FRAGMENTEN VAN ANAKREON EN DE ANAKREONTEIA
(Vaak gespeld als in het Latijn: Anacreon en Anacreontea)

Vertaald door John Nagelkerken

Kox is blij, dat hij hier de vertaling van John kan presenteren aan het publiek.



Anakreon (Grieks: Ἀνακρέων) was een Griekse lyrische dichter.
  • Biografische gegevens: Anakreon werd geboren in de stad Teos aan de kust van Klein-Azië, in de 6e eeuw v.Chr. Wegens de Perzische oorlogsdreiging verliet hij zijn geboortestad en verbleef eerst aan het hof van de kunstminnende tiran Polycrates van Samos, daarna aan dat van Hipparchos te Athene. Daar leefde hij als een gevierd dichter en levensgenieter die op hoge leeftijd zou gestorven zijn.
  • In zijn werken zingt hij de lof van het verfijnde levensgenot (hedonisme); hoofdthema’s zijn de erotiek en het drinkgelag (wél typisch Grieks is zijn afkeur van mateloosheid op deze gebieden). Anakreon schrijft in een Ionisch kunstdialect (met Homerische en Aeolische elementen) en bedient zich van ongecompliceerde versmaten.

De Anakreonteia is de naam van een bundel van 62 gedichten, die in de Oudheid ten onrechte aan de dichter Anakreon werden toegeschreven. De poëzie van Anakreon was zo populair dat ze  vaak werd nagebootst. De Anakreonteia dateren in werkelijkheid uit verschillende perioden, sommige gedichten schijnen zelfs uit de vroeg-Byzantijnse tijd te stammen. Taal en stijl benaderen die van Anakreon: overwegend luchtig en bekoorlijk, maar ook 'gewild' kunstmatig en naïef. Omdat ze lange tijd voor authentiek werk van Anakreon werden gehouden, hebben ze een vertekend beeld van de dichter gecreëerd en in stand gehouden.

(Deze inleiding is ontleend aan Wikipedia.)















Anakreon
(Romeinse buste uit de 2de of 3de eeuw; Louvre, Parijs)


ANAKREON,  FRAGMENTEN

346,1

...
je hebt ook een angstig hartje,
mooie jongen met je lief gezichtje;

thuis wil je moeder jou verwennen
en je stevig in de gaten
blijven houden ...

Velden waar hyacinten bloeien,
waar de Cyprische haar paarden
... losmaakt van de jukriem;

... jij sprong in het midden
... waardoor vele burgers
zijn verbijsterd en hun hart van slag is.

Jij liefje van de straathoek, Herotime
...

346,2

... en ik vocht een zware wedstrijd ...
... maar nu ik mij recht en opkijk ...
... (Dio)nysos, ben ik dankbaar
... dat ik ben ontsnapt aan Eros ...
... mij bevrijd heb uit de boeien ...
... zwaar door Afrodite ...
... laat hij mij een wijnkruik brengen ...
... laat hij bruisend water brengen ...
... laat ... bestellen ...
... gratie, volm(aakt) ...

347

...
van het haar dat in jouw zachte
  hals zijn schaduw vallen liet;

nu heb jij die dos verloren,
haar, ten prooi aan ruwe handen,
ligt nu op een hoop, gevallen
  in het vuile stof, en is
 
door de harde snee van ijzer
neergevallen. Grote droefheid
kwelt mij. Wat kan ik nog doen
  als ik zelfs voor Thrakië faal?

Jammerlijk hoor ik haar klagen,
haar, de vrouw die goed bekend is,
en steeds weer de woorden spreken
  waarmee zij het lot aanklaagt:

 't Was voor mij een zegen, moeder,
als u in de ruwe golven
mij zou storten, in het zwarte
  zieden van het zeegeweld.

...

348

Ik smeek u die op herten jaagt,
kind van Zeus, blonde Artemis,
  hoedster van wilde dieren,
u die vast bij de kolken van
de Lethaios de stad aanschouwt
van stoutmoedige manschappen,
tot uw vreugde; want u hoedt geen
  ongetemde bevolking.

