Kox' Coronadagboek

Dag 25 (dinsdag 14 april 2020)

In de Grote Zaal neemt Elsa het woord:
"Naast gedichten schrijf ik ook korte verhalen, in kunstig proza. Vandaag wil ik jullie het verhaal van Pyramus en Thisbe vertellen. Een heel oud verhaal, dat ik bij Ovidius heb gevonden. Ik weet niet of het ook voor mijn gedichten geldt, maar voor mij persoonlijk is Ovidius een zeer belangrijke inspiratiebron. Frivool, humoristisch, technisch meesterlijk, de Mozart van de Latijnse letterkunde. Dictators houden niet van humor en erotiek, en waarschijnlijk daarom werd Ovidius door keizer Augustus verbannen. Hij veranderde in Tomi, zijn ballingsoord, van een briljante grapjas vol speelse diepzinnigheid in een huilebalk - maar dan wel een briljante huilebalk vol speelse wanhoop." 

Pyramus en Thisbe

Pyramus en Thisbe, hij de mooiste van alle jongens, zij mooier dan alle andere mooie meisjes in het Oosten, bewoonden aangrenzende huizen, in Babylon, de hoge stad die Semiramis volgens de legende heeft omgeven met bakstenen muren. Dat zij buren waren zorgde voor de kennismaking en de eerste stappen. Met de tijd groeide hun liefde. Zij waren dan ook graag met elkaar getrouwd, maar hun vaders verboden dat. Wat die niet konden verbieden: zij brandden allebei van een gelijke hartstocht. Niemand heeft het in de gaten. Zij praten met wenken en tekens. Hoe meer het vuur verborgen moet worden gehouden, des te heviger laait het in het verborgene op.

In de muur, die de twee huizen gemeen hadden, zat een smal scheurtje, dat de muur ooit had opgelopen toen hij werd gebouwd. Tijden lang had niemand dit gebrek opgemerkt, maar wat merkt de liefde niet? Jullie, geliefden, zagen het als eersten, en maakten het tot een weg voor jullie stemmen. Veilig, met zacht gefluister, gingen de lieve woordjes door dat scheurtje.
Wanneer zij daar stonden, hier Thisbe, Pyramus daar, en zij elkaars adem opvingen met hun mond, zeiden zij vaak:
"Jaloerse muur, waarom sta jij ons geliefden in de weg? Is het zo moeilijk om ons hele lichaam door te laten, zodat we bij elkaar kunnen zijn? Of als dat te veel gevraagd is, om zo ver open te staan, dat we elkaar kunnen kussen? Niet dat wij ondankbaar zijn. Wij zijn je zeer erkentelijk, dat jij woorden door laat gaan naar lieve oren."
Dergelijke woorden zeiden zij, ieder vanuit de eigen woning, zonder resultaat, en wanneer de nacht viel zeiden zij 'Welterusten' en gaven ieder kussen aan hun eigen kant van de muur, kussen die de andere kant niet bereikten.

De dageraad had de sterren van de nacht verwijderd, de zon had met zijn stralen de rijp van het gras gedroogd: zij kwamen samen bij de gebruikelijke plek. Zacht fluisterend herhalen zij eerst hun klachten, maar dan besluiten zij te proberen in de stille nacht de bewakers te ontglippen, de deur uit te gaan en hun huis en de huizen van de stad te verlaten. Om op hun tocht niet te verdwalen in het wijde akkerland spreken zij af bij het graf van Ninus, om daar te schuilen in de schaduw van de boom: er was daar een boom met een rijkdom aan sneeuwwitte vruchten, een hoge moerbeiboom, naast een koele bron.
Zo spreken ze af. Het daglicht lijkt traag in hun haast, maar tenslotte gaat het licht onder in de wateren, en uit die wateren komt de nacht.

In het donker opent Thisbe de deur en gaat sluw naar buiten. Niemand merkt haar op. Zij bedekt haar gezicht, komt aan bij de grafheuvel en ging zitten onder de afgesproken boom. De liefde gaf haar moed.

Maar hee, daar komt een leeuwin, de schuimende muil besmeurd met het verse bloed van runderen, om haar dorst te lessen met het water van de naburige bron. Thisbe van Babylon zag de leeuwin van ver in het licht van de maan, en met geschrokken voeten vluchtte zij naar een duistere grot, en terwijl zij vluchtte, verloor zij haar sluier, die van haar rug gleed. Toen de woeste leeuwin met veel water haar dorst had gelest, keerde zij terug naar het bos, en vond toevallig de sluier, niet Thisbe zelf. Met haar bebloede bek verscheurde zij de dunne omslagdoek.

