Kox' Coronadagboek

Dag 12 (woensdag 1 april 2020)

Kox'  hoofd loopt om. Appen, mailen, bestanden tikken, downloaden, studiewijzers bijwerken, filmpjes maken, uploaden, saven en deleten, en dat allemaal zonder enige orde of regelmaat, omdat hij voortdurend onderbroken wordt door berichten, vragen en oproepen. Kox' liefhebbende echtgenote is op dezelfde tumultueuze manier bezig. Terwijl zij een videogesprek voert, heeft Kox een telefoongesprek met een bezorgde ouder. De laptops pingen en zingen: "Je moet hier zijn! Antwoord! Actie ondernemen!"
Pandemonium.
Het is maar goed dat Kox niet op een IC-afdeling werkt. Daar zou hij niet tegen bestand zijn. Hij heeft groot respect voor de mensen die in die hectiek werken.

Na zo'n dag van hard werken voelt Kox zich oud. Maar dat is niet erg. Oude mensen zijn populair, nu ze het moeilijk hebben en bij bosjes doodgaan. Een vrouw van honderd en twee jaar die wonderbaarlijk hersteld weer uit de IC mag, van dat bericht worden we blij. WF Hermans heeft ooit voorspeld, dat bejaarden in de toekomst uit de weg zouden worden geruimd, maar die voorspelling komt niet uit. Oude mensen hebben broers en zussen en kinderen en kleinkinderen en soms achterkleinkinderen en vrienden en vriendinnen, allemaal mensen door wie ze bemind worden. Oude mensen horen erbij. Ze worden gemist als ze er niet meer zijn.
Artsen zeggen: "Ieder leven telt." En zo is het. De Nederlandse samenleving levert een kolossale collectieve inspanning (thuis werken, afstand houden, niet bij anderen op bezoek gaan, je vakantie schrappen, vrijwilligerswerk doen, je winkel sluiten, je inkomsten verliezen) om individuele levens te redden.
Kox voelt zowaar enige trots. Wanneer de minister-president het weer goed maakt met de Italianen, Portugezen en Spanjaarden en royaal een paar miljard uitgeeft zal die trots nog groter worden. Daar wil hij best een paar promille belastingverhoging voor ophoesten - o nee, uh betalen.

In de Grote Zaal vervolgt Dwight zijn autobiografische schets.
"Ik trainde om sterk te worden, snel, en dodelijk. Krachttraining met halters van 150 kilo, touwtjespringen, intervaltraining, duurlopen, explosiviteit, noem maar op. Ik was ontzettend fanatiek. Boksballen beuken, dansen met sparring partners, de hele santenkraam. Ik trainde tot ik wist dat ik onverslaanbaar was.
"Coach," zei ik tegen mijn coach. "Ik ben er klaar voor. Regel maar een gevecht."
Mijn eerste gevecht, over drie ronden, was in een klein zaaltje in een dorp. Mijn tegenstander woog net zo veel als ik, maar bij hem was het twintig procent vet. De eerste ronde liep ik wat om hem heen, keek wat hij deed, plaatste wat plaagstootjes. De tweede ronde liep ik op hem af en gaf hem een rechtse directe. Daarmee was het afgelopen. Ik heb de goeie man twee dagen later thuis opgezocht. Hij zag alles dubbel en zijn oren suisden. Ik had met hem te doen.
Mijn tweede gevecht was in een grotere zaal in een provinciehoofdstad. Ongeveer hetzelfde verhaal. Deze jongen was taaier, dus ging niet meteen neer. Maar na een linkse hoek en een opstoot werd hij uitgeteld. De zaal loeide en juichte, maar ik vond het niet leuk.
Ik kwam er achter, dat ik in mijn fantasie heel agressief was naar mijn tegenstander, maar in de werkelijkheid beleefde ik geen plezier aan het vechten. Die man had me niets gedaan, kon me ook niets doen, want ik was te sterk voor hem, en ik voelde geen tevredenheid, dat ik mijn superioriteit had kunnen laten zien.
Gedurende al die tijd dat ik trainde en me voorbereidde dacht ik: "Ik sla ze verrot. Ik ben een beest." Maar na die twee gevechten dacht ik: "Ik ben geen beest. Ik ben geen hond die in een kooi andere honden verscheurt om het publiek te vermaken."
Mijn derde gevecht was tegen een kampioen. Ik wilde er van af zijn en sloeg hem in de eerste ronde na 17 seconden knock-out. Het publiek brulde, dat het geen 250 euro had betaald voor 17 seconden. Toen ben ik het publiek ingegaan en heb er nog een stuk of tien neergehaald. Ze kregen waar voor hun geld. Ik besloot nooit meer te boksen. Ik ben geen beest.
Ik ben de beste bokser van de wereld. Ik ben de grootste. Ik ben overal goed in. Ik spreek zeven talen. Ik heb geacteerd in grote films en ben een graag geziene gast bij talkshows. Misschien dat ik daar later ook nog iets over mag vertellen.
Ik sport nog steeds: ik ben overgestapt op kogelslingeren. Kracht, snelheid, coordinatie. Prachtige sport. Het gaat me wel aan het hart, hoe het grasveld er uit ziet na een wedstrijd."