Kox' Coronadagboek

Dag 29 (zaterdag 18 april 2020)

Thucydides Boek II Hoofdstuk 49

Iedereen is het erover eens, dat in dat jaar helemaal geen andere ziektes heersten. Als iemand eerder al minder gezond was draaide het altijd uit op de pest. Anderen, die gezond waren, werden plotseling ziek zonder enige aanwijsbare reden. Eerst kregen ze last van een gloeiend heet hoofd en rode en ontstoken ogen, en van binnen werden de keel en de tong meteen bloedig en gaven een vreemde en slecht ruikende adem. Vervolgens kwamen daar niesbuien en een schorre stem bij, en in niet veel tijd ging de pijn omlaag naar de borst met hevige hoestbuien. Wanneer de ziekte tot de maag doordrong, keerde zij die om en braakte de patiënt alle soorten gal uit die door artsen zijn genoemd, wat gepaard ging met grote pijn en moeite. In de meeste gevallen bleef de patiënt braken uit een lege maag, wat een hevige kramp gaf, die bij sommigen na een tijdje ophield, bij anderen veel langer duurde. Wanneer je aan de buitenkant het lichaam aanraakte, was het niet erg warm, en de huid was niet bleek, maar een beetje rood en grauw, met een uitslag van kleine blaasjes en zweertjes. Van binnen brandden zij met zo'n hitte, dat zij van zelfs de fijnste stoffen en linnen de aanraking niet konden verdragen en het alleen naakt uithielden, en zich het liefst in koud water wierpen. En veel van de mensen die geen zorg kregen deden dat ook en wierpen zich in waterreservoirs, in een poging hun dorst die niet ophield te lessen. Maar het maakte niet uit of zij veel of weinig dronken, de dorst bleef. Het probleem niet te kunnen rusten en slapeloosheid was een voortdurende kwelling. Gedurende de tijd dat de ziekte op haar hevigst was teerde het lichaam niet weg, maar verdroeg de ellende onverwacht goed, zodat de meesten overleden op de negende of zevende dag door de hitte binnenin, terwijl ze nog enige kracht hadden. Wanneer zij deze fase overleefden, ging de ziekte daarna omlaag naar de buik en ontstond daar hevige verzwering, vergezeld door heftige aanvallen van diarrhee, zodat het merendeel later van zwakte stierf. Want het kwaad ging eerst in het hoofd zitten, begon van boven en ging dan het hele lichaam door. Als iemand aan de ergste gevolgen ontkwam, tekende de besmetting in ieder geval de uiterste delen van het lichaam. De ziekte tastte namelijk de genitaliën en vingers en tenen aan. Velen die er door kwamen waren beroofd van die lichaamsdelen, sommigen ook van hun ogen. Sommige mensen leden wanneer het herstel inzette aan compleet geheugenverlies, wisten niet meer wie zij zelf waren en herkenden hun familieleden niet.


Kox' commentaar: deze ziekte is nog gemener dan die van ons.