Kox' Coronadagboek

Dag 4 (dinsdag 24 maart 2020)

Wij bevinden ons in de Grote Zaal. Kox heeft zojuist vernomen, dat de eindexamens niet doorgaan.

"Dat is wel heel jammer voor de kinderen," vindt Kox. "Ik herinner me de examenperiode als de gelukkigste weken van mijn leven. Het was heerlijk om zo'n enorm succes te hebben."

"Dat is niet voor iedereen zo," zegt Bernard. "Voor mij was het een hel. Wat een stress! Jaren later droomde ik nog, dat ik in een zaal zat met een opgave voor me waar ik niets van begreep. En iedereen om me heen zat druk te schrijven. En ik had geen pen. En ik deed examen in een vak waar ik nog nooit van had gehoord. En de surveillerende docenten keken heel lelijk naar me en fluisterden tegen elkaar, dat ik een kansloze loser was. Een vreselijke nachtmerrie!"

"De school, dat wil zeggen de docenten bepalen nu op grond van de schoolexamens of een leerling slaagt of zakt," zegt Otto. "De diploma's zijn net zo veel waard als in normale jaren."

"Haa!" roept Kox. "Macht! De docenten bepalen! Eindelijk! Hoera! Wij zijn de baas! Power to the teacher! Ze gaan ervan lusten! Als de leerlingen lief zijn en hard werken en af en toe een flesje wijn langsbrengen, o nee, opsturen, dan hebben ze kans. Anders niet. Hihihihahahoo. Mad laughter ..."
"Klets niet zo, Kox!" zegt Bernard. "Jij hebt niet eens een examenklas. Je verliest je weer in pueriele fantasie. Je weet best, dat de leraren in Nederland zo betrouwbaar zijn als een Zwitserse koekoeksklok, en dat schooldirecties te integer zijn om leerlingen te matsen om het slagingspercentage op te krikken om goede PR te kunnen bedrijven."
"Ja, dat is waar," zegt Kox, ontnuchterd.

Abe staat op en vervolgt zijn verhaal.
"Ik had natuurlijk niet moeten gaan zwemmen. Die rivier was vergeven van de krokodillen. Maar ja, ik had het zo warm, en ik had zo'n zin, en ik zag twee andere mannen in het water... Dus ik zwemmen. Dat ging goed, tot het fout ging. Ik zwom al weer naar de kant, ik kwam al overeind om de laatste passen naar het droge te zetten, toen mijn rechterbeen ineens onder me uit werd gehaald. Ik viel. Ik begreep niet, wat er gebeurde, tot ik de pijn voelde. Een gruwelijke pijn, erger dan ik ooit heb meegemaakt, erger dan bij mijn motorongeluk. En toen zag ik ook de krok. Hij had mijn rechteronderbeen te pakken en sleurde me het water in. Ik trapte met mijn linkerbeen, tegen zijn snuit, op zijn ogen, maar het monster leek het niet te merken en zwom verder, terwijl het mij meesleurde. Ik wist, dat de krok me wilde gaan verdrinken om me daarna naar zijn hol te slepen. Ik had het beeld al voor ogen van mijn rottende lichaam in een graf van modder, ik zag al voor me hoe ik uit elkaar werd gescheurd door die machtige kaken met die rijen tanden. Nee, dacht ik, neeneenee! Ik nam een grote hap lucht, net op tijd, voor ik onder water werd getrokken. Met mijn handen kon ik de bodem voelen van de rivier, en ik probeerde me vast te grijpen, maar de bodem was zacht en slijkerig. Mijn handen vonden een kei en ik greep die vast, maar de kei kwam los van de bodem. Ik bleef de kei vasthouden. De krok hield me onder water en sleurde me verder, ik hield mijn adem in. Dat duurde lang, heel lang, en ik begon sterretjes te zien. Ik voelde, dat ik door de blubber werd getrokken, ik dacht, zal ik het maar opgeven, ik wil lucht, ik moet lucht hebben, ik kan niet ademen, maar ik moet lucht... En ik hapte naar lucht. En o wat heerlijk, ik kreeg geen golf smerig water binnen, mijn longen liepen niet vol en ik stikte niet, nee, ik kreeg lucht binnen. Wel hele vieze lucht. Een geur van modder, ontbinding en krokodil. Geen fijne lucht, maar ik was er blij mee. Ik had die kei nog in mijn hand en begon op de verbaasde krok in te slaan. Nu ja, ik weet niet, of hij verbaasd was, ik kon het niet zien, want het was pikkedonker, maar ik hoop het wel. Eerst was hij verbaasd, toen ik doorging met de kei op zijn harses te beuken werd hij denk ik boos, en toen ik onophoudelijk bleef slaan werd hij dood. Ik sloeg net zo lang door tot zijn schedel een platte brij was. Om zeker te zijn. Het was geen tijd om risico's te nemen. En daar zat ik dan, of liever, daar lag ik dan, want het hol was laag, naast een dode krokodil, in de natte smurrie, midden tussen de in ontbinding verkerende resten van eerder buitgemaakte prooi, met boven me, rechts van me en links van me wanden van meer natte smurrie. Mijn been deed veel pijn. Ik tastte om me heen, ik schoof op mijn rug liggend door het hol op zoek naar de uitgang. Die moest er zijn, want ik was er tenslotte ook binnengekomen. Ik vond een plas water en tastte naar de bodem. Waarschijnlijk was hier een gang, door het water, naar buiten, naar de rivier. Ik hoefde alleen maar door die gang te zwemmen. Alleen maar dat. Zwemmen door een nauwe gang, met aan flarden gereten benen, door wat meer blubber dan water was. Misschien zat er wel een bocht in de tunnel, die ik natuurlijk niet zou weten te vinden. Misschien was er wel een afslag naar nog zo'n hol, met een andere krok. Ik moest het er maar op wagen, het was de enige mogelijkheid. Nou, mooi niet. Ik durfde niet. Ik zat hier goed. Ik had water, ik kon de krokodil opeten, ik hoefde alleen maar te wachten tot ik werd gered. Ze gingen me vast redden.
En zo lag ik daar, heel lang, ik weet niet hoe lang. Ik had het koud, ik had honger - ik lust geen krok - en ik kon alleen met moeite ademen. De lucht was niet alleen verpest, maar er zat weinig zuurstof in, denk ik, want ik kreeg het steeds benauwder. De ventilatie was niet optimaal. Ik voelde me heel slecht, ik kreeg koorts, ik was bang, ik had het benauwd. Afgrijselijk!"

Kox zegt: "Tot zover. Morgen gaan we zien of je het hebt overleefd."