Kox' Coronadagboek

Dag 2 (zondag 22 maart 2020)

Het huis is te klein voor alle gasten. Het is heel eenvoudig daar wat aan te doen. Kox bedenkt een huis dat groot genoeg is:

Om te beginnen is daar de Grote Zaal. Een enorme ruimte, met een hoog plafond, plavuizen op de vloer, vloerverwarming, hier en daar prachtige tapijten, overal luxueuze banken en fauteuils. Aan twee zijden zijn de muren bedekt met boekenkasten, waarin alle boeken staan die we nodig hebben. Aan de tuinkant is de muur van glas. De schuifdeuren staan open, want het is hier heerlijk weer, altijd. Wanneer je door de deuren de tuin in gaat, kom je eerst op een terras, met witte metalen tafeltjes en stoelen. Op de tafeltjes liggen fleurige kleedjes, op de stoelen geborduurde kussens. Paden leiden je de tuin in, waar eiken en beuken worden afgewisseld door heesters, struiken en heerlijk geurende bloembedden. Achterin de tuin is een ruïne. Vogels fladderen kwetterend tussen de bomen en struiken. Er is ook een grote vijver, waarin een paar felgekleurde eenden en twee sneeuwwitte zwanen ronddobberen. 's Nachts hoor je kikkers kwaken.

Wanneer je de Grote Zaal aan de andere kant verlaat, kom je in een ruime hal. Daar is ook de voordeur. Nee, dat is niet genoeg. Daar is ook de monumentale ingang van het huis, een dubbele deur van drie meter hoog, van brons, met taferelen uit de wereldgeschiedenis in reliëf. Vanuit de hal kun je de Grote Zaal in, maar je kunt ook naar links of rechts gaan. In de linkervleugel bevinden zich een tiental werkruimtes, met een buro en een computer, en verder de fitnessruimte, de biljartkamer, het tafeltennishok en de muziekzaal. Daar kunnen we jammen. In de rechtervleugel bevinden zich de eetzaal en de slaapkamers. Elke slaapkamer heeft zijn eigen badkamer, met een bad, een douche, een wastafel en een toilet.

Als er nog dingen zijn die ook beslist in een huis aanwezig moeten zijn: die zijn er ook.

We maken ons geen zorgen over de schoonmaak, of over het bereiden van de maaltijden. We zien nooit personeel, maar alles is altijd schoon en opgeruimd, en het eten is klaar wanneer we honger hebben.

Zo, nu het huis groot genoeg is en functioneert kan Kox zijn gasten ontvangen. Abe, Johan en Homerus kwamen op dag 1 al binnen. Nu kunnen ze naar hun kamer, om zich op te frissen, en daarna naar de Grote Zaal te gaan. Omdat Homerus blind is, heeft Kox hem bij de hand genomen en naar zijn kamer gebracht. Daarna begeleidt hij hem terug naar de Grote Zaal. Nieuwe gasten komen aan: Bernard, Quart, Roxane, Karel, Livius en Otto. Er zullen er nog meer komen. Bij elke letter van het alfabet is er een naam, en dus een gast. De laatste die vandaag binnenkomt is Zeb.

Zeb zegt: "Vandaag zijn er in Nederland 43 mensen overleden aan het virus. Ik vind het heel erg."
"Ja, ik ook," zegt Kox. "In Italië zijn er 651 mensen gestorven. Dat zijn er 142 minder dan gisteren. Misschien is er hoop."
"Er is altijd hoop," zegt Zeb. "Plotseling leven we nu in sombere tijden. Maar er is altijd hoop. Daarom ben ik ook hier gekomen. Om de hoop levend te houden. En om te praten, en te luisteren naar verhalen, en om verhalen te vertellen."
Kox: "Ja, dat gaan we doen. Morgen vertelt Abe zijn verhaal. Het eerste verhaal. Jij bent nog lang niet aan de beurt, Zeb. Ja, wel om te luisteren, maar niet om te vertellen."
Zeb: "Dat is prima. Dan kan ik nog wat schaven aan mijn vertelling. Gaat Abe dat verhaal over die krokodillen vertellen?"
Kox: "Ik weet het niet. Ik ken dat verhaal niet, trouwens."
Zeb: "O, dat is een geweldig verhaal. Maar zijn verhaal over Marsmannetjes is ook geweldig. En over zijn reizen door Snegren kan hij ook heel boeiend vertellen."
Kox: "We gaan het zien - of liever, horen. Ik ben benieuwd."