Kox' Coronadagboek

Dag 40 (woensdag 29 april 2020)

Gerard vervolgt:

"Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een trompet, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.
En terstond werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon.

En ik zag in de rechter hand van Degene, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.
En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?
En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.
En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.
En de sterke engel zei tot mij: Ween niet; zie, het Lam heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.
En ik zag, en ik hoorde een stem van veel engelen rondom de troon, en de dieren, en de goede mensen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;
Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.

En ik zag, toen Het de zegelen geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.
En de sterren van de hemel vielen op de aarde, gelijk een vijgenboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt.
En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.
En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelf in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;
En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Degene, Die op den troon zit, en van de toorn van het Lam.
Want de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie kan bestaan?

En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven trompetten gegeven.
En de zeven engelen, die de zeven trompetten hadden, bereidden zich om te trompetteren.
En de eerste engel heeft getrompetterd, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel van de bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.
En de tweede engel heeft getrompetterd, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel van de zee is bloed geworden.
En het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel van de schepen is vergaan.
En de derde engel heeft getrompetterd, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit de hemel, en is gevallen op het derde deel van de rivieren, en op de fonteinen van de wateren.
En de naam van de ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel van de wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.
En de vierde engel heeft getrompetterd, en het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan, en het derde deel van de sterren; opdat het derde deel zou verduisterd worden, en het derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht insgelijks.
En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, degenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de trompet van de drie engelen, die nog trompetteren zullen.

En de vijfde engel heeft getrompetterd, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond.
En zij heeft de put van de afgrond geopend; en er is rook opgegaan uit de put, als rook van een grote oven; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van de rook van de put.
En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.
En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen.
En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.
En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.
Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee wee├źn na deze.
En de zesde engel heeft getrompetterd, en ik zag een pestilentie gaan over de aarde, een zwarte vogel die van oost naar west vloog, en in zijn schaduw werden de mensen ziek, braakten vleermuizen en vraten schubdieren, en stierven meelijwekkend.
En de zevende engel heeft getrompetterd, en het leven viel stil; de mensen vreesden elkaar en verstopten zich in hun huizen, en armoede en gebrek deden hun intrede. En de mensen bleven sterven.

Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.
En met het beest de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van het beest gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die het beeld van het beest aanbaden.

En ik hoorde een grote stem, zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven flesjes van de toorn van God uit op de aarde.
En de eerste ging henen, en goot zijn flesje uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden.
En de tweede engel goot zijn flesje uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.
En de derde engel goot zijn flesje uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.
En de vierde engel goot zijn flesje uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.
En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden de Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven.
En de vijfde engel goot zijn flesje uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;
En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun zweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.
En de zesde engel goot zijn flesje uit op de grote rivier; en zijn water is uitgedroogd.
En de zevende engel goot zijn flesje uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is geschied.
En er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, zoals niet is geschied sinds de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.
En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.
En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit de hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel; want deze plaag was zeer groot.

En na deze zag ik een andere engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.
En hij riep krachtig met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote New York, en is geworden een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gedierte;
En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;
Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van de kostelijkste aardolie, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;
En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olijfolie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van auto's.
En al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult het niet meer vinden.
De kooplieden van deze dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende;
En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.
En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;
En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Welke stad was deze grote stad gelijk?
En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in welke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.
En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad New York met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
En de stem van de citerspelers, en van de zangers, en van de fluiters, en van de trompettisten, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid van de fabrieken zal in u meer gehoord worden.
En het licht van de kolencentrales zal in u niet meer schijnen; en de stem van een bruidegom en een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, en door hun toverij zijn alle volken verleid geweest.

En het beest werd gegrepen, en met het beest de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van het beest gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die het beeld van het beest aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt.

En ik zag de mensen, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat het boek van het leven is; en de mensen werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
En de zee gaf de mensen, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de mensen, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.
En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood.
En als iemand niet gevonden werd geschreven in het boek van het leven, die werd geworpen in de poel van het vuur.

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
En ik, Gerard K., zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.

En ik ontwaakte en keek om mij heen, en zag het eiland Texel, gehuld in bloemen, beademd door een zachte bries.

Dus, mensen, wanhoopt niet. We beleven het eind der tijden, maar na het laatste oordeel zal een wereld opnieuw beginnen. Wat een prachtige nieuwe wereld zal dat zijn! In deze opgewekte stemming wil ik graag eindigen met een gedicht, dat ik in 1973 publiceerde in de bundel Het Zingend Hart:

DE BLIJDE BOODSCHAP

Ik zat met kloppend hart voor de kleurentelevisie,
en dacht: "Zijne Heiligheid zal toch wel gewag maken
van het toenemend verval der zeden?"
En ja hoor, nauwlijks was hij begonnen, of ik hoorde al:
decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci;
influenza filmi i cinema bestiale
contra sacrissima matrimoniacale
criminale atheistarum rerum novarum,
(et cum spiritu tuo), cortomo:
nix aan de handa.
Het was jammer, dat het zo kort duurde.
Maar toen het uit was, was er fijne muziek van het leger.
Ik vind dit leven al geweldig. En straks nog
het eeuwig leven in de Hemel. Je vraagt je wel eens af:
"Waar hebben wij het aan verdiend?"


(Gerards tekst bestaat uit gedeeltes - met wijzigingen en adaptaties - van de Openbaring van Johannes. Boeiende lectuur, dat laatste boek van het Nieuwe Testament. De verzen van Het Zingend Hart zijn in 1973 verschenen bij Athenaeum - Polak & Van Gennep. Gerard draagt het hier voor omdat het een mooie afsluiting is, maar ook om Kox een plezier te doen met het potjeslatijn.)