10

Wat wil je, krijsende zwaluw,
wat wil je dat ik je doe?
Dat ik je luchtige vleugels
aan beide kanten besnoei?
Of liever dat ik je tong
met een mes uit je bek wegsnijd,
zoals Tereus dat deed indertijd?
Waarom heeft je gekwetter vanmorgen
het dromen van lieve Bathyllos
zo vroeg veranderd in zorgen?

11

Een jongeman verkocht
een wassen beeld van Eros.
Ik heb hem opgezocht
en hem gevraagd:  Wat kost
dat fraaie beeld dat je daar hebt?'
Hij sprak in Dorisch dialect:
Wat je maar biedt. Neem hem maar mee.
Ik zeg in alle eerlijkheid:
ik ben geen beeldhouwer, o nee.
Ik word maar al te graag bevrijd
van Eros, louter zwijnerij.'
Een drachme, hier, geef maar aan mij;
een maatje voor mijn nachten.'
Dus Eros, geef me koorts;
doe je dat niet, dan mag je
zelf branden als een toorts.

12

Volgens sommigen riep Attis
in de bergen, half vrouw, half man,
luid om de schone Kybebe,
beroofd van zijn verstand.
Een ander drinkt de bronnen
van het klaterend water bij Klaros,
gewijd aan gelauwerde Foibos,
en raast daarna onbezonnen.
Ik wil Lyaios indrinken
om door mijn liefste gelaafd
in mirregeuren gebaad
diep in waanzin weg te zinken.

13

Nu ben ik tot liefde bereid.
Eros wilde me eerder al dwingen,
maar ik met mijn dwaze geest
liet me daar nog niet toe dringen.
Hij pakte zijn boog onverwijld
en de gouden koker met pijlen
en daagde me uit tot de strijd.
Ik heb toen zoals Achilleus
om mijn schouders het harnas gelegd,
met de lans en het schild in handen
zocht ik Eros voor het gevecht.
Zijn pijlen kon ik ontwijken.
Toen ze alle waren verstrooid
heeft hij in woede zichzelf
als een pijl in mijn hart gegooid.
Midden in mij is hij gekomen
en heeft mij mijn kracht ontnomen.
Mijn schild draag ik nu zonder reden:
wat moet ik buiten nog raken
als de strijd in mijn hart wordt gestreden.

14

Kun jij het totaal berekenen
van alle blaadjes op aard,
kun jij de golven tellen
die de hele zee heeft gebaard?
Ik zal jou een topfunctie geven:
accountant van mijn liefdesleven.
Noteer dat ik in Athene
met twintig stuks heb gevrijd,
nee, doe er maar vijftien bij.
Tel verder: want in Korinthe
had ik liefjes per dozijn,
Korinthe ligt in Achaia
waar de leukste meisjes zijn.
En voeg daar dan nog van Lesbos
en van Ionische makelij,
van Karië en van Rhodos
zeker tweeduizend liefjes bij.
Wat zeg je? Ben je de tel kwijt?
 Ik heb Syrië nog niet vermeld,
en de schatjes van Kanobos
en van Kreta, zo welgesteld:
daar drijft Eros steden massaal
tot een liefdesbacchanaal.
En dan heb je de meisjes nog niet
die ik achter Gadeira vind
tot in Baktrisch en Indisch gebied,
alle liefjes die ik heb bemind.

15

Duifje, lief duifje,
waarvandaan stuif je
zo snel door de lucht
en ademt je vlucht
een hemelse geur?
Wie ben je, wat wil je?
"Ik breng hier een brief
van Anakreon lief
voor Bathyllos, de jongen
die hem heeft bedwongen.
Anakreon zong
voor de liefste der goden,
Kythera; zij schonk
mij aan hem als zijn bode.
Anakreons briefjes
breng ik naar zijn liefjes.
Straks laat hij me vrij,
zegt hij tegen mij.
Maar als vrije duivin
blijf ik toch zijn slavin.
Waarom zou ik snellen
langs bergen en velden,
slecht wonen in bomen,
van honger omkomen?
Anakreon biedt
mij zelf nu de hapjes
waarvan ik geniet.
Ik krijg wijn te drinken
waarmee hij wil klinken.
Daarna dans ik kwiek
en wuif met mijn vleugels
bij zijn liermuziek.
Die lier is mijn slaapplaats
zodra hij naar bed gaat.
Genoeg, ik ga weer;
door u klets ik meer
dan een ekster, mijnheer.
 
16

Toe, uitmuntende schilder,
bewijs je, uitmuntende schilder,
trots van de Rhodische school:
maak voor mij, al is ze nu weg,
mijn liefste zoals ik je zeg.
Schilder de harenpracht,
diepdonker en zijdezacht;
en laat, als je was dat kan,
de haren welriekend geuren.
Schilder haar volle wangen
onder haren in donkere kleuren,
en het voorhoofd in ivoor.
De wenkbrauwen lopen niet door,
maar staan ook niet in rechte lijn:
de welvingen moeten haar ogen
omhullen, zoals ze ook zijn,
onmerkbaar ineengebogen.
Wil je goed de ogen aanzetten,
laat dan het vuur eruit spetten
met de grijze kleur van Athena
en het vochtige van Kythera.
Schilder de neus in de wangen
als een roos die in room is gevangen,
en lippen die overtuigd vragen
en tot een kus uitdagen.
En laat de Gratiën zweven
rond haar halsje onder de kin
waar het marmer lijkt te leven.
Kleed haar vervolgens in
een waas van purperen kleden
waardoorheen de teint van haar huid
een tastbaar lichaam aanduidt.
Genoeg; ik zie haar getekend.
Lieve was, straks ben je echt sprekend.