356A

Jongeman, vooruit, breng mij een
flinke beker om ad fundum
om te slaan: giet tien keer water,
vijf keer wijn in met je schepnap;
want ik wil mij vol beheersing
laten gaan als een Bakchante.

356B

Laten wij niet meer als Skythen
met geschreeuw en luid gedaver
bij de wijn ons drinkfeest vieren,
maar ons bij de drank beheersen
 onder zang van fraaie hymnen.

357

Heer, met wie Eros, dwingeland,
de blauwogige nymfen en
  stralende Afrodite

spelen, u die graag rondzwerft langs
hoge toppen in berggebied:
smekend vraag ik u, kom bij ons
welgezind; hoor mijn bede aan
  en breng die tot vervulling.

Dionysos, geef een goed advies,
geef mijn lief Kleoboulos raad:
  laat hij mijn liefde aanvaarden.

358

Weer raakt goudblonde Eros mij
met een purperen bal: hij wil
dat ik speel met de jonge vrouw
  met de bonte sandalen.
Maar omdat ze van Lesbos komt,
heerlijk woonoord, veracht ze mijn
witte haar: ze vergaapt zich aan
  iemand anders, een meisje.

359

Kleoboulos is mijn hartendief,
Kleoboulos maakt mij dolverliefd,
  Kleoboulos! Verder zie ik niets.

360

Jongenlief met je meisjesblik,
ik zoek jou, maar jij ziet het niet;
onbewust heb je van mijn ziel
  alle teugels in handen.

361

Naar de hoorn van Amalthia
taal ik niet en ik wil ook niet
honderdvijftig jaar koning zijn
  van het Spaanse Tartessos.

373

Met een klein stukje honingkoek heb ik net nog ontbeten,
maar ik dronk wel een kruik vol wijn; en nu speel ik teerhartig
op mijn lieflijke harp een lied, om mijn liefste te eren.
 
388

Toen was zijn jas één smerig vod, en steeds droeg hij een wespenhoed,
bikkels van hout sierden zijn oren, en zijn middel hulde hij
  in kale huiden van een koe,

smerige hoes, die ooit een slecht schild had bedekt; hij ging ook met
broodbaksters en lusthoeren om, die vuile schooier Artemon;
  zijn levensdoel was slechts bedrog.

Vaak zat zijn nek vast in het schandblok, en hij lag vaak op het rad,
vaak werd zijn rug met leren zwepen afgeranseld, en zijn haar,
  zijn baard werd vaak flink kaalgeplukt.

Als hij nu reist, gaat hij per koets, en hij draagt gouden oorbellen;
hij, Kykes zoon, gaat nu op stap met een ivoren parasol
  precies zoals de dames doen.

395

Grijze lokken liggen voortaan
op mijn slapen, wit is mijn hoofd,
en de charme van de jeugd wenst
mij te mijden, oud zijn mijn tanden
en er blijft niet veel meer over
van het lieve, zoete leven;
daarom ben ik vaak in tranen,
voor de Tartarus beangstigd.
Want geducht is Hades' uithoek
en het pad omlaag is pijnlijk:
want degene die daarheen gaat
komt beslist niet meer hier boven.

396

Breng ons water, beste jongen, breng ons wijn, kom breng ons kransen
rijk aan bloemen; kom dan, breng ze, want ik wil met Eros boksen.

413

Weer heeft Eros mij geslagen met een grote hamer
als een smid, en mij gedompeld in een koude bergstroom.

417

Thrakisch veulen, waarom kijk je
schuins naar mij vanuit je ooghoek
om dan wreed te vluchten? Denk je
  dat ik jou niet rijden kan?

Je moet weten dat ik jou het
bit vakkundig in kan brengen,
dat ik jou ook met de teugels
  langs de eindpaal sturen kan.

Maar nu graas je in de weiden
waar je licht en dartel huppelt,
omdat jij geen vaardig ruiter
  hebt die jou berijden kan.

419

Ach, Aristokleides, van mijn sterke vrienden ‘t meest betreurd:
jij behield de vrijheid voor ons land, jijzelf verloor je jeugd.

