Kox' Coronadagboek

Dag 6 (donderdag 26 maart 2020)

Kox heeft vandaag een opdracht gegeven aan zijn leerlingen. Zij moeten vragen beantwoorden en vóór 18.00 uur een tekstbestand met de antwoorden opsturen. Meer dan de helft van de leerlingen neemt zijn / haar verantwoordelijkheid en doet zijn / haar werk, zelf, een luie en makkelijke minderheid laat het werk door anderen doen en stuurt een kopie, en sommigen laten helemaal niets van zich horen. Zorgelijk! Maar ook begrijpelijk. Het zijn kinderen, Kox mag niet verwachten dat de leerlingen net zo gewetensvol hun werk doen als hij. Hij vraagt zich af, wat de leerlingen de hele dag uitvoeren, als ze thuis geen schooltje willen spelen. Rondhangen? Gamen? Netflixen? Misschien doen ze boodschappen voor eenzame bejaarden die de deur niet uit durven, of schrijven ze prachtige kaarten aan verpleeghuisbewoners, of zijn ze bezig een vaccin te maken met hun scheikundedoos.

Van een aardige collega ontving Kox een uitnodiging voor een virtuele borrel. Bij eerdere fysieke borrels was hij doorgaans snel weg. Hij vindt het moeilijk over koetjes en kalfjes te praten, of over schoolzaken - daar gaat het vaak over, maar waarom? Dit is toch vrije tijd? - en over een heleboel andere dingen weet hij ook niets te zeggen. Voetbal, gitaarspelen, Homerus, dat is het wel zo'n beetje, daarna is Kox uitgepraat. Geforceerde opgewektheid kan hij niet opbrengen. Somber kijkend door drinken, dat gaat nog net, meer wil niet goed lukken.
Een virtuele borrel lijkt hem nog veel erger. Kox vreest een zwalkend beeld met opgewekt acterende collega's, vervormde stemmen die onverstaanbare dingen zeggen, close-ups van glazen en pinda's. En dan thuis met een glas bier voor de camera van je laptop zitten? Dat is toch sneu! Dat doe je toch alleen als je geen leven hebt? Dat is toch nog erger dan andermans vakantiefoto's bekijken! Daar zou je toch zwaar van aan de drank raken?

Retorische vragen drukken pathos uit, maar Kox beseft dat hij overdrijft. Hij schudt de werkgerelateerde bekommernis van zich af en begeeft zich naar de Grote Zaal. In de gang komt hij Karel tegen. Karel zegt:
"Kom eens mee naar mijn kamer. Ik wil je iets laten zien."
Op het vensterglas, aan de buitenkant, staat geschreven, voor Karel en Kox in spiegelschrift, maar makkelijk te ontcijferen, in grote slordige letters: HUFTERS DOOD!!!
"Hee, wat is dat nu?" zegt Kox verbaasd."Hoe komt dat daar?"
"Dat heeft iemand vannacht op het raam gekalkt,"zegt Karel. "Met een viltstift of zo. Ik vind het helemaal niet leuk. Ik vind het bedreigend. Ook al ben ik geen hufter."
"Ja, dat begrijp ik," zegt Kox. "Wat ik niet begrijp is hoe die letters daar kunnen zijn. Dit hele huis is fictief. Alles is hier perfect georganiseerd, zo heb ik het bedacht. Hoe kan er dan iets zijn wat ik niet wens? Ik wil dit niet. Ik wil dit niet."
Terwijl Kox deze woorden uitspreekt, legt hij zijn hand tegen het glas. De letters vervagen en verdwijnen.
"Hm, heel vreemd,"zegt Kox. "Het is weg. Het zal niet meer gebeuren. Denk ik."

In de Grote Zaal staat Bernard klaar om van wal te steken.
"Dames en heren! Kox heeft mijns inziens een grote fout gemaakt door mij hier uit te nodigen. Hij wist zeker niemand anders met een B. Waarom niet Boccaccio, Kox? Waarom niet Berend Boudewijn? Of Brigitte Bardot, die heeft ze niet zo, maar zo? Why me? Ik ben niet beroemd, maar berucht. Ik verspreid geen opgewektheid, maar depressies. Mijn woorden leiden niet tot opluchting, maar tot benauwenis. Niemand is het ooit met me eens, terwijl ik altijd gelijk heb.
Ik ben ook geen verteller van verhalen, ik ben een beschrijver van de werkelijkheid. Harde feiten, rationele argumenten, scherpe analyses, daar ligt mijn kracht. In alle bescheidenheid. Ik formuleer opinies, ik houd ze tegen het licht, ik toets ze aan feiten, ik zoek de waarheid.
Een oudere senator in de Verenigde Staten zegt, dat hij graag zijn leven geeft, als de economie daarmee gered wordt. Helaas heeft hij nog niet de daad bij het woord gevoegd. Zijn oproep lijkt daarmee vooral bedoeld voor anderen.
Deze senator wil niet, dat de welvaart wordt opgeofferd aan het in leven houden van zwakke tachtigjarigen. Hier spreken wij schande van.
Aan de grenzen van Europa bivakkeren honderdduizenden mensen, die vluchten om hun leven te redden. Wij willen die mensen niet hier hebben. Wij willen niet, dat onze welvaart wordt opgeofferd aan het in leven houden van veertigjarigen, dertigjarigen, twintigjarigen, tieners en kleuters. Dit vinden wij vanzelfsprekend. Hier praten we liever niet over.
Het ziet er naar uit, dat we de problemen met het Coronavirus gaan oplossen. Ik hoop dat dat lukt. Ik ben optimistisch, maar ik doe mijn aandelen in het uitvaartbedrijf nog niet van de hand. Na Corona zullen de oude problemen terugkomen, het klimaat, de vluchtelingen, het populisme, de maximale snelheid op de snelwegen (wat een non-probleem is dat!), en er zal een nieuw probleem bijkomen, de economie. Ik weet niet hoe het moet. Ik ben makelaar in problemen, niet in oplossingen."
"Dank je wel, Bernard,"zegt Kox. "Ik weet zeker dat ..."
Bernard onderbreekt. "Ik ben nog niet klaar. Ik ga toch een verhaal vertellen. Een fabel."
"OK," zegt Kox. "Ga je gang."