17

Schilder mijn vriendje Bathyllos:
ik zeg je wel hoe hij er uitziet.
Geef hem een glanzende haardos,
aan de onderkant zwart als grafiet,
aan de punten een coupe soleil.
Laat zijn golvende haren in lange
lokken vallen, losjes en vrij,
zoals ze vanzelf neerhangen.
Op zijn voorhoofd met vochtige glans
zijn de wenkbrauwen boven de ogen
als donkere slangen gebogen.
De ogen zijn diepzwart en fel
met een vleugje sereniteit;
daardoor lijkt hij Ares wel
met Kythera's bevalligheid:
het een drijft je op de loop,
het ander geeft je juist hoop.
En maak van zijn donzige wangen
als een appel een rozerood vlak;
laat een waas van Schroom ze bevangen,
als jij dat kunt met je vak.
Bij de lippen twijfel ik nog
hoe je die voor mij dient te maken:
wel zacht en vrij van bedrog;
maar de was moet hun wezen raken,
sprekend al klinkt er geen woord.
En schilder na zijn gelaat
een prachtige hals van ivoor
waarmee hij Adonis verslaat.
De beide armen, de borst
moeten zijn als die van Hermes,
de dijen van Polydeukes
en de buik van Dionysos.
Maak boven zijn dijenpracht,
waar vuur en tederheid strijden,
een klein, maar stevig geslacht,
dat de liefde wil belijden.
Helaas is je vak afgunstig:
we zien slechts de voorste helft
al schilder je nog zo kunstig.
De voeten? Bedenk die maar zelf.
Het maakt me niet uit wat het kost.
Wacht, Apollon daar staat me wel aan;
verander die maar in Bathyllos.
En doe je Samos ooit aan,
schilder dan naar Bathyllos een Foibos.

18a

Laat mij, laat mij, lieve meisjes,
ademloos drinken van Bromios' wijn.
Want in koortsige vermoeidheid
kreun en jammer ik van de pijn.
Vlecht voor mij zijn bloemenkransen
om mijn slapen dicht te omhangen
ter verkoeling van mijn hoofd.
Hoe wordt anders de liefdeskoorts
van mijn brandend hart verdoofd?

 
18b

Ik zal in de schaduw neerzijgen
van Bathyllos, mijn heerlijke boom:
hij schudt met zijn tere blaadjes
aan zijn allerteerste twijgen.
En naast hem fluistert de bron
waaruit overreding stroomt.
Wie zou zo een plek passeren,
wanneer hij daar rusten kon?

19

Eros werd, met kransen geboeid,
door de Muzen overgedragen
aan Schoonheid om haar te dienen.
Kythereia zoekt nu alle dagen
haar kind; voor een hoge prijs
wil zij haar Eros bevrijden.
Maar ook al koop je hem vrij,
hij blijft steeds aan Schoonheids zijde,
geschoold in de slavernij.

20

Zoetzingend is Anakreon,
zoet is de zang uit Sapfo's bron;
meng die met een Pindarisch lied
als u iets in mijn beker giet.
Als u die drie zo mengt voor mij,
komt Dionysos snel nabij,
en Afrodite, zacht van vel,
met Eros, trouwe drinkgezel.

21

De zwarte aarde drinkt,
de bomen drinken aarde.
De zee drinkt de rivier.
De zon drinkt zee,
de maan drinkt zon.
Dus vriend, maak geen bezwaren:
ook ik drink, met plezier.

22

Tantalos' dochter versteende
in het Frygische heuvelland,
Pandions dochter beroerde
als een zwaluw de hemelrand.
Ach was ik maar jouw spiegel
waarin jij mij steeds weer zag;
ach werd ik maar jouw chiton:
dan droeg je mij elke dag.
Ik wil wel het water worden
om steeds maar je huid te spoelen;
mijn lief, ik wil balsem worden
om steeds  je lichaam te voelen.
De band om je borstjes zo zoet,
de robijn om je hals wil ik zijn,
en het schoentje om je voet:
dan loop je alleen met mij.

23

Ik wil dichten van Atreus' zonen
en ik wil van Kadmos zingen,
maar de snaren bevelen mij tonen
over Eros te laten klinken.
Ik heb laatst de snaren vervangen,
zelfs een andere lier gezocht
om Herakles in mijn gezangen
te roemen. De lier liet toch
slechts klanken van Eros horen.
Ik laat jullie verder maar gaan,
fiere helden: vaarwel! Voortaan
wil mijn lier slechts Eros bekoren.

