Kox' Coronadagboek

Dag 15 (zaterdag 4 april 2020)

Kox heeft geen tijd.

Dag 16 (zondag 5 april)

Kox heeft geen tijd.

Dag 17 (maandag 6 april)

Kox put moed uit de hartelijke wijze, waarop Elsa's gedichten zijn ontvangen, en besluit er enige van eigen hand voor te dragen:

"Dames en heren, misschien is het ijdelheid, misschien exhibitionisme, maar ik voel een onweerstaanbare aandrang enkele dichterlijke uitbarstingen met u te delen.

Uit mijn studententijd:

Dicht, gordijnen!

Dicht, gordijnen! Laat de zuidwesterstorm maar

Brallen rond m’n huis, en z’n woede wreken

Op bedeesde bomen, die buigen voor z’n

Zwetsende regens ...

 

Platenspeler, nu aan het werk! Verdring de

Boze klachten van de bezeten winden

Met muziek waarvoor generaties eerder

Winters verstomden ...

 

Bacchus, eens een God net als hij, die water
In Jouw sap veranderde, maar de zin van ‘t

Drinken nooit heeft willen begrijpen, vul m’n

Glas nog eens! Euoi!

 

Beter al ... maar waar is een vrouw, die door haar

Rode lippen vuur in m’n aders blaast, zo’n

Mopje dat uit delen bestaat die zelfs de

Grootste muziek mist?

Ode aan het glas

Doorlichtend glas, dat mij de wereld toont,

Maar al haar kou en regen buiten houdt:

Uw koele muren, dubbel tussen ’t hout,

Zijn wakers voor een huis, waar knusheid troont.

 

Doorlichtend glas, met vakmanschap gerond,

Daarna in hoofdbreed brilmontuur gevat:

Uw tweelingruitjes verrichten ’t wonder dat

Ik helder zie, waar ik ’t eerst slechts wazig vond.

 

Verheven glas, o wonder van structuur:

U schenkt me meer dan visie of gemak,

U schenkt me vreugd bij ’t heerlijk borreluur.

 

Jenever, wijn of bier, uw flespostuur

Verricht zijn taak. Uit ’t spetterfonkelend glas,

Uw hoogste vorm, drink ik uw weldaad puur.

Jaloers op beddengoed


Gelukkig kussen, dat elke nacht haar wang streelt,

Terwijl haar lokken rusten op je koele vel:

Ach, hoe benijd ik je de kusjes die jij wél
Krijgt, de woordjes die je van haar dromen steelt.

 

Fortuinlijk laken, dat elke nacht haar warme huid

Betast, zodat zij zuchten van genoegen slaakt:

Ach, wat benijd ik je erom, dat je haar naakt

Ziet, haar – jou niét tegenstrevend – in je armen sluit.

 

Benijdenswaardig beddengoed, luchtig liggend linnen,

Ooit hoop ik onder jullie dek mijn lief mee te beminnen.

Poëtica

Mijn adjectieven zijn als pinda´s bij het bier:

’t Is niet zozeer hun eigen smaak en kraak, die maakt

Dat u ze slikt, als wel – wat u veel dieper raakt –

Dat zij u laten dorsten naar meer (Kijk, hier weer) bier.

 

(Net als in regel een. Ja, zo kunt u het ook!)

Met substantieven wijs ik naar de dingen die er

Zijn, of naar begrippen, en zo meer. Ik kook

Wel ‘ns gedichtensoep (Of een soepgedicht, met bie er),

 

Welnu, zij zorgen voor de voedzaamheid. Ik zet

- Ik geef u het recept – een pan met werkwoorden op,

Gooi daar de naamwoorden (In dit geval zijn daar

Woordnamen bij) bij, verhit het allegaar

Op ’t vuur, waarmee verbeelding van verveling redt,

Kruid het zooitje met wat intellect en hop,

  ’t Is klaar.

 

Enkele vragen die een behandeling op de middelbare school kunnen vergemakkelijken:

  1. Hoeveel regels heeft een sonnet? Motiveer je antwoord!
  2. Denk je dat de dichter van pinda’s houdt? (Tel de adjectieven!)
  3. Houd je van soep? En van kunst?

Het laatste gedicht dateert uit de tijd, dat ik net was begonnen les te geven. Vandaar de verwijzing naar de middelbare school."