Pyramus, later van huis gegaan, zag in het diepe zand de onmiskenbare sporen van het wilde dier. Zijn gezicht werd bleek. Toen hij ook de met bloed geverfde sluier had gevonden, zei hij:
"Eén nacht vernietigt twee geliefden. Zij had een lang leven zeer verdiend, ik ben hier de schuldige. Ongelukkige, ik heb jou gedood, ik liet jou 's nachts gaan naar plaatsen vol angst, ik kwam niet als eerste. Verscheur mijn lichaam, vreet mijn misdadige darmen met jullie woeste tanden, jullie leeuwen, die hier onder deze rots wonen! Maar het is laf de dood alleen maar te wénsen."
Hij raapt de sluier van Thisbe op en neemt die mee naar de schaduw van de afgesproken boom.  Hij huilde op het bekende kledingstuk, hij kuste het, en zei:
"Ontvang nu ook de golf van mijn bloed."
Hij stak het zwaard dat hij om had in zijn buik, en meteen trok hij het stervend uit de borrelende wond. Hij viel achterover op de grond. Het bloed spuit omhoog, niet anders dan wanneer een waterleidingbuis, als het lood kapot is, openspringt en door een sissend scheurtje waterstralen ver naar buiten spuit en met stoten de lucht in jaagt. De vruchten aan de boom kleuren donker door het spatten van het bloed, de wortels, gedrenkt in bloed, verven de hangende vruchten met een donkerrode kleur.

Maar kijk! Thisbe, nog steeds bang, dat zij haar geliefde mist, komt terug en zoekt de jongen met oplettende ogen. O, wat wil zij graag vertellen wat een enorm gevaar zij heeft ontlopen! Zij herkent de plek en de vorm van de boom, als zij die ziet, maar de kleur van de vruchten maakt haar onzeker. Zij twijfelt of dit de boom is. Terwijl zij aarzelt, ziet zij stuiptrekkende ledematen tegen de bebloede grond slaan. Zij deed een stap achteruit en met een gezicht, bleker dan buxushout, huiverde zij als de zee, wanneer zijn oppervlak gestreeld wordt door een zacht briesje.

Zij bleef staan en herkende haar liefde. Met luide klappen slaat zij haar onschuldige armen, zij trekt zich de haren uit, zij omarmt het geliefde lichaam, zij vulde zijn wonden met haar tranen en mengde haar tranen met zijn bloed. Zij drukte kussen op zijn koude gezicht en riep:
"Pyramus, wat voor ongeluk pakt jou van mij af? Pyramus, geef antwoord! Jouw Thisbe, liefste, roept jou. Hoor me alsjeblieft en til je hoofd op van de grond."
Bij de naam 'Thisbe' opende Pyramus zijn ogen, al zwaar van de dood. Hij zag haar, en sloot ze weer.

Zij herkende haar eigen sluier en zag, dat de schede zonder zwaard was, en zei:
"Jouw eigen hand en je liefde hebben je gedood, ongelukkige. Ook mijn hand is sterk genoeg voor deze ene daad, mijn liefde is dat ook, en zal me de kracht geven voor die wonden. Ik zal jou volgen in de dood. De allerongelukkigste oorzaak en metgezellin van jouw dood zal ik heten. Ach, alleen door de dood kon je van mij worden weggerukt, maar nee, ook door de dood kan jij niet van mij worden weggerukt. Laat toch deze vraag u gesteld zijn, in de woorden van ons beiden, u zeer ongelukkige ouders van mij en van hem, dat jullie het ons niet misgunnen, in hetzelfde graf te worden bijgezet, verbonden als wij zijn door een ontwijfelbare liefde en ons laatste uur.
En jij, boom, die met je takken nu het meelijwekkende lichaam van één bedekt, dadelijk van twee zal bedekken, behoud de tekenen van het bloedbad, houd altijd donkere vruchten die passen bij rouw, als gedenktekens van tweevoudig bloed."

Zij zweeg. Zij zette de zwaardpunt klaar onder tegen haar borst en ging liggen op het ijzer, dat nog lauw was van het bloed.

Haar wensen raakten de goden, raakten de ouders. Want wanneer de vrucht rijp is heeft hij een donkere kleur, en wat over is van de brandstapel rust in één urn.