24

Natuur gaf horens aan de stier
en sterke hoeven aan het paard.
De hazen snellen vliegensvlug,
de leeuwenmuil brult onvervaard.
De vissen kregen zwemmerskunst.
Aan vogels werd de vlucht gegund,
aan mannen wijsheid toebedacht.
Voor vrouwen restte er niets meer.
Wat nu? De schoonheid is hun kracht,
die alle schilden overtreft,
die alle zwaarden overtreft.
Sterker dan ijzer en sterker dan vuur
is een vrouw met een mooi figuur.

25

Jij, lieve zwaluw, ieder jaar
kom jij hier 's zomers heen en
vlecht jij je nestje in elkaar.
Maar 's winters ben je in enen
naar de Nijl of Memfis verdwenen.
In mijn hart weeft Eros aldoor
een nestje voor zijn kinderkoor.
De ene liefde vliegt al uit
als het ei de tweede nog omsluit
en de derde juist naar buiten kruipt.
De kuikens maken steeds herrie
als ze gretig hun snavel sperren.
Door de grote Eros telgen
worden de kleintjes gevoerd
en zij die al zijn gegroeid
broeden zelf weer op nageslacht.
Waar vind ik de juiste methode?
Mij ontdoen van zo veel Eroten,
daarvoor mis ik voldoende kracht.

26

Jij beschrijft Thebes lot in je zangen,
hij Trojes luidruchtige slag,
ik zing hoe ik zelf ben gevangen.
Wat mij aan het wankelen bracht
was geen paard, vreemde vloot, pijl en boog;
een veel verrassender macht
wondde mij: de blik van een oog.

27

Aan het merk op de flanken
herken je een paard,
en Parthen zijn om
hun tiara vermaard.
Verliefden herken ik
onmiddellijk; want
in hun ziel staat een heel fijn
merkje gebrand.

28

Toen de echtgenoot van Kythera
in zijn gloeiende ovens op Lemnos
de liefdeswapens gesmeed had,
de ijzeren pijltjes van Eros,
heeft Kypris het scherpe metaal
met zoete honing besmeerd,
waarna Eros het doopte in gal.
Zodra Ares met stevige speer
uit de strijd was teruggekomen
en om Eros' pijltjes lachte,
zei Eros: 'Die zijn loodzwaar.
Test daarop maar eens je krachten.'
Kypris glimlachte stil
toen Ares een pijltje wou pakken;
verbijsterd gaf hij een kreet:
'Pak hem zelf eens. Hij is echt zwaar.'
Maar Eros zei: 'Houd hem maar.'

29

Het is pijnlijk niet te beminnen,
het is pijnlijk wel te beminnen,
maar wat je het pijnlijkst steekt:
een beminde die met je breekt.
Liefde buigt niet voor stand
en treedt wijsheid, karakter met voeten.
Alleen geld maakt liefde charmant.
Van mij mag hij naar de hel
die als eerste hield van het geld.
Je broer verlies je door hem,
je ouders verlies je door hem,
moord en oorlog bestaan door hem.
Door hem gaan zelfs wij ten gronde,
ware minnaars, de ergste zonde.

30

In mijn droom rende ik vliegensvlug
met vleugeltjes op mijn rug.
Eros' voetjes waren verzwaard
met lood; toch wist hij onvervaard
mij te volgen en in te halen.
Wat leren mij zulke dromen?
Ik denk: in de liefde ben ik
aan vele listen ontkomen,
maar in deze blijf ik verstrikt.

31

Eros dwong mij wreed tot draf
met zijn hyacintenstaf.
Zo moest ik hem wel volgen
door bergbeken vol kolken,
door kreupelhout en kloven;
het ging mijn kracht te boven.
Mijn hart sprong in mijn borst omhoog,
het leek of het naar buiten vloog;
ik zakte bijna in elkaar.
Maar Eros vleugels wuifden mij
heel zachtjes koelte toe; hij zei:
"Valt liefde jou te zwaar?" 

32

Ik wil mijn leden spreiden
op mirte in lotusweiden
en toosten op het leven.
Eros, bind je soepel gewaad
om je hals met papyrusdraad
en kom mij de beker geven.
Net als het wiel van de wagen
rolt het leven maar af en aan.
We zijn stof tot in eeuwige dagen
als de botten zijn vergaan.
Moet parfum mijn grafsteen drenken?
Moet u zinloos wijn voor mij plengen?
Zalf me liever tijdens mijn leven
en omkrans mijn slapen met rozen;
laat een meisje mij liefde geven.
Totdat ik ginds moet verblijven
in de reidans van de doden
wil ik, Eros, mijn zorgen verdrijven.

