Kox' Coronadagboek

Dag 3 (maandag 23 maart 2020)

Na een stevig ontbijt verzamelen we ons in de Grote Zaal. Vandaag is de eerste plenaire vergadering, dus Kox legt uit wat de bedoeling is.

"Dames en heren, welkom. Ik ben erg blij dat u er bent. In de echte wereld zijn bijeenkomsten van meer dan drie personen nu verboden, maar aangezien jullie fictieve personen zijn geldt die restrictie niet. We hoeven ook niet anderhalve meter van elkaar af te zitten. We kunnen het gezellig hebben, net zoals echte mensen vroeger, nu ja, twee weken geleden nog.

Wat we nodig hebben is afleiding. Geen escapisme, geen ontkenning van de moeilijke werkelijkheid, maar een moment van ontspanning. Wat is meer geschikt om zo'n moment te creëren dan een verhaal? Verhalen leiden ons binnen in een andere wereld, een nieuwe wereld, een betere wereld, of een slechtere wereld, een parallelle wereld of een anti-wereld, en wanneer het verhaal uit is en we die verhaalwereld weer verlaten, voelen we ons meer tevreden met de werkelijke wereld. Ik denk, omdat we die dan met een korreltje zout kunnen nemen.

We zijn hier met 27 personen, 26 fictieve en één werkelijk persoon. Hoewel, Kox is een webalias. Kox is in feite grotendeels fictief. Zodra iemand begint te vertellen is hij eigenlijk ook fictief. Een verteller construeert niet alleen zijn verhaal, maar tegelijk ook zijn persoonlijkheid. De schrijver Harry Mulisch is een fictie, die nog leeft, maar was ook al een fictie toen hij nog leefde. Onze vriend Homerus daar, in die okergele fauteuil, met zijn woeste baard, vertelt de meest fantastische verhalen, maar is nog minder dan een fictie, want hij heeft zelfs nooit bestaan."
"Hoo hoo hoo!" roept Homerus. "Welk een woord ontsnapte daar aan de haag van je tanden? Wat is dat voor onzin? Ik zit hier toch?"
De hilariteit die op deze woorden volgt doet Kox inzien dat hij zijn inleidende woorden beter kan beëindigen.
"Dames en heren!" roept hij. "De eerste verteller zal ons nu in zijn wereld binnenlaten. Graag uw applaus voor Abe!"

Abe: "Dames en heren, ik vraag om uw genade. Als eerste verteller kan ik het nooit goed doen. Als ik een slecht verhaal vertel, geeft dat u de vrijheid later ook een slecht verhaal te vertellen, en juicht u mij toe. Dan zitten we wel met een slecht verhaal opgescheept. Als ik een goed verhaal vertel, geniet u daar misschien wel van, stiekem, maar omdat u zich dan ongerust af gaat vragen of u wel datzelfde niveau kunt bereiken zult u mij met boegeroep smadelijk de aftocht doen blazen. Daarom vraag ik u te luisteren en na afloop van mijn vertelling rustig te applaudisseren, zoals na een concert van klassieke muziek, minutenlang, ook als iedereen blij is dat het is afgelopen.

Het verhaal dat ik ga vertellen speelt zich af in het oerwoud, in een tropisch regenwoud, aan een modderige rivier, waarin nijlpaarden drijven, en krokodillen vermomd als boomstam loeren op prooi. Het is echt gebeurd, ik kan u mijn littekens laten zien als bewijs."

Hier laat Abe zijn broek zakken tot op zijn enkels. Op zijn dijen en kuiten zien we roze en witte plekken, lange warrelende lijnen waar het vlees weer aan elkaar is gegroeid, slordige littekens waar brute wonden door een dronken en niet-gediplomeerde dierenarts lijken te zijn dichtgenaaid.

"Ik had natuurlijk niet moeten gaan zwemmen," vervolgt Abe, nadat hij zijn broek weer heeft opgehesen. Op dat moment gaat de deur open en komt de koffiejuffrouw binnen. "Genoeg voor dag 3, hoor!" roept ze. "En dan is er koffie!"
"Ik geloof niet, dat er veel boeken zijn in de Nederlandse literatuur, waar geen koffie wordt gedronken," smaalt Livius.
"Ik weet het niet," zegt Kox. "Dat valt toch wel mee? Wordt er koffie gedronken in de Max Havelaar?"
"Dat is nog eens een goede vraag," zegt Plutarchus. "Ik ga hem meteen herlezen!"