445

Jullie zijn onbeheerst, brutaal en weten ook niet
wie voor jullie pijlen doel zal zijn.

505d

Want ik wil tere Eros
in mijn liederen bezingen,
die met bloemen rijk omkranst is;
hij is heerser over goden,
hij ook temt de stervelingen.

Elegie 2

Ik houd niet van een man die, wijn drinkend naast een vol mengvat,
  steeds weer ruzies bespreekt, spreekt over treurige strijd,
maar wel van hem die de prachtige gaven vermengt van de Muzen
  en Afrodite: hij houdt heerlijke feesten in stand.


Epigrammen

100D

Hier ligt de machtige Agathon, voor Abdera gevallen:
  naast zijn brandstapel stond heel de stad, diep in rouw.
Nooit eerder is zo'n jongen door de bloeddorstige Ares
  omgebracht in het gewoel van de afschuwlijke strijd.

101D

Dit is de graftombe van Timokritos, sterk in de oorlog.
  Ares geeft moed geen respect: lafaards worden gespaard.

102D

Heimwee rukte ook jou, Kleënorides, weg uit het leven:
  jij vertrouwde je toe aan de winterse storm.
Onvermurwbaar besprong jou het weer, de vochtige golven
  hebben jou van je jeugd, lieflijke jaren, beroofd.

103D

Net als Kalliteles vroeger hebben zijn nakomelingen
  nu dit beeld opgericht: wees hun dankbaar daarvoor.

104D

Hier staat het paard van Feidolas uit het ruime Korinthos,
  eerbewijs voor Kronos' zoon, teken van racekwaliteit.

105D

Gun aan Tellias, zoon van Maia, een aangenaam leven.
  Toon uw dankbaarheid voor dit begeerlijk geschenk.
Laat hem onder Eonymons waarheidslievende mensen
  leven in blijvend geluk tijdens de tijd die hem rest.

106D

Bid dat de bode der goden zachtaardig mag zijn voor Timonax,
  die mij opgericht heeft, gave voor Hermes, de heer,
en voor zijn lieflijke tempel; welkom is iedere man die
  in dit gymnasion komt, stedeling of vreemdeling.

107D

Door Echekratidas, vorst van Thessalië, ben ik geschonken
  aan Dionysos als dank, een ornament voor de stad.

108D

Door Prexidike is dit kleed gemaakt, dat is ontworpen
  door Duseris: die twee hebben hun kunst saamgevoegd.

109D

Areïfilos' zoon, Melanthos, betuigt met zijn gave
  Semeles zoon, graag bekranst, dank voor de winst van zijn koor.

110D

God met de zilveren boog, verleen Naukrates gul uw gunsten,
  Aischylos' zoon, en vervul wat dit geschenk aan u vraagt.

111D

Hier op Athenes terrein hangt het schild dat Python gered heeft
  uit de kommer en kwel van de pijnlijke strijd.

112D

Praxagoras heeft dit wijgeschenk aan de goden geschonken,
  van Lykaios de zoon, werk van Anaxagoras.

113D

Zij met de thyrsos is Helikonias, naast haar Xanthippe
  en Glauke, allen op weg om na hun tocht van de berg
zich bij de reidans te voegen; ze brengen nu voor Dionysos
  druiven, klimop en daarbij ook nog een stevige bok.

114D

Koeherder, weid je kudde ver weg: anders denkt Myrons stiertje
  dat hij levend is en huppelt hij weg met je vee.

115D

Over dit stiertje, dat niet in een vorm is gegoten, maar brons werd
  door hoge ouderdom, loog Myron: ‘Het is van mijn hand'

SIM. 101D

Stroibios' zoon Leokrates, toen je dit standbeeld aan Hermes
  wijdde, ontging dat niet aan de Gratiën met welig haar
(noch aan de heerlijke Akademeia, waar ik de bezoeker
  wijs op het hoekje waar jouw prachtig geschenk is geplaatst.)

SIM. 156D

Sofokles richtte het eerst deze altaren op voor de goden:
  tragische Muze, geen mens kreeg van u roem zoals hij.