33

Het was eens midden in de nacht,
als Arktos zich al omdraait
gehoorzaam aan Boötes' macht
en  heel de wereld slaapt
door vermoeienis bedwongen,
toen Eros aan mijn deur kwam staan
en met de grendel begon te slaan.
Ik riep: "Wie staat daar te bonken
en kapt mijn droom door midden?
Eros sprak: "Toe, laat me binnen.
Ik ben een kind. Vrees niet. Doe open.
Al uren heb ik door de regen gelopen.
Ik ben verdwaald in de maanloze nacht.
Vol deernis hoorde ik zijn klacht
en maakte onmiddellijk licht.
Ik deed open; daar stond een wicht
dat aan zijn schouders vleugeltjes had,
een pijlenkoker en een boog.
Ik heb het bij de haard gezet,
zijn handen warm gewreven met
de mijne, en met een doek direct
zijn natte haartjes afgedroogd.
Maar toen hij weer was opgeknapt
zei hij: "Ik wil even zien
of door de regen misschien
de boogpees is verslapt.
Hij spande en schoot trefzeker
als een horzel een pijl in mijn lever.
Schaterend riep hij me toe:
"Je mag wel blij voor me zijn,
vreemdeling: de pees is nog goed.
Dat betekent voor jou liefdespijn.

35

Op een dag zag Eros niet
dat een bij in een roos, pas ontloken,
voor een slaapje was weggedoken,
en werd prompt in zijn vinger gestoken.
Hij schreeuwde van pijn en verdriet.
Huilend vloog en rende hij vlug
naar mooie Kythera terug
en riep:  Moeder, het is voorbij!
 t Is voorbij, nu verlies ik mijn leven.
Een slangetje heeft me gebeten
met vleugeltjes aan zijn zij;
de boeren noemen het bij.'
Zij sprak:  Jij huilt al van pijn
door het angeltje van een bij.
Hoeveel pijn lijden, denk je, dan zij
die door Eros gestoken zijn?'

36

Als een mens erop kon hopen
met goud zijn leven te kopen,
dan zou ik steeds op wacht staan
om de Dood, wanneer die langs kwam,
te betalen om verder te gaan.
Wanneer goud dus niet de mens
laat leven zo lang hij wenst,
wat heeft het dan verder voor zin
dat gezucht en gejammer klinkt?
Als de dood mij is beschoren,
kan dat goud mij niet bekoren.
Dan kan ik beter drinken
en met mijn vrienden klinken,
genietend van heerlijke wijn,
en in donzen bedden wegzinkend
Afrodite's lieveling zijn.

 
37

's Nachts lag ik in slaap verzonken
onder een zeepurperen kleed
en droomde heerlijk beschonken
dat ik een spelletje deed:
ik vloog met jeugdige snelheid
achter meisjes aan in een wedstrijd.
Maar jongens, die nog zachter
dan Lyaios waren, lachten
mij uit en bespotten me wreed
omdat ik met meisjes streed.
Toen ik een kus wilde geven
ontvluchtten allen mijn slaap.
Ik arme, alleen gebleven,
verlangde terug naar de slaap.

38

Weg met de zorgen, laat ons drinken,
laat er een lied op Bakchos klinken,
hij die de reidans heeft bedacht,
die naar alle liederen smacht,
die altijd met Eros optrekt,
en aan Kythera dierbaar is,
die van de Roes de vader is,
door wie de Gratie is verwekt,
wiens gave alle pijn verzoet
en alle leed inslapen doet.
Lieve jongens lopen aan
met goed gemengde bekers wijn;
stormen mengen zich met de pijn
en blazen die ver van ons vandaan.
Kom, pak dus de beker,
laat je gepieker varen.
Er valt geen winst te garen
uit zorgen, dat is zeker.
Voor ons is de toekomst ongewis.
Een mens weet nooit hoe het morgen is.
Dansen wil ik, blij en dronken,
heerlijk geuren en harten stelen,
(spelen met de mooie jongens),
met de mooie meisjes spelen.
Wie dat wil maakt zich maar druk
om toekomstig ongeluk.
Weg met de zorgen, laat ons drinken,
laat een lied op Bakkhos klinken.

39
 
Ik houd van een vrolijke grijsaard,
ik houd van de dansende jeugd;
dus als een grijsaard wil dansen,
draagt zijn hoofd wel grijze kransen,
maar zijn hart draagt jeugdige vreugd.

40

Als sterveling ben ik geboren
om te gaan langs het levenspad.
Ik weet wat ik heb gehad,
maar heb geen idee van morgen.
Laat me dus, toekomstzorgen.
Wat kunnen jullie mij schelen.
Totdat ik mijn einde bereik
zal ik met de mooie Lyaios
lachen, dansen en spelen.

41

Wat is het heerlijk te gaan,
waar de weiden volop bloeien,
waar de strelende Zefyros
zijn zoele briesje laat stoeien,
om de wijnstok van Bakchos te zien
waar je onder het bladerdak duikt
met een meisjelief in je armen,
dat volkomen naar Kypris ruikt.

42

Ik wil graag dansen in de rei
in Dionysos' spel bedreven
en met een drinkmaat aan mijn zij
me op de lier uitleven.
Ik wil getooid met kransen
van hyacinten om de slapen
het liefst van al mijn kansen
bij lieve meisjes wagen.
Mijn hart kent geen jaloezie,
geen moordende jaloezie,
ik verafschuw de flitsende pijlen
van een tong vol ironie.
Ik haat ook dronkemansruzie.
Ik wil bij feestmaaltijden
met frisse jonge meiden
dansend op liermuziek
een leven in vrede leiden.

 
43

Laten we getooid met rozen
tot een krans gevlochten
ons verheugd met wijn verpozen.
Op slanke enkels danst
een meisje bij de lier,
ze draagt daarbij in haar hand
de thyrsos klimop versierd.
Een jongeman met donzen haren
speelt op de harpsnaren,
helder klinkt het lied in  t rond
uit zijn zoet ademende mond.
De goudgelokte Eros
met de mooie Lyaios
en Kythera in feestdos
voegt zich verheugd bij de stoet
die ouderen juichen doet.

44

Laat ons de roos van Eros
mengen met Dionysos,
de roos met zijn mooie bladeren
siert schitterend onze slapen.
Kom, laten we drinken en schateren.
Roos, allerheerlijkste bloem,
favoriet van het lenteseizoen,
roos waarnaar goden verlangen,
roos die de donzige wangen
van Kythera's zoon omkranst
als hij met de Gratiën danst.
Dionysos, schenk mij de krans;
op mijn lier speel ik  u een wijsje
als ik met een rondborstig meisje
door de rozengeur in trance
bij uw heiligdommen dans.

45

Zo lang ik drink van de wijn,
waken mijn zorgen niet.
Ik voel niet de druk van verdriet,
zware zorgen, snijdende pijn.
Moet gepieker mijn leven bederven?
Onvermijdelijk zal ik eens sterven.
Dus laten we nogmaals klinken
op Lyaios: hij schonk ons de wijn.
Want het leven kan zorgeloos zijn
als wij maar wijn blijven drinken.

46

Kijk, de Gratiën hebben de lente
onder rozenknoppen bedolven.
Kijk, op zee kalmeren de golven
tot een spiegel die zeelui zich wensen.
Kijk, de taling duikt in het nat,
kijk, de kraanvogel kiest zijn pad.
De zon schijnt rimpelloos aan de lucht,
de schaduw van sombere wolken vlucht,
het boerenland ligt te glanzen.
Terwijl de olijf aan de boom ontgroeit,
terwijl het sap van Bromios vloeit
in de bladeren, in de ranken,
staat een rijke oogst weldadig in bloei.

47

Al ben ik gerimpeld en oud,
bij het drinken versla ik de jongens.
Voel ik me tot dansen gedwongen,
ik zal dansend hun middelpunt zijn:
als een Seilenos de tweede
leun ik op een zak met wijn,
want de thyrsos is niets voor mijn leden.
Wil iemand een drinkwedstrijd,
kom maar op: bij mij moet hij zijn.
Beste jongen, meng jij voor mij
nog wat honingkleurige wijn
en breng me een heerlijke beker.
Al ben ik gerimpeld en oud,
bij het drinken versla ik de jongens.

48

Wanneer Bakchos naderbijkomt
vallen mijn zorgen in slaap.
Dan bezit ik Kroisos' rijkdom.
Ik verlang naar lieflijk gezang,
lig aan met een krans om mijn slaap
en hecht aan niets anders belang.
Maak nog maar iets klaar, beste knaap,
ik wil nog een beker met wijn.
Want ik kan beter dronken zijn
dan rusten in eeuwige slaap.

49
 
Als uit Zeus geboren Bakchos,
de zorgenbevrijder Lyaios,
aan mij de dronkenschap geeft
en hij in mijn binnenste leeft,
dan leert hij mij te dansen.
En ik, minnaar van drinkplezier,
word nog eens extra verkwikt
na mijn ritmische dans bij de lier
als Afrodite mij strikt.
Dus wil ik steeds weer dansen.

50

Wanneer ik drink van de wijn,
word ik helemaal warm van binnen
  ...
wil helder de Muzen bezingen

Wanneer ik drink van de wijn,
neemt de wind mijn zorgen mee
en blaast mijn verdriet en pijn
ver weg van mij over zee.

Wanneer ik drink van de wijn
omgeeft mij de lucht van rozen,
waarmee Bakchos, speels en vrij,
mij in dronkenschap laat verpozen.

Wanneer ik drink van de wijn
zing ik, met een krans rond mijn haren
om mijn hoofd tot sieraad te zijn,
van een leven op rustige baren.

Wanneer ik drink van de wijn
en mijn lijf met parfum begiet,
mag bij mij een meisje zijn:
dan zing ik voor Kypris een lied.

Wanneer ik drink van de wijn
uit een ruime beker, dan opent
mijn hart zich om blij te zijn
als de jongensstoet langs komt lopen.

Wanneer ik drink van de wijn,
is dat winst voor mij alleen:
die mag mijn eigendom zijn,
want sterven is algemeen.

51
 
Waarom drijven mijn grijze haren
jou toch zo snel op de vlucht?
Je bent in de bloei van je jaren,
maar toon me niet steeds je rug
als ik, liefste, van liefde wil zingen.
Want ook in bloemenslingers
worden witte lelies gekozen
omdat ze passen bij rozen.

52a

Waarom leer je mij schoolse regels
en dwing je me onder het juk?
Het brengt me geen enkel geluk.
Je toespraken maken me kregel.
Leer me liever de wijn te genieten
door zoete Lyaios gegeven;
leer me liever het spel te spelen
met gouden Afrodite.

52b

Grijze haren omkransen mijn hoofd.
Breng water, jongen, schenk wijn.
Mijn hart moet worden verdoofd.
Weldra zal ik voor eeuwig rusten.
De dode kent geen lusten.

53

Als ik de jeugd om mij heen zie,
stroomt in mij het jeugdige bloed.
Dan voel ik van binnen de passie
die een oude man dansen doet.
Mij grijpt Kybeles razernij.
Geef bloemen: ik wil mij omkransen.
Van grijze ouderdom vrij
zal ik jong onder jeugdigen dansen.
Laat nu de wijnschenker komen:
Dionysos' oogst moet stromen
opdat hij de krachten ziet
van een grijsaard die kan zingen
van een grijsaard die kan drinken
en stijlvol zichzelf verliest.

54

Zie je die stier, beste jongen:
dat is Zeus zonder enige twijfel.
Hij draagt het Sidonische meisje
dat op zijn rug is gesprongen.
Kijk hoe hij het zeevlak berijdt,
met zijn hoeven de golven doorsnijdt.
Geen enkele andere stier
zou de kudde achter zich laten
voor een tocht over grenzenloos water;
dat doet alleen deze hier.

55

Nu het voorjaar kransen brengt,
wil ik helder de tere rozen,
haar eeuwig gezelschap, bezingen.
Ze zijn als de adem der goden,
bieden mensen blije warmte,
aan de Gratiën voorjaarscharme,
en doen Eros en Afrodite
speels van bloemenpracht genieten.
Als bloem de Muzen lief
maakt de roos dichters creatief.
Ze is zoet voor wie zich wil wagen
op doornige liefdespaden,
zoet voor ieder die haar plukt
en warmt in zijn zachte handen,
ze is Eros' lichte geluk.
Bij een rijke feestmaaltijd
en Dionysos' drinkgelagen
verschijnt de roos altijd.
Rooskleurig zijn Eos' vingers,
roosarmig zijn ook de nimfen,
rood is Afrodite's huid
zoals bij dichters verluidt.
Ook prozaïschen worden verkwikt
door de roos die voor ziekte behoedt,
die beschermt als de doodsklok tikt,
die de tijd zelfs wijken doet.
De charme van oude rozen
spreidt toch een jeugdige geur.
Ik wil bij de oorsprong verpozen.
Toen uit zeeschuim met grijsblauwe kleur
Kythera werd geboren,
de vochtige liefdesgodin,
toen krijgshaftige Athena
uit het hoofd van Zeus opging,
vreeswekkend voor de Olympos,
was dat het moment dat de aarde
de loten van dierbare rozen
als veelkleurige kinderen baarde.
Om de roos te laten lijken
op de eeuwig zalige goden
liet Lyaios er nectar op strijken
en aan de dorens ontsproot
de onsterfelijke loot.

56

De god die tegen ongeluk volharding geeft,
die zorgt dat jeugd naar ongeremd genoegen streeft
en dat in dronkenschap de danser schoonheid heeft,
is op de aarde neergedaald met een geschenk,
een heerlijke vertroosting voor de mens.
Hij bracht een drank als middel tegen pijn,
geboren uit de moederstok, de wijn.
Die wordt door hem beschut als aan de rank
de druiven voor de oogst ontsprongen zijn
om allen tegen ziekte te bewaren,
zodra ze trossen van de ranken garen,
hun prachtig lijf beschermend tegen pijn,
hun zoete hart beschermend tegen kwaad,
totdat het nieuwe jaar weer oogsten laat.

57

Wie maakte de zee in metaal,
wie goot met bezeten techniek
de golven omhoog in een schaal?
Welk genie, de aarde ontstegen
en tot in de hemel gevlogen,
heeft de teer blanke Kupris verbeeld,
de geboorte van de goden
op de ruggen van de zee?
Naakt heeft hij haar ingekrast
behalve wat niet past
voor de ogen; dat heeft hij met golven
bedekt. Als een zeewieren kleed
sleept zij langs haar pad een spoor
van schuim door de witte zee
als haar lichaam met zachte huid
snel uit het water opduikt.
Waar haar lieflijke hals verwijst
naar haar zachte roze borsten
doorklieft een golf haar lijf.
Daar rijst Kypris in een vore:
als een lelie tussen viooltjes
kan ze door het water bekoren.
Op de zilveren rand verschijnen
op dansende dolfijnen
Eros met slinkse plannen
voor mensen, en lachend Verlangen,
en gekromde vissen omringen
op een rij in de golven het lijf
van de Paphische, dartel springend
rond de plek waar zij lachend drijft.

58

Wanneer de wegloper Goud
op vleugels wiekt door de lucht
en mij snel vliegend ontvlucht
(er is niets dat hem bij mij houdt),
ga ik hem nooit achterna.
Want wie jaagt na wat hij haat?
Ik denk niet aan achtervolging,
als de wegloper Goud verschijnt,
maar zorg dat de grauwe bewolking
door de wind uit mijn hart verdwijnt.
Ik pak mijn lier vol verlangen
en zing mijn liefdesgezangen.
Wanneer mijn hart dan weer blij
en trots heeft leren zingen,
komt plots de wegloper mij
een roes van zorgen opdringen,
opdat ik me op hem stort
en mijn heerlijke lier stoffig wordt.
Goud, onbetrouwbare gluiper,
je magie is vergeefs en onecht.
Mijn snaren haten met recht
het verlangen naar goud en luister.
Jij maakt dat mannen streven
naar bedrog en afgunstig leven.
De lier mengt wijn zonder leed
met verlangen naar slaapvertrekken
waar je kussend je zorgen vergeet.
Dus vlucht alsjeblieft hiervandaan,
want zonder de zang van mijn lier
kan ik geen moment bestaan.
Ga vreemden in plaats van de Muzen
maar behagen met vals gevlei;
ik bespeel voor eeuwig de lier,
want de Muzen wonen in mij.
Ga maar elders je onrust stichten,
laat je glans maar elders oplichten.

59

Mannen en meisjes dragen
de trossen met donkere huid
in manden op de schouders
en storten die in de kuip,
waarna de mannen ze treden
en de druif bevrijden van sappen,
als ze bij de wijnpers hymnes
voor de god in hun handen klappen
en zien hoe in de kuip
jonge Bakchos begerig schuimt,
die een grijsaard op bevende voet
dansen en wankelen doet
en zijn grijzende haren laat schudden.
Begerig loert de jongen,
tot diep in zijn hart doordrongen
van Lyaios die schroom verdrijft,
naar het zachte meisjeslijf,
dat onder het bladerdek
in diepe slaap ligt gestrekt,
waarin schalkse Eros haar bracht
tot verraad van de huwelijksnacht:
hij denkt er niet aan haar te vleien,
maar droomt uitsluitend van vrijen.
Want Bakchos voert de jongen
in verwarrende speelsheid dronken.

60a

Ik ontlok aan mijn lier muziek
al komt er nog geen festival;
door te trainen, altijd, overal,
pluk je de vrucht van techniek.
Met mijn plectrum van ivoor
begeleid ik mijn lied sonoor,
ik zing in Frygische maat
zoals met zijn vleugels de zwaan
zijn lied aan de Kaystros zingt
bij het fluiten van de wind.
Kom, Muze, danst u met mij
  aan Foibos zijn immers de drievoet,
laurierboom en lier gewijd.
Ik zing van de liefde van Foibos,
zijn onvervulde vervoering.
Het meisje ontweek zijn beroering.
Ze ontvluchtte zijn angel beschroomd
en wortelde na haar vervorming
voor hem als een welige boom.
Daar kwam Foibos, Foibos nabij,
denkend dat zij hem zou gerieven.
Maar hij plukte slechts teergroene blaadjes
ter vervulling van zijn liefde.

60b

Mijn hartje, wat ben je van streek
door de beste waanzin geslagen?
Kom schiet een pijl om je doel,
voordat je weggaat, te raken.
Maar vergeet Afrodites boog
waarmee ze goden kon vangen.
Imiteer toch Anakreon,
de alom bezongen zanger.
Drink de jongens toe met je beker,
gevuld met woorden vol charme.
Een teugje nectar brengt zeker
verkoeling bij hondse warmte
die het liefst door ons wordt ontweken.




 
Verklarende lijst van eigennamen

Adonis           mooie jongeman, geliefde van Afrodite (17)
Aias               Griekse held die in waanzin een kudde schapen afslachtte (9)
Achaia           landstreek in Zuid Griekenland (14)
Achilleus       Griekse held (13)
Afrodite         godin van de liefde, geboren uit het schuim van de zee (4, 20, 36, 49, 52a, 60b)
Alkmaion       doodde zijn moeder om zijn vader te wreken (9)
Anakreon       zie inleiding (1, 7, 15, 20, 60b)
Apollon          jonge god van de kunsten, boogschutter (17)
Ares               oorlogsgod, minnaar van Afrodite (17, 28)
Arktos            de (Grote of Kleine) Beer (33)
Athena           godin van de wijsheid, beschermgodin van de stad Athene, geboren in volle wapenrusting uit het hoofd van Zeus (16, 55)
Athene           stad in Oost Griekenland (14)
Atreus            vader van twee grote Griekse helden (23)
Attis               mooie jongeman, geliefd aan Kybele; castreerde  zich om priester te zijn in haar eredienst (12)
Bakchanten    volgelingen van de god Bakchos die in een roes zijn eredienst beleefden (3,. 4)
Bakchos         god van de wijn en de roes, met vele namen genoemd (5, 38, 41, 48, 49, 50, 59)
Baktrië           landstreek in het huidige Afghanistan (14)
Bathyllos       geliefde jongen van Anakreon (10, 15, 17, 18b)
Boötes           sterrenbeeld Ossendrijver (4, 33)
Bromios        de luidruchtige', bijnaam van Bakchos (18a, 46)
Dionysos       andere naam van Bakchos (17, 20, 42, 44, 53, 55)
Eos                godin van de dageraad (55)
Eros               liefdesgod, zoon van Afrodite en Ares (1, 4, 5, 6, 11, 13, 14, 19, 20, 23, 25, 27, 28, 30, 31, 32, 33, 35, 38, 43, 44, 55, 57, 59)
Foibos        bijnaam van Apollon (5, 12, 17, 34, 60a)
Frygië        landstreek in Klein Azië (22, 60a)
Gadeira       Cadiz (14)
Gratiën       drie godinnen van schoonheid en charme (5, 16, 38, 44, 46, 55)
Gyges     koning van het rijke land Ludië in Klein Azië (8) 
Hektor        aanvoerder van Troje in de oorlog tegen de Grieken (9)
Hefaistos     god van het vuur, smid van de goden, gehuwd met Afrodite, maar vaak door haar bedrogen (4)
Herakles      beroemdste Griekse held (9, 23)
Hermes        bode van Zeus, altijd jong afgebeeld (17)
Homeros       episch dichter van de Ilias en de Odyssee uit de 8e eeuw v.C. (2)
Ifitos        door Herakles in een vlaag van waanzin gedood (9)
Indië     het huidige Indië (14)
Ionië     door Grieken bewoonde landstreek in Klein Azië (14)
Kadmos        stichter van de Griekse stad Thebe, voorvader van een beroemd koningsgeslacht, o.a. van Oidipous (23)
Kanobos       plaats in Egypte (14)
Karië     landstreek in Klein Azië (14)
Kaystros      rivier in Klein Azië (60a)
Klaros        stad in Klein Azië met beroemd orakel van Apollon (12)
Korinthe      stad in Zuid Griekenland (14)
Kreta     eiland ten Zuiden van Griekenland (14)
Kroisos       afstammeling van Gyges, beroemd om zijn rijkdom (48)
Kybebe        = Kybele (12)
Kybele        moeder godin, in allerlei vormen vereerd in het Middellandse Zee  gebied (53)
Kypris        bijnaam van Afrodite vanwege haar eredienst op Cyprus (5, 28, 41, 50, 57)
Kythera       bijnaam van Afrodite die bij het eiland Kythera geboren zou zijn (4, 15, 16, 17,
28, 35, 38, 43, 44, 55)
Kythereia     = Kythera (19)
Lemnos        eiland voor de kust van Klein Azië met eredienst voor Hefaistos (28)
Lesbos        eiland voor de kust van Klein Azië (14)
Lyaios         'de bevrijder', bijnaam van Bakchos (4, 8, 12, 37, 40, 43, 44, 45, 49, 52a, 55,
59)
Mainaden      andere naam voor Bakchanten (5)
Memfis        stad in Egypte (25)
Muzen     negen godinnen van de kunsten die het gevolg van Apollon vormen (3, 19, 34,
50, 55, 58, 60a)
Nijl      rivier in Egypte (25)
Olympos       berg in Noord Griekenland, woning van de goden (55)
Orestes       doodde zijn moeder om zijn vader te wreken (9)
Orion     jager, als ster aan de hemel geplaatst (4)
Pandion       koning van Athene, gaf zijn dochter ten huwelijk aan Tereus (22)
Pafos     stad op Cyprus met eredienst van Afrodite (57)
Parthen       Aziatisch volk (27)
Pindaros      moeilijke Griekse dichter, zeer gewaardeerd in eigen land (20)
Pleiaden      zeven zusters die in een noodsituatie zelfmoord pleegden en aan de hemel
werden geplaatst als sterrenbeeld (4)
Polydeukes    zoon van Zeus, geducht bokser (17)
Rhodos        eiland ten Zuiden van Klein Azië (14, 16)
Samos     eiland voor de kust van Klein Azië (17)
Sapfo     Griekse dichteres uit de 6e eeuw v.C. van liefdespoëzie voor meisjes, woonde
op Lesbos (20)
Sardes        stad in Klein Azië (8)
Seilenos      oude geilbok uit het gevolg van Bakchos, meestal dronken (47)
Sidon     stad in Libanon, geboorteplaats van de prinses Europa die door Zeus, in de
gedaante van een witte stier, werd ontvoerd (54)
Syrië     ongeveer het huidige Syrië (14)
Tantalos      testte de goden door hun tijdens de maaltijd het vlees van zijn zoon te eten
te geven (22)
Teos      stadje in Klein Azië, geboorteplaats van Anakreon (1)
Tereus        rukte zijn schoonzuster, nadat hij haar verkracht had, de tong uit (10)
Thebe     stad in Midden Griekenland (26)
Troje     stad in het Noord Westen van Klein Azië, door de Grieken veroverd in de oorlog waarover Homeros' Ilias vertelt (26)
Wagen     een sterrenbeeld (4)
Zefyros       naam van de westenwind (41)
Zeus      oppergod (5, 49, 54, 55)